Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200004156/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200004156/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 4 augustus 2000 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Elburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 1999 hebben burgemeester en wethouders van Elburg (hierna: burgemeester en wethouders) nader aangegeven verkeersmaatregelen genomen met betrekking tot de Oostendorperstraatweg te Elburg.

Bij besluit van 21 september 1999 hebben burgemeester en wethouders het door appellant daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover het onderdeel 4 betreft en voor het overige ongegrond. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 14 september 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 4 augustus 2000, verzonden op 8 augustus 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 september 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 juni 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door ing. J.J. Ruster, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant betoogt ten onrechte dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders zijn bezwaar tegen onderdeel 4 van het primaire besluit niet niet-ontvankelijk hadden moeten verklaren. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat in zoverre geen sprake is van een besluit. Dit onderdeel is niet gericht op rechtsgevolg, aangezien het niets anders inhoudt dan het voornemen van burgemeester en wethouders om na de inwerkingtreding van het verkeersbesluit niet aan de in dat onderdeel bedoelde ontwikkelingen mee te werken, voor het geval deze zich mochten voordoen. De standpuntbepaling is niet, zoals appellant beweert, definitief in die zin dat geen ruimte voor besluiten met een andere strekking in de toekomst meer mogelijk is.

2.1.1. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De aangevallen uitspraak dient op dit punt te worden bevestigd.

2.2. Ten aanzien van het in hoger beroep bestreden verkeersbesluit overweegt de Afdeling, dat dit besluit inmiddels is gewijzigd in deze zin dat vanaf de Oostendorperstraatweg het te vestigen benzineverkooppunt nabij het kruispunt Zuiderzeestraatweg/Oostendorperstraatweg bereikbaar is.

Ter zitting is gebleken dat ten aanzien van het met het hoger beroep gevoegde beroep tegen het besluit van 4 november 1997, nummer RE97.377765, van gedeputeerde staten van Gelderland de grieven van appellant vooral zijn ingegeven door de gedachte dat het bestemmingsplan alleen een ontsluiting op de Zuiderzeestraatweg-Oost mogelijk zou maken. De Afdeling heeft overwogen dat het plan aan een andere ontsluiting, op de Oostendorperstraatweg, niet in de weg staat, alsmede dat deze lezing van de bepaling ter zitting door gedeputeerde staten en de gemeenteraad is bevestigd. In dit kader is door laatstgenoemden toegezegd, dat bevorderd zou worden dat het benzinestation in voldoende mate ontsloten zou worden. Onder meer door de wijziging van het verkeersbesluit is aan deze toezegging gevolg gegeven.

Onder deze omstandigheden is aan het hoger beroep het belang komen te ontvallen.

2.2.1. Het hoger beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover die betrekking heeft op onderdeel 4 van het besluit van 12 januari 1999;

II. verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

91.