Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200104709/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/3966
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104709/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 10 augustus 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Heerjansdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 1997 heeft de raad van de gemeente Heerjansdam (hierna: de raad) een verzoek van appellanten om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.

Bij besluit van 2 september 1997 heeft de raad het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken van 26 augustus 1997, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 augustus 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 20 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 december 2001 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. E. Wiarda, werkzaam bij

Langhout & Wiarda Juristen te Heerenveen, en de raad, vertegenwoordigd door J. Schop en F.E. Riesewijk, respectievelijk wethouder en ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten zijn respectievelijk eigenaar van de woning [locatie 1], de woning [locatie 2], en de woning [locatie 3], te [plaats].

2.1.1. Bij besluit van 11 juni 1991 heeft de raad vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO verleend van het bestemmingsplan “De Gors”, ten behoeve van de aanleg van een deel van de randweg ten zuiden van Heerjansdam.

Bij besluit van 16 november 1994 heeft de raad voorts vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO verleend van de bestemmingsplannen “Dorp en Dijken” en “Landelijk Gebied”, ten behoeve van de bouw van 24 woningen op een terrein grenzend aan de percelen van appellanten.

Van een aantal nieuw gebouwde woningen zijn de tuinen gedeeltelijk gelegen op gronden waarop het bestemmingsplan “De Gors” van kracht is.

2.1.2. Appellanten hebben verzocht om vergoeding van de schade die zij stellen te lijden ten gevolge van de besluiten tot verlening van vrijstelling. Volgens appellanten heeft de aanleg van de randweg geleid tot geluidsoverlast en heeft de bouw van woningen met tuinen geleid tot een verlies van vrij uitzicht en privacy. Appellanten menen dat hun woningen hierdoor in waarde zijn gedaald.

2.2. De raad heeft zich, in overeenstemming met de terzake door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken uitgebrachte adviezen van juni 1996 en 18 februari 1997, op het standpunt gesteld dat appellanten niet in een planologisch nadeliger situatie zijn komen te verkeren, zodat er geen reden is voor toekenning van een schadevergoeding.

2.3. De rechtbank heeft op grond van het door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) aan haar uitgebrachte advies van 31 augustus 2000, geoordeeld dat de raad zich terecht op dat standpunt heeft gesteld.

2.4. Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat het uitzicht vanuit hun woningen verloren is gegaan en dat hun privacy is aangetast ten gevolge van het vrijstellingsbesluit van 16 november 1994.

2.4.1. Dit betoog faalt. Weliswaar houdt het vrijstellingsbesluit van 16 november 1994 een planologische wijziging in van het bestemmingsplan “Dorp en Dijken”, nu dat bestemmingsplan ter plaatse van de nieuwbouw geen bebouwing toeliet, echter, volgens de StAB zijn de nieuwe woningen zodanig gesitueerd dat het uitzicht vanuit de woningen van appellanten niet wezenlijk door het vrijstellingsbesluit wordt beïnvloed. Volgens de StAB is er voorts geen sprake van een onmiskenbare vermindering van de privacy van appellanten, gezien de afstand van minimaal 45 meter tussen de woningen van appellanten en de hier bedoelde nieuwe woningen. De StAB is daarnaast van oordeel dat de nieuwe bebouwing qua privacy niet of nauwelijks een nieuwe situatie oplevert, nu de woningen aan de [locatie] aan elkaar zijn gebouwd en de tuinen van die woningen aan elkaar grenzen. Niet is gebleken dat de conclusies van de StAB onjuist zijn. De rechtbank is mede gelet daarop op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat appellanten niet in een planologisch nadeliger situatie zijn gekomen ten gevolge van het besluit van 16 november 1994, voorzover daarbij vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan “Dorp en Dijken”.

2.4.2. De rechtbank is eveneens op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat appellanten niet in een planologisch nadeliger situatie zijn gekomen ten gevolge van het besluit van 16 november 1994, voorzover daarbij vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied”. De gronden waarop dit gedeelte van de vrijstelling betrekking heeft, waren in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” bestemd voor “Landbouw, veeteelt, opengronds-tuinbouw en tuinbouw in glasopstallen (LT)”, in combinatie met de “nadere aanwijzing“ “*” = “geen veredeling toegestaan”. Ingevolge artikel 8, eerste lid, in samenhang met artikel 1, zesde lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan mochten op deze gronden - voorzover hier van belang - kassen worden gebouwd. Ingevolge genoemd artikel 8 is ten aanzien van gronden waarop de bouw van kassen is toegestaan, het bepaalde in artikel 7 over gronden met de bestemming “Landbouw, veeteelt en opengronds-tuinbouw (L) op overeenkomstige wijze van toepassing.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verwijzing naar artikel 7 zo dient te worden gelezen, dat de daarin opgenomen voorschriften slechts van toepassing zijn, voorzover zij zijn te verenigen met de doelstelling van de bestemming “Landbouw, veeteelt, opengronds-tuinbouw en tuinbouw in glasopstallen (LT)”. De beperking van artikel 7, tiende lid, onder a, van de planvoorschriften, inhoudende dat slechts gebouwd mag worden binnen een maat van 100 meter, gemeten evenwijdig aan de as van de weg, zou - daargelaten dat geen weg is gerealiseerd - een zo vérgaande inperking betekenen van de mogelijkheid tot kassenbouw, dat deze niet verenigbaar wordt geacht met de doelstelling van artikel 8. De rechtbank heeft voorts terecht, op grond van artikel 4 in samenhang met artikel 5 van de bestemmingsplanvoorschriften, geconcludeerd dat ter plaatse kassen met een goothoogte van maximaal 6 meter mochten worden opgericht, hetgeen ongeveer gelijk is aan de goothoogte van 5,62 meter van de met vrijstelling gebouwde woningen. Niet kan derhalve worden staande gehouden dat het nieuwe planologische regime nadeliger is voor het uitzicht van appellanten. Het nieuwe planologische regime houdt evenmin een nadeliger wijziging in voor de privacy van appellanten, nu de nieuwe woningen zijn gebouwd op een afstand van respectievelijk 45, 40 en 35 meter gemeten vanaf de achtergevels van de woningen van appellanten, terwijl de woningen van appellanten aan de [locatie] aan elkaar zijn gebouwd en de tuinen aan elkaar grenzen.

2.5. Appellanten betogen voorts tevergeefs dat zij in een planologisch nadeliger situatie zijn gekomen, doordat gronden die onder het bestemmingsplan “De Gors” de bestemming “water” hadden thans in gebruik zijn als tuin bij een aantal nieuwe woningen, waardoor hun privacy is afgenomen. Niet is gebleken dat het planologisch regime ter plaatse van bedoelde gronden is gewijzigd. Voorzover al sprake is van een feitelijk gebruik dat niet in overeenstemming is met de geldende bestemming, valt dat buiten het kader van artikel 49 van de WRO.

2.6. Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het vrijstellingsbesluit van 11 juni 1991 heeft geleid tot geluidshinder van het verkeer, faalt eveneens. Mede gelet op het StAB-advies is er geen aanleiding voor de conclusie dat de randweg afbreuk doet aan het woonklimaat van appellanten. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellanten ook erkend dat het verkeerslawaai binnen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) blijft.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Sparreboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

195-401.