Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200201403/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201403/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Hoka Snacks B.V.", gevestigd te Soest,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Soest,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2002, kenmerk G&M/2002/1117, hebben verweerders krachtens artikel 5 van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) in samenhang met hoofdstuk 4 van de bijlage van het Besluit nadere eisen gesteld met betrekking tot de inrichting van appellante aan de Ferdinand Huycklaan 22 te Soest. Dit aangehechte besluit is op 6 februari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D. van Loon, advocaat te Soest, is verschenen.

Voorts is [partij] als partij gehoord, bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Krachtens artikel 5, eerste lid, onder a, van het Besluit kan het bevoegd gezag - voorzover hier van belang - nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voorzover dat in hoofdstuk 4 van de bijlage is aangegeven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel gelden de nadere eisen voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd.

In voorschrift 4.1.4 van de bijlage van het Besluit is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en gedragsregels die in acht moeten worden genomen, teneinde te bereiken dat aan de in het Besluit gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit blijven - voorzover hier van belang - voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning gelden als nadere eis, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a.

2.2. Niet in geschil is dat het Besluit van toepassing is op de onderhavige inrichting. Ingevolge het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van het Besluit gelden ten aanzien van de onderhavige inrichting de geluidgrenswaarden verbonden aan de bij besluit van 12 april 1988 verIeende Hinderwetvergunning nog tot 1 oktober 2003.

Aan de bij besluit van 15 augustus 2000 door verweerders krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning - welke nimmer onherroepelijk is geworden vanwege de inwerkingtreding van het Besluit - is een aantal gedragsvoorschriften verbonden teneinde aan de in die vergunning gestelde geluidgrenswaarden te kunnen voldoen. Verweerders hebben bij het bestreden besluit deze voorschriften als nadere eisen opgelegd.

2.3. Appellante voert aan dat op grond van het in artikel 7 van het Besluit neergelegde overgangsrecht thans geen nadere eisen met betrekking tot geluid kunnen worden gesteld, omdat deze nadere eisen afwijken van de aan de onderliggende Hinderwetvergunning verbonden geluidvoorschriften. Naar haar mening kunnen deze nadere eisen niet als gedragsvoorschriften worden aangemerkt.

2.3.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de nadere eisen niet in strijd zijn met de vigerende geluidvoorschriften, nu de nadere eisen daarvan een uitwerking zijn. Zij merken daarbij op dat de nadere eisen duidelijkheid bieden over de wijze waarop de geluidvoorschriften moeten worden nageleefd.

2.3.2. De Afdeling is van oordeel dat verweerders gelet op artikel 5, eerste lid, van het Besluit, bezien in samenhang met hoofdstuk 4 van het Besluit, nadere eisen hebben kunnen stellen met betrekking tot geluid. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de nadere eisen strijdig zijn met de vigerende geluidvoorschriften. Verweerders hebben zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat deze nadere eisen kunnen worden aangemerkt als gedragsregels als bedoeld in voorschrift 4.1.4 van de bijlage van het Besluit teneinde te bereiken dat aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.4. Appellante kan zich in het bijzonder niet verenigen met de nadere eisen onder 3 en 4. Appellante voert aan dat deze nadere eisen niet behoeven te worden gesteld indien met één of meerdere nieuwe vrachtwagens kan worden voldaan aan de vigerende geluidgrenswaarden, alsmede indien met het in werking hebben van koelmotoren van nieuwe vrachtwagens kan worden voldaan aan de geluidgrenswaarden. Zij stelt in dit kader dat de technologische vernieuwingen zodanig zijn dat motoren van nieuwe vrachtwagens alsmede koelmotoren minder geluid produceren. Appellante betoogt dat het in het kader van de aanvraag om een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer opgestelde akoestisch rapport van NIBAG B.V., nummer 9020.0167, gedateerd 10 december 1999, dat verweerders aan het bestreden besluit ten grondslag hebben gelegd geen, althans onvoldoende rekening houdt met deze technologische vernieuwingen in de vorm van geluidarme(re) vrachtwagens en koelmotoren.

2.4.1 De bij het bestreden besluit gestelde nadere eisen luiden - voorzover hier van belang - als volgt:

"1. (…)

2. (…)

3. Het is binnen de inrichting verboden gedurende de avond- en nachtperiode vrachtwagenbewegingen te doen plaatsvinden.

4. Het is verboden binnen de inrichting koelmotoren van vrachtwagens in werking te hebben.

5. (…)

6. (…).

7. (…)”

2.4.2 Verweerders zijn van mening dat zij het akoestisch rapport hebben mogen betrekken bij het opleggen van de nadere eisen daar dit rapport uitgaat van een representatieve bedrijfssituatie. Daarbij merken zij op dat in het akoestisch rapport de vigerende geluidgrenswaarden als uitgangspunt zijn genomen. Verweerders wijzen er op dat in de nachtperiode het maximaal toegestane geluidniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting, in het bijzonder vanwege de motoren van vrachtwagens op het terrein van de inrichting, ter hoogte van de gevels van woningen van derden wordt overschreden. Naar hun mening kunnen de door appellante genoemde technologische vernieuwingen niet op korte termijn de benodigde geluidreductie bewerkstelligen. Verweerders stellen zich op het standpunt dat verruiming van de bedrijfsactiviteiten eerst mogelijk is als na aanvullend akoestisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen overschrijding van de geluidnormen valt te verwachten.

2.4.3 De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich bij het stellen van de nadere eisen niet hebben kunnen baseren op het akoestisch rapport van 10 december 1999. Dat dit rapport is opgesteld in het kader van een uiteindelijk niet onherroepelijk geworden vergunning maakt dit niet anders. Voorzover appellante betoogt dat in het akoestisch rapport een onvoldoende representatieve bedrijfssituatie tot uitgangspunt is genomen, oordeelt de Afdeling dat niet aannemelijk is geworden dat in het akoestisch onderzoek onjuiste uitgangspunten zouden zijn gehanteerd dan wel dat de uitkomsten van dit onderzoek onjuist zouden zijn.

Volgens het akoestisch rapport wordt, zolang geen akoestische maatregelen/voorzieningen zijn getroffen, gedurende de nachtperiode de geluidgrenswaarde van het maximale geluidniveau ter plaatse van de gevels van woningen van derden overschreden met 0,7 tot 9,5 dB(A) vanwege vrachtwagens op het terrein van de inrichting. Daarbij merkt de Afdeling overigens op dat volgens het akoestisch rapport deze geluidgrenswaarde zelfs wordt overschreden indien een geluidscherm wordt geplaatst. De Afdeling acht niet aannemelijk geworden dat nieuwe vrachtwagens zijn uitgerust met motoren en koelmotoren die zodanig minder geluid produceren dat daarmee een geluidreductie tot 9,5 dB(A) kan worden bereikt om aan de vigerende geluidgrenswaarden te kunnen voldoen, daargelaten dat niet aannemelijk is dat alleen nieuwe vrachtwagens zich op het terrein van de inrichting zullen bevinden. Verweerders hebben zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij deze nadere eisen ten aanzien van geluid hebben kunnen stellen om te bereiken dat aan de vigerende geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.5 Eerst ter zitting heeft appellante betoogd dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.6 Het beroep is ongegrond.

2.7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

179-335.