Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200001555/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200001555/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellanten sub 6], gevestigd, respectievelijk wonend te [woonplaats],

7. burgemeester en wethouders van Margraten,

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellant sub 14], wonend te Roosendaal,

15. Landal Green Parks, gevestigd te Vaals,

16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. burgemeester en wethouders van Schinnen,

19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],

20. burgemeester en wethouders van Meerssen,

21. [appellant sub 21], wonend te [woonplaats],

22. [appellant sub 22], wonend te [woonplaats],

23. burgemeester en wethouders van Nuth,

24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],

25. burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem,

26. [appellant sub 26], wonend te [woonplaats],

27. [appellant sub 27], wonend te [woonplaats],

28. [appellant sub 28], wonend te [woonplaats],

29. [appellant sub 29], wonend te [woonplaats],

30. [appellanten sub 30], wonend te [woonplaats],

31. [appellanten sub 31], wonend te [woonplaats],

32. [appellant sub 32], wonend te [woonplaats],

33. [appellant sub 33], wonend te [woonplaats],

34. [appellant sub 34], wonend te [woonplaats],

35. [appellant sub 35], wonend te [woonplaats],

36. burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul,

37. [appellant sub 37], wonend te [woonplaats],

38. [appellant sub 38], wonend te [woonplaats],

39. [appellanten sub 39], wonend te [woonplaats],

40. [appellanten sub 40], wonend te [woonplaats],

41. [appellanten sub 41], wonend te [woonplaats],

42. [appellanten sub 42], wonend te [woonplaats],

43. [appellant sub 43], wonend te [woonplaats],

44. [appellanten sub 44], wonend te [woonplaats],

45. [appellanten sub 45], wonend te [woonplaats],

46. [appellant sub 46], wonend te [woonplaats],

47. [appellant sub 47], wonend te [woonplaats],

48. [appellant sub 48], wonend te [woonplaats],

49. de Stichting Landschap Maas- en Mergelland, gevestigd te Maastricht,

50. [appellant sub 50], wonend te [woonplaats],

en

provinciale staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 1999 hebben verweerders, op voorstel van gedeputeerde staten van Limburg van 9 november 1999, vastgesteld het streekplan "Partiële streekplanherziening Openruimte- en Bufferzonebeleid Zuid-Limburg".

Het besluit van verweerders is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. Bij brief van 20 februari 2002 hebben verweerders een aanvullend verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van meerdere partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2002, waar appellanten zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen.

Ook verweerders hebben zich aldaar doen vertegenwoordigen.

Niet verschenen zijn de appellanten [appellant sub 12], [appellant sub 37], [appellant sub 3], burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem,

[appellant sub 19], [appellant sub 21], [appellant sub 32],

[appellant sub 47], [appellant sub 30], de Stichting Landschap Maas- en Mergelland, [appellanten sub 6], burgemeester en wethouders van Meerssen, burgemeester en wethouders van Nuth, [appellant sub 2], [appellanten sub 33], burgemeester en wethouders van Schinnen, [appellant sub 48],

[appellanten sub 44], [appellant sub 22] en burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.

2. Overwegingen

overgangsrecht

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede en derde lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000 en het vastgestelde plan eveneens vóór 3 april 2000 is bekendgemaakt, zowel wat betreft de mogelijkheid om beroep in te stellen als inhoudelijk moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Waar in het vervolg van deze uitspraak de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt genoemd, wordt bedoeld de Wet op de Ruimtelijke Ordening zoals deze luidde vóór 3 april 2000, hierna te noemen WRO.

het plan

2.2. Het plangebied wordt, globaal genomen, gevormd door de gemeenten in Zuid-Limburg zonder de stedelijke gebieden van Maastricht, Parkstad en de Westelijke Mijnstreek.

Het streekplan omvat een partiële herziening van het Streekplan Zuid-Limburg van februari 1987 en behelst een aanscherping van het al bestaande zogenoemde restrictieve beleid voor woningbouw en bedrijventerreinontwikkeling in het landelijk gebied van Zuid-Limburg. Dit beleid is erop gericht verstedelijking in het plangebied zoveel mogelijk te voorkomen. Ter concretisering van dit beleid zijn de daarvoor in aanmerking komende kernen omgeven door een contour die de functie van bebouwingsgrens bezit en waarbinnen alle toekomstige stedelijke ontwikkelingen dienen plaats te vinden. Tevens zijn de grenzen van de rijksbufferzones scherp getrokken.

bevoegdheid van de Afdeling

2.3. Ingevolge artikel 4a, zevende lid, in samenhang met het zesde lid, van de WRO kan, voor zover een of meer onderdelen van een streekplan zijn aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), een ieder tegen een besluit tot vaststelling, herziening of intrekking van een streekplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uit deze bepalingen volgt dat alleen tegen die onderdelen van de herziening beroep kan worden ingesteld die zijn aan te merken als een besluit als hier bedoeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer neergelegd in de uitspraak van 14 april 1998, no. E01.96.0082 (gepubliceerd in Bouwrecht, 1998, p. 836-842), heeft, mede gezien de ontstaansgeschiedenis van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie (TK 1992-1993,

22 495, no. 6, p. 69) een streekplan of een partiële herziening daarvan in beginsel een indicatief karakter. Het bevat immers met name elementen die niet zo zeer een finaal oordeel inhouden over concrete vormen van grondgebruik, maar de doelstellingen, randvoorwaarden en prioriteiten en samenhangen van het provinciale beleid aangeven. Zij kunnen niet worden aangemerkt als besluiten als bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb.

Wil een plandeel desalniettemin aangemerkt kunnen worden als een besluit in laatstbedoelde zin, dan dient dit naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de in de wetsgeschiedenis in dit verband gebruikte term "concrete beleidsbeslissing", wat betreft drie te onderscheiden aspecten een voldoende mate van concreetheid te bezitten. Ten eerste dient het plandeel concreet tot uitdrukking te brengen dat verweerders, als verantwoordelijk bestuursorgaan, ten tijde van de planvaststelling hebben beoogd met het desbetreffende plandeel een afgewogen beslissing te nemen. Ten tweede dient de plaats of het gebied waarvoor deze beslissing geldt voldoende concreet te zijn bepaald. Ten derde moet het beoogde project of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoende concreet zijn aangegeven. Omtrent de laatste twee criteria overweegt de Afdeling dat de aard van projecten of ingrepen enerzijds en de plaats of het gebied waar deze zijn gedacht anderzijds vaak zodanig samenhangen dat de vereiste mate van concreetheid in onderling verband zal moeten worden bezien.

2.4. De Afdeling merkt het beroep van [appellant sub 13] aan als te zijn gericht tegen de aanduiding "grens stedelijk gebied", tevens plangrens, nu de specificatie en de toelichting van het beroep betrekking hebben op het gebied ten zuiden van de zuidelijke bufferzonebegrenzing van het vigerende streekplan, ten westen van de bebouwing Gronsveld, ten noorden van de bebouwing van Oost en ten oosten van het Recreatiecentrum Eijsden.

Appellant beoogt met zijn beroep te bereiken dat de grens van het stedelijk gebied wordt opgeschoven en wel zodanig dat een deel van het stedelijk gebied ten zuiden van Maastricht alsnog wordt opgenomen in het gebied waarvoor het zogenoemde openruimtebeleid geldt.

2.4.1. In hoofdstuk 5, paragraaf 5.3 (status en procedure), van de streekplanherziening is vermeld dat een aantal uitspraken geldt als beleidsregels bij de toetsing van gemeentelijke plannen. Het betreft paragraaf 5.1 en 5.2. Daarnaast bevat het plan een aantal (op rechtsgevolgen gerichte) besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Deze zijn genoemd in paragraaf 5.1. Daarbij gaat het om alle getrokken contouren en de begrenzing van de rijksbufferzones.

Verder is in paragraaf 5.3 vermeld dat deze partiële herziening is beperkt tot het openruimtebeleid en van daaruit effect heeft op de kernen waar het de bebouwingscontouren betreft, alsmede op de gebieden die thans de bufferzones vormen. Voor het overige en voor de tussengelegen gebieden blijft het beleid gelden zoals dat in het vigerende Streekplan Zuid-Limburg is verwoord. Dit laat onverlet dat beleidslijnen die in paragraaf 5.2 zijn verwoord, voor zover aangegeven, ook gelden voor de overige gebieden binnen de plangrens. Dit vanuit de algemene aanscherping van het openruimtebeleid en de in hoofdstuk 2 genoemde waarden die tezamen het basiskapitaal vormgeven.

In paragraaf 2.3 (begrenzing bufferzones) is vermeld dat ook in de in het vigerende streekplan weergegeven scheidingszone tussen Maastricht en Luik, mede tegen de achtergrond van het MHAL-perspectief, het openruimtebeleid van toepassing zal zijn. Een nadere studie van de zogenaamde A2-corridor tussen Echt en Luik, die in het kader van het in voorbereiding zijnde Provinciaal Omgevingsplan Limburg zal worden uitgevoerd, zal hier mogelijk nadere nuancering aanbrengen in zowel deze scheidingszone als in de bufferzone tussen Maastricht en het stedelijk gebied van Sittard/Geleen.

2.4.2. Naar het oordeel van de Afdeling is ten aanzien van de aanduiding “grens stedelijk gebied” ten zuiden van Maastricht geen sprake van een afgewogen, finale beleidsbeslissing, nu deze aanduiding geen betrekking heeft op de grens van een rijksbufferzone of een als bebouwingscontour kleine kernen aangegeven belijning en de bedoelde aanduiding deels ligt in de in paragraaf 2.3 van de streekplanherziening bedoelde A2-corridor, waaromtrent een nadere studie zal plaatsvinden.

2.4.3. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden aanduiding “grens stedelijk gebied” niet is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb. Met betrekking tot deze aanduiding acht de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.

2.5. Burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul hebben er in beroep bezwaar tegen gemaakt dat naast het instrument van de contouren het huidige richtcijferbeleid en de huidige faseringsmethodiek binnen de contouren van toepassing blijft.

2.5.1. In hoofdstuk 3, paragraaf 3.1 (algemeen), van de streekplanherziening is vermeld dat, naast het instrument van de contouren, het richtcijferbeleid van toepassing blijft. Dit wil zeggen dat er, op basis van de woningbehoefteberekening, per kern een jaarlijkse berekende woningbehoefte, uitgedrukt in een richtcijfer, geldt. De huidige faseringsmethodiek blijft eveneens van toepassing. De primaire doelstelling is immers dat er, voor zover de contour dat toelaat, alleen voorzien mag worden in de woningbehoefte van de eigen bevolking. Deze woningbehoefte is, zoals gesteld, uitgedrukt in het richtcijfer. Het niet toepassen van het richtcijferbeleid kan tot gevolg hebben dat aan deze doelstelling voorbijgegaan wordt.

Overigens is overheveling van richtcijfers tussen kernen in het landelijk gebied altijd mogelijk, aldus de streekplanherziening. Voor zover dit gebeurt tussen kernen binnen een gemeente kan de gemeente volstaan dit, voorzien van een motivering, te melden bij gedeputeerde staten. Indien het overheveling tussen kernen van aangrenzende gemeenten of tussen kernen van verschillende gemeenten binnen hetzelfde (nog nader te bepalen (…)) woningmarktgebied betreft, dient er een door gedeputeerde staten te accorderen “afspraak op maat” gemaakt te worden; dit gezien de regionale afstemming die dan aan de orde kan zijn.

Het is onmogelijk om reeds vooraf te bepalen of en zo ja, wanneer er tekorten optreden in de ontwikkelingsmogelijkheden binnen de contouren. Immers, er is in de meeste gevallen slechts een inschatting, een indicatie, te geven van de (theoretische) mogelijkheden voor inbreiding/herstructurering binnen de contouren; bovendien is het zo dat de richtcijfers geen permanente waarde hebben; ze worden minimaal eens in de vier jaar bijgesteld.

Om die reden wordt dan ook uitgegaan van de doelstellingen van het openruimtebeleid; op basis daarvan worden vooraf grenzen voor de groei bepaald op basis van een erkenning van de unieke natuur- en landschapswaarden. Dit, samen met een in algemene zin afnemende uitbreidingsbehoefte (dalende bevolkingsgroei; een toenemend besef van het belang van beheersing van de bestaande woningvoorraad), leidt tot de keuze om de locatiekenmerken doorslaggevend te laten zijn voor de vraag, of ergens een ontwikkeling kan plaatshebben. De richtcijfers vormen dan ook geen motief voor het bepalen van de contouren. De functie van de richtcijfers zal zich beperken tot het aangeven van een theoretisch (maximum) bouwvolume en is voorts van belang ten behoeve van de gehanteerde faseringsmethodiek van bestemmingsplannen. Voor deze methodiek verwijst de streekplanherziening naar de Handleiding Bestemmingsplannen c.a..

2.5.2. Naar het oordeel van de Afdeling houdt het onderdeel van de streekplanherziening dat betrekking heeft op het richtcijferbeleid en de faseringsmethodiek geen afgewogen, finale beleidsbeslissing ten aanzien van concrete vormen van grondgebruik in, maar biedt het randvoorwaarden voor de nadere afweging op bestemmingsplanniveau van woningbouwmogelijkheden binnen de contour.

Hieruit volgt dat de beleidsuitspraak omtrent de toepassing van het richtcijferbeleid en de faseringsmethodiek niet is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb. De Afdeling acht zich in zoverre onbevoegd kennis te nemen van het beroep.

2.6. De overige appellanten kunnen zich niet verenigen met de in het streekplan vastgelegde bebouwingscontouren.

2.6.1. In hoofdstuk 5, paragraaf 5.1, van de streekplanherziening (hoofdlijnen van beleid) is vermeld dat de contour moet worden beschouwd als een harde lijn die niet overschreden mag worden met nieuwe woon- en bedrijfsbebouwing. Alle toekomstige ontwikkelingen die gerelateerd zijn aan de kernen van het landelijk gebied, dienen binnen deze contouren plaats te vinden.

In de bij de streekplanherziening behorende contourenatlas zijn ten aanzien van de kernen in het plangebied op perceelsniveau de bebouwingscontouren opgenomen.

In paragraaf 5.2 (overige beleidslijnen) is vermeld dat marginale afwijkingen van de contour slechts mogelijk zijn als zij niet de uitgangspunten/doelstellingen van het beleid aantasten. Gedeputeerde staten kunnen dergelijke afwijkingen tegen deze achtergrond beoordelen bij de goedkeuring van bestemmingsplannen en bij de afgifte van verklaringen van geen bezwaar. Hier wordt in de eerste plaats gedoeld op afwijkingen als gevolg van de belijning in relatie tot het gebruikte kaartmateriaal en de interpretatie daarvan.

Verder wordt gedoeld op bebouwing van direct grenzend aan de contour gelegen grond wanneer er per saldo een substantiële afname plaatsvindt van bestaande bebouwing ter plaatse en/of er een aanmerkelijke verbetering van de totale omgevingskwaliteit (geluid, hinder, stank, stedenbouwkundig, cultuur-historisch e.d.) wordt bereikt.

In beide situaties zal het belang van de open ruimte zwaar dienen te wegen. Alvorens van deze laatste afwijkingsbevoegdheid gebruik te maken wordt de Vaste Commissie Ruimte en Groen gehoord.

Het liggen van percelen binnen een contour houdt niet automatisch in dat er gebouwd kan worden; voor het bouwen binnen de contouren geldt de normale afweging op bestemmingsplanniveau.

Buiten de contouren mogen kleinere gebouwen en bouwwerken worden opgericht voor zover het bestemmingsplan dat toelaat en/of indien door gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor een bouwplan. Dit geldt in de situatie dat percelen dieper zijn dan de contour en de hoofdbebouwing binnen de contour is gelegen.

In de randen van de kernen kunnen zich de volgende situaties voordoen (met de daarbij behorende regeling):

- op buiten de contour gelegen erven van woningen (die binnen de contour liggen) is de bestemmingsplanregeling (voor bijgebouwen) van toepassing;

- uitbreiding van buiten de contour gelegen (bedrijfs)gebouwen, waarvan de hoofdbebouwing binnen de contour is gelegen, is mogelijk na een normale afweging op bestemmingsplanniveau.

Blijkens paragraaf 5.3 (status en procedure) zijn de in paragraaf 5.1 beschreven hoofdlijnen van beleid aan te merken als besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het gaat daarbij, aldus verweerders, om alle getrokken contouren en de begrenzing van de rijksbufferzone.

Verder is in paragraaf 5.3 vermeld dat de partiële herziening beperkt is tot het openruimtebeleid en van daaruit effect heeft op de kernen waar het de bebouwingscontour betreft, alsmede op de gebieden die thans de bufferzones vormen. Voor het overige en voor de tussengelegen gebieden blijft het beleid gelden zoals dat in het vigerende Streekplan Zuid-Limburg is verwoord. Dit laat onverlet dat beleidslijnen die in paragraaf 5.2 zijn verwoord, voor zover aangegeven, ook gelden voor de overige gebieden binnen de plangrens. Dit vanuit de algemene aanscherping van het openruimtebeleid en de in het plan genoemde waarden die tezamen het basiskapitaal vormen.

2.6.2. Naar het oordeel van de Afdeling is ten aanzien van de bebouwingscontouren sprake van een afgewogen, finale beleidsbeslissing.

De contouren begrenzen een concreet aangegeven gebied en zijn als zodanig op de bij het plan behorende contourenatlas op perceelsniveau aangegeven. Alle toekomstige ontwikkelingen dienen binnen deze contouren plaats te vinden. De omstandigheid dat marginale afwijkingen in bepaalde situaties, die zijn omschreven in paragraaf 5.2, zijn toegestaan, doet aan het vorenstaande niet af.

2.6.3. Uit het voorgaande volgt dat de vaststelling van de bestreden bebouwingscontouren is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb. De beroepen komen in zoverre voor inhoudelijke beoordeling in aanmerking.

overslaan van de bezwaarschriftprocedure

2.7. [appellant sub 4] en [appellant sub 12] hebben in beroep onder meer aangevoerd dat gedeputeerde staten bij de bekendmaking van de onderhavige streekplanherziening ten onrechte hebben aangegeven dat hiertegen rechtstreeks beroep bij de Afdeling openstaat, ten gevolge waarvan volgens hen ten onrechte de bezwaarschriftprocedure is overgeslagen.

2.7.1. Ingevolge artikel 4a, zevende lid, in samenhang met het zesde lid, van de WRO kan, voor zover een of meer onderdelen van een streekplan zijn aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, een ieder tegen een besluit tot vaststelling, herziening of intrekking van een streekplan beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van een van de in afdeling 3.5 geregelde procedures.

Op de voorbereiding van een streekplanherziening is ingevolge artikel 4a, derde lid, van de WRO de procedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, aangevuld met enkele voorschriften in artikel 4a.

Ingevolge artikel 3:14 van de Awb - welk artikel deel uitmaakt van paragraaf 3.5.1 van afdeling 3.5 - worden de in de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 en paragraaf 3.5.6 geregelde procedures voor de voorbereiding van besluiten gevolgd indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

De Afdeling overweegt dat artikel 3:14 van de Awb niet in de weg staat aan een besluit ingevolge dit artikel dat ertoe strekt dat in aanvulling op een andere wettelijke voorbereidingsprocedure de procedure van de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 dan wel paragraaf 3.5.6 wordt gevolgd.

Uit de stukken blijkt dat verweerders in 1996 hebben besloten om in aanvulling op de procedure van afdeling 3.4 van de Awb en de desbetreffende voorschriften van artikel 4a van de WRO, bij de voorbereiding van een streekplan de procedure te volgen die is omschreven in paragraaf 3.5.6 van de Awb. Nu hieraan toepassing is gegeven is de Afdeling van oordeel dat zich hier de uitzondering voordoet als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, aanhef, onder d, van de Awb op de in het algemeen bestaande verplichting eerst een bezwaarschriftprocedure te volgen voordat beroep kan worden ingesteld.

Gelet hierop treft deze grief van appellanten derhalve geen doel.

de publicatie van het ontwerp van de streekplanherziening

2.8. [appellant sub 29] heeft in beroep onder meer aangevoerd dat het ontwerp-plan ten onrechte niet in de Staatscourant is gepubliceerd, ten gevolge waarvan het bestreden besluit volgens hem dient te worden vernietigd.

2.8.1. De door appellant bedoelde verplichting om het ontwerp van het streekplan te publiceren in de Staatscourant volgt uit artikel 4a, derde lid, van de WRO en artikel 3:30, eerste lid, in samenhang met artikel 3:19, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.

De Afdeling overweegt dat uit de stukken is gebleken dat met betrekking tot het ontwerp-plan geen publicatie in de Staatscourant heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot het vastgestelde streekplan is echter wel op de wettelijk voorgeschreven wijze gepubliceerd in De Limburger en de Staatscourant. Voorts is het voor de mogelijkheid tot het instellen van beroep, in tegenstelling tot de bestemmingsplanprocedure, bij de streekplanprocedure niet noodzakelijk dat er in de voorbereidingsfase door betrokkenen is geparticipeerd.

Verder neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen de Voorzitter van de Afdeling in zijn uitspraak van 20 februari 2001, no. 200001555/2, heeft overwogen:

”Aangezien door de mate van detaillering van de contouren de streekplanherziening op dit punt gekarakteriseerd kan worden als bestemmingsplanvervangend, dienen ook de aan de contouren ten grondslag liggende afwegingen een zelfde mate van detaillering te bezitten als bij bestemmingsplannen gebruikelijk is.

Voor een beoordeling of het besluit waarbij de bestreden contour is vastgesteld in stand kan blijven, is het noodzakelijk dat de onderbouwing van de contour ‘op perceelsniveau’ door verweerders is gegeven. Dit zal echter eerst in het door hen in de bodemprocedure in te dienen verweerschrift kunnen geschieden.

Zonder de onderbouwing is het niet mogelijk te beoordelen of verweerders bij de vaststelling van de streekplanherziening met betrekking tot de in geschil zijnde contour de grenzen der redelijkheid hebben overschreden.

De Voorzitter overweegt dat het in deze procedure betrekken van die onderbouwing er toe zal leiden dat aan verzoekers de gelegenheid zal dienen te worden geboden hierop te reageren aangezien de onderbouwing voor hen niet eerder kenbaar is, en dat vervolgens ook verweerders nader verweer moeten kunnen voeren (..)”.

Deze overwegingen van de Voorzitter hebben er toe geleid dat, naast het door verweerders ingenomen bestuurlijk standpunt naar aanleiding van de reacties op het ontwerp-plan, het verweerschrift materieel is aangegrepen als middel om aan de hand van de bij de Afdeling met betrekking tot het vastgestelde plan ingebrachte bezwaren alsnog te komen tot heroverweging van het bestreden besluit.

Gelet hierop zijn de gevolgen van het niet-naleven van de desbetreffende publicatieverplichting in die zin beperkt dat betrokkenen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad. Onder deze omstandigheden, en in aanmerking genomen dat alle betrokkenen zijn gebaat bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil, ziet de Afdeling in dit geval in hetgeen appellant op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding het bestreden besluit onrechtmatig te achten.

het beleid met betrekking tot bebouwingscontouren

2.9. In hoofdstuk 2 van de streekplanherziening (het basiskapitaal) zijn de (fysieke) waarden omschreven die tezamen de kwaliteit van het landelijk gebied in Zuid-Limburg bepalen, het zogenoemde basiskapitaal.

Het beleid van verweerders is gericht op het behoud en de ontwikkeling van dit basiskapitaal en het zoveel mogelijk voorkomen van verstedelijking in het plangebied. Ter concretisering van dit beleid zijn rond de daarvoor in aanmerking komende kernen bebouwingscontouren getrokken.

In paragraaf 3.2 (verdere uitwerking) van de streekplanherziening zijn de uitgangspunten voor het trekken van de contouren als volgt beschreven:

- de contour wordt strak langs de bestaande bebouwing getrokken;

- de contour dient beperkt te blijven tot dat deel van de kern waar inbreidingsmogelijkheden voorzien zijn;

- waar sprake is van diepe en bebouwde percelen aan de rand van de kern is alleen de hoofdbebouwing binnen de contour betrokken;

- bij het bepalen van de contouren is rekening gehouden met vigerende, nog niet geheel of gedeeltelijk gerealiseerde uitbreidingsplannen alsmede plannen die al in een afwegingsproces betrokken zijn;

-agrarische bedrijven, gelegen in/aan de rand van een kern worden binnen de contour betrokken (voor zover het de hoofdbebouwing betreft);

- sportcomplexen, welke aan twee of meer zijden begrensd worden door kernbebouwing, worden binnen de contour betrokken, en

- de bij sommige kernen gelegen bedrijfsterreinen worden eveneens voorzien van een contour volgens dezelfde principes.

De op de contourenatlas aangegeven contouren zijn het resultaat van het toepassen van deze principes alsmede van het overleg zoals dat met iedere gemeente heeft plaatsgevonden.

De Afdeling acht het beleid van verweerders, niet alleen voor zover dat voorziet in het instrument van de bebouwingscontouren als zodanig, maar tevens wat betreft de uitgangspunten die aan het vastleggen van de contouren ten grondslag liggen en de wijze waarop de contouren zullen worden gehanteerd, zoals in overweging 2.6.1. weergegeven, niet onredelijk.

gemeente Meerssen

2.10. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de contour rond de kern Ulestraten.

Appellant betoogt dat het gebied aan de oostzijde van de kern achter de bebouwing van de Dorpsstraat en de Pastoor van Eijsstraat belangrijke natuurlijke- en landschappelijke- en cultuurhistorische waarden heeft. Gelet hierop dient de contour naar zijn mening om de bestaande bebouwing te worden getrokken.

2.10.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat na afweging dit gebied de enige acceptabele mogelijkheid biedt voor woningbouw. Een door de gemeente nog op te stellen bestemmingsplan zal uitdrukkelijk beoordeeld moeten worden op de wijze waarop rekening is gehouden met de aanwezige natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

2.10.2. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op dit punt de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. Zij neemt daarbij het volgende in aanmerking. Bij de afweging die aan het vaststellen van een contour ten grondslag ligt, staan het behoud en de ontwikkeling van het basiskapitaal centraal. Gelet hierop dient een contour in beginsel strak langs de bestaande bebouwing te worden getrokken. Dit neemt niet weg dat andere belangen bij het bepalen van de contour moeten worden meegewogen. Onder omstandigheden kan in een concreet geval de contour iets ruimer worden getrokken indien het gaat om een voor de desbetreffende kern kleine uitbreiding, de waarden van het basiskapitaal ter plaatse dit toelaten en de uitbreiding voldoende opweegt tegen het basiskapitaal ter plaatse. Gelet op het vorenoverwogene, acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat een dergelijk geval zich hier voordoet niet onredelijk.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.10.3. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.11. Het beroep van [appellant sub 27] is gericht tegen de contour rond de kern Ulestraten.

Appellant betoogt dat zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Ulestraten, sectie […], no. […], ten onrechte buiten de contour valt, ten gevolge waarvan woningbouw op dit perceel is uitgesloten. In dit verband voert hij aan dat het contourenbeleid te rigide is en dat het bestuurlijk draagvlak voor dit beleid ontbreekt. Voorts doet appellant een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.11.1. Verweerders verwijzen voor het rijksbeleid naar de geactualiseerde Vierde Nota Ruimtelijke Ordening, de PKB-VINEX 1995/1996 (hierna: Vinac) en naar toekomstig beleid in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Met de desbetreffende gemeenten heeft uitvoerig overleg over de contouren plaatsgevonden. Ten aanzien van het perceel van appellant stellen verweerders dat sprake is van een bijzonder fraaie visueel-landschappelijke relatie ter plaatse tussen de kern en het buitengebied.

2.11.2. De Afdeling stelt voorop, zoals in 2.9. overwogen, dat zij het door verweerders gehanteerde contourenbeleid niet onredelijk acht.

Uit de stukken is gebleken dat de Vinac, waarin de uitbreiding van het ruimtebeslag voor verstedelijking in het Mergelland en in de bufferzones in beginsel wordt afgewezen, juist de aanleiding heeft gevormd voor de voorliggende streekplanherziening. Voorts zijn de betrokken gemeenten blijkens de stukken nadrukkelijk bij de voorbereiding van de voorliggende streekplanherziening betrokken. In dit verband is de Afdeling van oordeel dat appellant het ontbreken van een bestuurlijk draagvlak voor het contourenbeleid als zodanig onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De Afdeling ziet, gelet op de doelstelling van de streekplanherziening - te weten behoud en ontwikkeling van het zogenoemde basiskapitaal - ,in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. De omstandigheid dat het perceel geschikt is voor woningbouw doet hieraan niet af.

Met betrekking tot het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling het volgende. De door appellant genoemde percelen liggen deels binnen en deels buiten de bebouwingscontour. In hun verweerschrift hebben verweerders aangegeven dat dit is veroorzaakt door een tekentechnische omissie. Bedoeld was om het gehele gebied, voor zover gelegen tussen de aanwezige bebouwing, buiten de contour te laten. Van deze opvatting zullen zij bij de beoordeling van bestemmingsplannen uitgaan. Vaststaat derhalve dat de contour ter plaatse onjuist is getrokken, voor zover de onbebouwde percelen daarbinnen vallen. De contour zal dan ook in een partiële herziening dienen te worden aangepast. Voorts betekent het feit dat de laatstgenoemde percelen binnen de thans vastgestelde contour vallen niet dat verweerders aan een bestemmingsplan, waarin woningbouw wordt mogelijk gemaakt, goedkeuring dienen te verlenen. Onder deze omstandigheden treft het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel geen doel.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.11.3. Het beroep van [appellant sub 27] is ongegrond.

2.12. Het beroep van de Stichting Landschap Maas- en Mergelland is gericht tegen de contour rond de kern Ulestraten. Appellante betoogt dat de contour ten zuiden van de kern ter plaatse van de Catharinastraat ten onrechte zodanig is getrokken dat op twee percelen met natuur- en landschappelijke waarden bebouwing mogelijk is. Op de oorspronkelijke werkkaart waren de bedoelde percelen nog buiten de contour gelaten. In dat verband wijst appellante op een eerdere onthouding van goedkeuring van een bestemmingsplan voor de bedoelde percelen en een negatief advies van de Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen.

2.12.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat inmiddels na een uitspraak van de Afdeling de bouw van de twee omstreden woningen is gerealiseerd, zodat de zin om op dit beroep verder in te gaan is ontvallen.

2.12.2. Uit de stukken is de Afdeling het volgende gebleken. In de oorspronkelijke opzet van de herziening is de contour, gelet op de waarde van het basiskapitaal ter plaatse en in overeenstemming met de uitgangspunten voor het trekken van de contouren, op de weg gelegd, zodat het in geding zijnde perceel buiten de contour zou komen te liggen. Voorts hebben gedeputeerde staten goedkeuring onthouden aan een bestemmingsplan voor dit perceel dat de bouw van twee villa’s mogelijk maakte. Hierbij werd gewezen op het op dat moment in ontwikkeling zijnde contourenbeleid met de mededeling dat het desbetreffende perceel buiten de contour zou komen te liggen. In het ontwerp van de herziening is het desbetreffende perceel echter binnen de contour gelegd. Door appellante is hiertegen bezwaar gemaakt gelet op de natuurwaarden ter plaatse. In hun bestuurlijk standpunt hieromtrent stellen gedeputeerde staten dat zij bereid zijn het bestemmingsplan opnieuw te beoordelen aan de hand van nog door de gemeente te leveren argumenten. Daarom is het perceel in de onderhavige streekplanherziening toch in de contour opgenomen. In het verweerschrift wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2000, no. E01.98.0663. Hierin is de onthouding van goedkeuring van gedeputeerde staten aan het bestemmingsplan voor het perceel door de Afdeling echter vernietigd omdat hieraan het argument ten grondslag was gelegd dat het perceel buiten de op te stellen bebouwingscontour zou komen te liggen, terwijl bij de vaststelling van de voorliggende herziening het perceel toch binnen de contour is gebracht. Verweerders kunnen thans niet slechts met een enkele verwijzing naar deze uitspraak stellen dat er geen belang is om het beroep te behandelen. Inmiddels is één villa gebouwd door middel van een vrijstellingsprocedure. Dit neemt evenwel niet weg dat verweerders inhoudelijk moeten kunnen motiveren waarom het desbetreffende perceel, gelet op de waarde van het basiskapitaal ter plaatse, in afwijking van de uitgangspunten voor het trekken van contouren binnen de contour is opgenomen. Van een dergelijke motivering is echter in het geheel niet gebleken.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert en in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.12.3. Het beroep van de Stichting Landschap Maas- en Mergelland is gegrond.

2.13. Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen de contour rond de kern Meerssen.

Appellante betoogt dat een deel van het beekdalgebied van de Watervalderbeek, dat nu binnen de contour ligt, vanwege de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse buiten de contour behoort te liggen. Zij wijst in dit verband op beleidsuitspraken in het Streekplan Zuid-Limburg.

2.13.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat, ondanks dat zij de hoge waarde van het gebied erkennen, heroverweging ertoe leidt dat zij de contour om praktische redenen toch handhaven. De feitelijke bebouwingsmogelijkheden blijven beperkt. Een bestemmingsplan voor dit gebied zal nadrukkelijk worden beoordeeld op de mate waarin rekening is gehouden met de aanwezige gebiedswaarden, vooral van de beekdalbodem. Het opnemen van het gebied binnen de contour betekent geenszins dat de in het streekplan aangeduide natuurwaarden komen te vervallen.

2.13.2. De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op dit punt de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat verweerders bij het bepalen van de contour rekening hebben gehouden met de omstandigheid dat het gebied van de Watervalderbeek binnen de kern Meerssen van karakter verandert door een zogenoemde overkluizing van genoemde beek vanaf de Pletsmolen in de richting van het Proostdijpark alwaar de beek in de parkvijver uitmondt. Het deel van de waterloop voor de Pletsmolen wordt gekarakteriseerd als een overgangsgebied. De keuze om de contour te leggen langs de verbindingsweg tussen de Humcoverstraat en de Kuileneindestraat/Lange Raarberg als duidelijk herkenbare grens is in dit licht bezien niet onredelijk. Voorts stellen verweerders terecht dat de ligging van een perceel binnen een contour niet met zich brengt dat bebouwing zonder meer is toegestaan. Hiervoor blijft een belangenafweging op bestemmingsplanniveau noodzakelijk, waarbij uitdrukkelijk met de natuur- en landschapswaarden rekening dient te worden gehouden.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.13.3. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond.

2.14. Het beroep van [appellanten sub 5] is gericht tegen de contour rond de kern Meerssen. Zij zijn van mening dat de contour zodanig dient te worden vastgesteld dat de door hen gewenste bebouwing op een perceel aan de Humcoverstraat tussen Meerssen en Humcoven alsnog mogelijk wordt gemaakt.

2.14.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de contour gehandhaafd dient te worden. Overwogen is daarbij dat het streekplan uitgangspunten bevat voor lintbebouwingen. Ook voor het perceel aan de Humcoverstraat geldt dat ter plaatse een verdergaande en ongewenste verdichting moet worden voorkomen, vooral door de waarde van het achterliggende gebied van de Watervalderbeek. Het ritme van bebouwing, deels historische of uit historisch perspectief herkenbare bebouwde percelen, en de onbebouwde percelen vormen een karakteristieke en gelijkmatige overgang naar het onbebouwde buitengebied. Het perceel kent een voor het buitengebied karakteristieke heg, gelegen op een talud als begrenzing naar de wegzijde. Indien voor het desbetreffende perceel een uitzondering zou moeten worden gemaakt, bestaat de stellige verwachting dat hiervan een grote precedentenwerking uitgaat. De achterzijde van het perceel grenst aan de Watervalderbeek, die een hoge landschappelijke- en natuurwaarde heeft.

2.14.2. De Afdeling acht het standpunt van verweerders niet onredelijk. Zij neemt hierbij in aanmerking dat één van de uitgangspunten voor het trekken van de contouren is dat de contour beperkt dient te blijven tot dat deel van de kern waar inbreidingsmogelijkheden voorzien zijn. Dit betekent dat lintvormige uitlopers van een kern in het buitengebied niet zijn voorzien van een contour. In het beleid van verweerders wordt uit algemeen planologisch oogpunt het stelselmatig dicht bouwen langs wegen richting buitengebied niet aanvaardbaar geacht. Dat leidt tot het kunstmatig creëren van een abrupte overgang van bebouwd gebied naar buitengebied, hetgeen afbreuk doet aan de karakteristieke overgang van de bebouwde kern naar het buitengebied.

Dat een eventueel te bouwen woning nauwelijks zichtbaar zal zijn, zoals appellanten stellen, doet hieraan niet af. De omstandigheid dat in de directe omgeving reeds bebouwing aanwezig is, waaronder een sloopbedrijf, leidt evenmin tot een ander oordeel; immers, het doel van de voorliggende streekplanherziening is juist het voorkomen van een verdere verstedelijking in het plangebied.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.14.3. Het beroep van [appellanten sub 5] is ongegrond.

2.15. Het beroep van burgemeester en wethouders van Meerssen is gericht tegen de contour rond de kern Meerssen. Appellanten betogen dat de contour ten noorden van de Pastoor A. Sonyasingel aan de noordzijde van Meerssen ter plaatse van het gebied ‘Hoogveld’ moet worden verruimd.

2.15.1. In hun verweerschrift geven verweerders te kennen dat de desbetreffende contour bij nader inzien niet kan worden gehandhaafd en overeenkomstig de wens van appellanten kan worden aangepast.

2.15.2. Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, op grond waarvan verweerders bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten dienen te vergaren.

2.15.3. Het beroep van burgemeester en wethouders van Meerssen is gegrond.

2.16. De beroepen van [appellant sub 26], [appellanten sub 41] en [appellanten sub 40] zijn gericht tegen de contour aan de noordelijke zijde van de kern Meerssen. Appellanten betogen dat de contour ten noordoosten van het Humcovenderveld ter plaatse van het gebied ‘Hoogveld’ ten onrechte te ruim is getrokken. Het betrokken gebied behoort tot het buitengebied, heeft bijzondere natuur- en landschappelijke waarden en dient als leef- en fourageergebied voor diverse diersoorten. Voorts zal woningbouw in het betrokken gebied leiden tot een aantasting van hun leefklimaat en bovendien is woningbouw in het gebied niet toegestaan als gevolg van geluidscontouren die zijn getrokken in verband met geluidsbelasting afkomstig van de luchthaven Maastricht Aachen Airport, en als gevolg van de aanwezigheid van een hondenkennel in het gebied en een agrarisch bedrijf nabij het gebied.

2.16.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat wat betreft de geluidszonering het desbetreffende gebied buiten de geluidszone van de luchthaven ligt. De gebieden die wel zijn belast met een geluidsbelasting van boven 40 en 50 Ke (Kosteneenheden) zijn buiten de contour gelaten omdat de verwachting dat in deze gebieden woningbouw wordt toegestaan niet realistisch is. Voor het thans in geding zijnde gebied wordt de contour gehandhaafd. Hierbij heeft een rol gespeeld dat na onderzoek is gebleken dat, in het licht van de beperkingen van de geluidszonering ten gevolge van de luchthaven en de grote belangen van natuur en landschap, er geen betere alternatieven voor woningbouw in de kern Meerssen voorhanden zijn. De afweging van de behoefte aan woningbouw tegen het belang van het basiskapitaal ter plaatse maakt dat, in tegenstelling tot andere gebieden rond deze kern, in dit geval een ruimere contour kan worden vastgesteld.

2.16.2. De Afdeling stelt voorop dat thans de bij het bestreden besluit vastgestelde contour ter beoordeling voorligt. Hetgeen appellant [appellant sub 26] ter zitting heeft aangevoerd tegen de mogelijke verruiming van deze contour als bedoeld in 2.15.1. blijft in de voorliggende procedure derhalve buiten beschouwing.

De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op dit punt de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. Zij neemt daarbij het volgende in aanmerking. Bij de afweging die aan het vaststellen van een contour ten grondslag ligt, staat het behoud en de ontwikkeling van het basiskapitaal centraal. Gelet hierop dient een contour in beginsel strak langs de bestaande bebouwing te worden getrokken. Dit neemt niet weg dat andere belangen bij het bepalen van de contour moeten worden meegewogen. Onder omstandigheden kan in een concreet geval de contour iets ruimer worden getrokken indien het gaat om een voor de desbetreffende kern kleine uitbreiding, de waarden van het basiskapitaal ter plaatse dit toelaten en de uitbreiding voldoende opweegt tegen het basiskapitaal ter plaatse. Gelet op het vorenoverwogene, acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat een dergelijk geval zich hier voordoet niet onredelijk. Wat betreft de geluidsbelasting afkomstig van de luchthaven overweegt de Afdeling dat verweerders bij het bepalen van de bebouwingscontour slechts overwegende betekenis behoefden toe te kennen aan de ligging van de geluidscontouren, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de geluidsbelasting afkomstig van de luchthaven woningbouw in het betrokken gebied zonder meer onmogelijk zou maken. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een dergelijk oordeel.

Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen, brengt de ligging van een gebied binnen een contour niet met zich dat bebouwing zonder meer is toegestaan. Hiervoor blijft een belangenafweging op bestemmingsplanniveau noodzakelijk. In het kader van een bestemmingsplanprocedure dient niet alleen met natuur- en landschapswaarden rekening te worden gehouden, maar ook met de door appellanten aangevoerde omstandigheden zoals de vraag of - gelet op de geluidsbelasting tengevolge van de luchthaven, het woon- en leefklimaat van appellanten, en de aanwezigheid van agrarische bedrijven en een hondenkennel - in concreto woonbebouwing kan worden toegelaten.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.16.3. De beroepen van [appellant sub 26], [appellanten sub 41] en [appellanten sub 40] zijn ongegrond.

2.17. Het beroep van [appellant sub 12] is gericht tegen het verbod om te bouwen in de buurtschap Kazen.

2.17.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de buurtschap Kazen niet kan worden aangemerkt als woonkern en dat het basiskapitaal ter plaatse zich verzet tegen bebouwing.

2.17.2. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. In de afweging van belangen hebben verweerders in redelijkheid aan de natuur- en landschapswaarden van het betrokken gebied meer gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van appellant.

Zij hebben in de omstandigheid dat het voormalige klooster Overbunde wel in de contour van de kern Bunde is opgenomen geen aanleiding hoeven zien om een contour rond de buurtschap Kazen te leggen. Aan de door appellant aangevoerde omstandigheid dat de Dennenberg in Kazen tot aan de Prins Bernhardlaan in het kader van de Wegenwet en de Wegenverkeerswet wel behoort tot de bebouwde kom van Bunde, hebben verweerders, wat daar van zij, evenmin een doorslaggevende betekenis behoeven toe te kennen, nu de voorliggende streekplanherziening een eigen doelstelling met een daarbij behorend afwegingskader kent voor het vaststellen van de bebouwingscontouren. De Afdeling ziet hierin derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op dit punt de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.17.3. Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre ongegrond.

gemeente Nuth

2.18. Het beroep van burgemeester en wethouders van Nuth richt zich tegen de contour rond de kern Schimmert/Haasdal. Zij betogen dat een aantal percelen ten onrechte niet binnen de desbetreffende contour is gelegd. Voorts voeren zij aan dat de contour wel om de lintbebouwing van “Op de Bies” is gelegd.

2.18.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de structuur van de kern Schimmert, met inbegrip van Haasdal, wordt gekenmerkt door oude lintbebouwing. Schimmert/Haasdal is de enige kern in Zuid-Limburg met deze uitgebreide lintbebouwingsstructuur. Er is gekozen voor een verdichting van het tussenliggende gebied om een betere en compacte stedebouwkundige situatie te bereiken. In Schimmert betekent dit een concentratie in en nabij de dorpskern alwaar een centrumplan wordt gerealiseerd. Voor Haasdal geldt eenzelfde benadering, waarbij de nadruk ligt op uitbreidingsmogelijkheden van een bedrijventerrein in het zogenoemde binnengebied. Als gevolg van deze keuze zijn de contouren van de uitlopers van de kern stringent afgebakend teneinde nieuwe bouwinitiatieven te concentreren op de inbreidingslocatie en karakteristieke overgangen van dorp naar buitengebied te waarborgen door het niet opvullen van de nog open plekken in de lintbebouwing. Er is derhalve verschil gemaakt tussen de zijde van een straat die naar het binnengebied is gericht en de zijde die naar het buitengebied is gericht. Voor de lintbebouwing in het gebied “Op de Bies” wordt, gelet op de specifieke omstandigheden van dit gebied, in zoverre een uitzondering gemaakt dat de contour, globaal genomen, wel om de lintvormige uitloper wordt gelegd.

2.18.2. In een gebied in Haasdal dat, globaal genomen, is omsloten door de straten Groothaasdal, Klein Haasdalsteeg en Nieuwstraat ligt het bedrijventerrein De Steeg. Schimmert bestaat eveneens uit lintbebouwing rond een zogenoemd binnen- of centrumgebied (hierna: binnengebied). De contour is om het gehele binnengebied en de omliggende straten gelegd. De Afdeling overweegt dienaangaande het volgende.

De wijze waarop de contour rond Schimmert/Haasdal is getrokken is, zoals verweerders zelf ook erkennen in hun verweerschrift, niet helemaal in overeenstemming met de uitgangspunten die hiervoor in de streekplanherziening zijn vastgelegd. De Afdeling acht desalniettemin de wijze waarop de contour in het onderhavige geval is gelegd niet onredelijk. Zij neemt hierbij in aanmerking dat verweerders de waarde van het basiskapitaal in het binnengebied als beperkt hebben aangemerkt. Gelet op de keuze voor verdichting van het binnengebied en het voorkomen van verdere verstedelijking van het buitengebied hebben verweerders de contour strak om de bestaande (lint)bebouwing rond dat binnengebied kunnen trekken. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de wijze waarop de contour is gelegd recht doet aan de doelstelling van de streekplanherziening.

Voor zover appellanten wijzen op het gebied “Op de Bies”, dat wel in de desbetreffende contour is opgenomen, overweegt de Afdeling dat verweerders in redelijkheid aan de specifieke omstandigheden van deze lintvormige uitloper van de kern een doorslaggevende betekenis hebben kunnen toekennen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat verweerders bij deze afweging het karakter van de bestaande bebouwing met diverse voorzieningen bepalend hebben geacht. “Op de Bies” vormt een niet-agrarisch woongebied en is volgens verweerders een duidelijk onderdeel van de kern. Men wenst op deze wijze te voorzien in afbraak van een grootschalig gebouwencomplex met de mogelijkheid van beperkte nieuwbouw in ruil voor natuurontwikkeling. In verband hiermede hebben verweerders gesteld dat door sanering de situatie ter plaatse, ook ten aanzien van het buitengebied, zal verbeteren. Onder deze omstandigheden hebben verweerders in redelijkheid de contour om “Op de Bies” kunnen leggen. Niet is gebleken dat de situatie van de door appellanten genoemde percelen zodanig overeenkomt met die van het gebied “Op de Bies”, dat verweerders om deze reden de desbetreffende percelen niet buiten de contour hebben kunnen leggen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Gelet op het vorenstaande alsmede de hierna volgende overwegingen met betrekking tot de contour rond de kern Schimmert/Haasdal, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.18.3. Het beroep van burgemeester en wethouders van Nuth is in zoverre ongegrond.

2.19. Het beroep van [appellant sub 50] richt zich tegen de contour rond de kern Schimmert/Haasdal. Zij betoogt dat haar perceel een open plek in de linbebouwing vormt dat in aanmerking dient te komen voor woningbouw. De contour maakt, in strijd met gewekte verwachtingen en het beginsel van rechtsgelijkheid, woningbouw ten onrechte onmogelijk.

2.19.1. Zoals de Afdeling in 2.18.2. heeft overwogen, acht zij de wijze waarop de contour rond Schimmert/Haasdal is gelegd niet onredelijk. Voorts kan appellante geen rechten of verwachtingen ontlenen aan het oude bestemmingsplan uit 1972, nu in de streekplanherziening is verwoord dat niet actuele of achterhaalde situaties, bijvoorbeeld op basis van sterk verouderde plannen, buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij het bepalen van de contour en verweerders het voorliggende geval als zodanig hebben aangemerkt. Weliswaar is in het nieuwe bestemmingsplan voor het in geding zijnde perceel opnieuw een woonbestemming opgenomen, doch ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit hadden gedeputeerde staten nog niet omtrent goedkeuring beslist, in verband waarmede aan dit aspect geen overwegende betekenis kan worden toegekend. Verweerders hebben toepassing gegeven aan het in de aan de orde zijnde partiële streekplanherziening vastgelegde beleid, hetgeen niet inhield dat bestemmingsplannen die ter goedkeuring werden aangeboden zonder meer goedgekeurd zouden worden. Mitsdien hebben gedeputeerde staten bij hun besluit van 22 februari 2000, onder verwijzing naar de onderhavige streekplanherziening en de hierin vastgestelde bebouwingscontouren, in zoverre aan het bestemmingsplan goedkeuring onthouden. Dat naburige percelen wel binnen de contour zijn gelegd, zoals appellante betoogt, is juist in overeenstemming met het uitgangspunt dat de contour, die in dit geval langs de desbetreffende straat is gelegd, strak om de reeds bestaande bebouwing wordt getrokken. Het perceel van appellante is daarentegen onbebouwd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.19.2. Het beroep van [appellant sub 50] is ongegrond.

2.20. Het beroep van [appellant sub 34] en [appellant sub 35] richt zich tegen de contour rond de kern Schimmert/Haasdal. Zij betogen dat een deel van de lintbebouwing aan de Trichterweg, en in het bijzonder voor zover het hun percelen betreft, ten onrechte niet binnen de desbetreffende contour is gelegd. In dit verband voeren zij bezwaren aan tegen het contourenbeleid in het algemeen, en het beleid ten aanzien van lintbebouwing in het bijzonder. Voorts voeren appellanten aan dat de contour wel om de lintbebouwing van “Op de Bies” is gelegd.

2.20.1. In overweging 2.9. heeft de Afdeling het door verweerders gehanteerde contourenbeleid als zodanig niet onredelijk geacht. Wat betreft lintbebouwing dient de contour derhalve beperkt te blijven tot dat deel van de kern waar inbreidingsmogelijkheden voorzien zijn. Voor de vrees van appellanten dat het contourenbeleid met zich brengt dat lintbebouwing op lange termijn zal verdwijnen ziet de Afdeling geen grond, nu de voorliggende streekplanherziening is gericht op het tegengaan van verdere verstedelijking van het buitengebied en niet is gebleken dat het zich tegen herbouw van bestaande bouwwerken verzet.

Voorts acht de Afdeling, zoals in 2.18.2. overwogen, de wijze waarop de contour rond Schimmert/Haasdal is gelegd niet onredelijk.

Voorts heeft de Afdeling in 2.18.2. overwogen dat verweerders in redelijkheid de contour om “Op de Bies” hebben kunnen leggen. Niet is gebleken dat de situatie van de percelen van appellanten zodanig overeenkomt met die van het gebied “Op de Bies”, dat verweerders om deze reden het desbetreffende perceel niet buiten de contour hebben kunnen leggen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Overigens merkt de Afdeling nog op dat, anders dan ter zitting van de zijde van appellanten is betoogd, beide percelen in de besluitvorming van verweerders zijn betrokken.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.20.2. De beroepen van [appellant sub 34] en [appellant sub 35] zijn ongegrond.

2.21. Het beroep van [appellant sub 8] richt zich tegen de contour rond de kern Schimmert/Haasdal. Hij betoogt dat zijn perceel aan de Kruisstraat ten onrechte niet binnen de desbetreffende contour is gelegd. Het perceel heeft thans een directe woonbestemming en dient naar zijn mening te worden aangemerkt als inbreidingslocatie.

2.21.1. Zoals de Afdeling in 2.18.2. heeft overwogen, acht zij de wijze waarop de contour rond Schimmert/Haasdal is gelegd niet onredelijk. In het licht van de keuze voor verdichting van het binnengebied en het voorkomen van verdere verstedelijking van het buitengebied ter plaatse, kan de stelling van appellant dat zijn perceel als inbreidingslocatie moet worden aangemerkt, niet staande worden gehouden. De Kruisstraat is immers aan te merken als een lintvormige uitloper van de kern die, gelet op de meergenoemde uitgangspunten voor het trekken van de contouren, buiten de contour wordt gelaten. De doelstelling van de streekplanherziening in aanmerking genomen, heeft appellant voorts niet aannemelijk gemaakt dat het belang van woningbouw op zijn perceel opweegt tegen het belang van behoud van de waarde van het basiskapitaal ter plaatse. Voorts overweegt de Afdeling dat de streekplanherziening geen verandering brengt in de door appellant aangevoerde omstandigheid dat het perceel thans een directe woonbestemming heeft.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.21.2. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

2.22. De beroepen van [appellant sub 16], [appellanten sub 28] en [appellanten sub 42] richten zich tegen de contour rond de kern Schimmert/Haasdal. Zij betogen dat hun percelen aan de Langstraat ten onrechte niet binnen de desbetreffende contour zijn gelegd, aangezien de Langstraat tot de kern van Schimmert behoort. De gemeenteraad van Nuth heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor onder meer het onderhavige gebied, waarin op het in geding zijnde perceel een woonbestemming is gelegd. Voorts voeren appellanten aan dat de contour wel om de lintbebouwing van “Op de Bies” is gelegd. [appellanten sub 28] hebben bezwaren tegen het contourenbeleid en betogen dat een bestuurlijk draagvlak voor het contourenbeleid ontbreekt.

2.22.1. In rechtsoverweging 2.9. heeft de Afdeling het door verweerders gehanteerde contourenbeleid als zodanig niet onredelijk geacht. Wat betreft het bestuurlijk draagvIak voor dit beleid verwijst de Afdeling naar hetgeen zij hieromtrent in 2.11.2. heeft overwogen. In dit verband is de Afdeling van oordeel dat appellanten het ontbreken van een bestuurlijk draagvlak voor het contourenbeleid onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt.

Zoals de Afdeling in rechtsoverweging 2.18.2. heeft overwogen, acht zij de wijze waarop de contour rond Schimmert/Haasdal is gelegd niet onredelijk. Gelet hierop moet worden uitgegaan van de keuze voor verdichting van het binnengebied, hetgeen betekent dat wordt gestreefd naar een verantwoorde kernvorming en dat uitbreiding van woonbebouwing in dit binnengebied moet plaatsvinden. De stelling van appellanten dat de Langstraat tot de kern van Schimmert behoort, doet aan het vorenstaande niet af.

In het betoog van appellanten dat slechts een marginale aanpassing van de contour woningbouw ter plaatse mogelijk maakt, ziet de Afdeling evenmin aanleiding tot een ander oordeel.

Weliswaar is in het nieuwe bestemmingsplan voor het in geding zijnde perceel opnieuw een woonbestemming opgenomen, doch ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit hadden gedeputeerde staten nog niet omtrent goedkeuring beslist, in verband waarmede aan dit aspect geen overwegende betekenis kan worden toegekend. Verweerders hebben toepassing gegeven aan het in de aan de orde zijnde partiële streekplanherziening vastgelegde beleid, hetgeen niet inhield dat bestemmingsplannen die ter goedkeuring werden aangeboden zonder meer goedgekeurd zouden worden. Mitsdien hebben gedeputeerde staten bij hun besluit van 22 februari 2000, onder verwijzing naar de onderhavige streekplanherziening en de hierin vastgestelde bebouwingscontouren, in zoverre aan het bestemmingsplan goedkeuring onthouden.

Zoals in 2.18.2. overwogen, hebben verweerders in redelijkheid de contour om “Op de Bies” kunnen leggen. Niet is gebleken dat de situatie van de percelen van appellanten en de door hen genoemde percelen in Ulestraten zodanig overeenkomt met die van het gebied “Op de Bies”, dat verweerders om deze reden het desbetreffende perceel niet buiten de contour hebben kunnen leggen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.22.2. De beroepen van [appellant sub 16], [appellanten sub 28] en [appellanten sub 42] zijn ongegrond.

2.23. Het beroep van [appellant sub 43] richt zich tegen de contour rond de kern Schimmert/Haasdal. Zij betoogt dat haar perceel aan de Op de Bies ten onrechte niet binnen de desbetreffende contour is gelegd. Hiertoe heeft ze aangevoerd dat de motivering om een deel van “Op de Bies” binnen de contour te leggen eveneens kan dienen om de contour om haar perceel te leggen. Voorts kan door de voorliggende contour niet in de woningbehoefte van Schimmert worden voorzien.

2.23.1. Op grond van de stukken stelt de Afdeling het volgende vast. Het in geding zijnde (onbebouwde) perceel ligt naast een boerderij in het gebied

“Op de Bies”.

De Afdeling heeft in 2.18.2. overwogen dat zij de wijze waarop de contour rond Schimmert/Haasdal is gelegd niet onredelijk acht en dat verweerders daarbij in redelijkheid de contour om “Op de Bies” hebben kunnen leggen.

Het in geding zijnde perceel valt echter buiten de vastgestelde contour. In dit verband is de Afdeling van oordeel dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het perceel van appellante, dat eveneens in het gebied “Op de Bies” ligt, niet binnen de desbetreffende contour is gelegd.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert en in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.23.2. Het beroep van [appellant sub 43] is gegrond.

2.24. Het beroep van [appellanten sub 44] richt zich tegen de contour rond de kern Schimmert/Haasdal. Zij betogen dat hun perceel aan de Bockhofweg ten onrechte niet binnen de desbetreffende contour is gelegd. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat hun perceel tot de kern Schimmert behoort. Voorts heeft het provinciebestuur in het verleden wel planologische medewerking verleend aan woningbouw in het gebied en heeft de gemeenteraad van Nuth in een onlangs vastgesteld bestemmingsplan voor het desbetreffende perceel wel een woonbestemming opgenomen. Verder voeren appellanten aan dat de contour wel om de lintbebouwing van “Op de Bies” is gelegd.

2.24.1. Zoals de Afdeling in 2.18.2. heeft overwogen, acht zij de wijze waarop de contour rond Schimmert/Haasdal is gelegd niet onredelijk.

Weliswaar is in het nieuwe bestemmingsplan voor het in geding zijnde perceel opnieuw een woonbestemming opgenomen, doch ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit hadden gedeputeerde staten nog niet omtrent goedkeuring beslist, in verband waarmede aan dit aspect geen overwegende betekenis kan worden toegekend. Verweerders hebben toepassing gegeven aan het in de aan de orde zijnde partiële streekplanherziening vastgelegde beleid, hetgeen niet inhield dat bestemmingsplannen die ter goedkeuring werden aangeboden zonder meer goedgekeurd zouden worden. Mitsdien hebben gedeputeerde staten bij hun besluit van 22 februari 2000, onder verwijzing naar de onderhavige streekplanherziening en de hierin vastgestelde bebouwingscontouren, in zoverre aan het bestemmingsplan goedkeuring onthouden. De omstandigheid dat verweerders in het verleden wel aan woningbouw in het onderhavige gebied hebben meegewerkt baat appellanten niet. De streekplanherziening is immers, gelet op het behoud en ontwikkeling van het basiskapitaal, juist gericht op het voorkomen van verdere verstedelijking in het plangebied.

Voorts heeft de Afdeling in 2.18.2. overwogen dat verweerders in redelijkheid de contour om “Op de Bies” hebben kunnen leggen. Niet is gebleken dat de situatie van de percelen van appellanten zodanig overeenkomt met die van het gebied “Op de Bies”, dat verweerders om deze reden het desbetreffende perceel niet buiten de contour hebben kunnen leggen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.24.2. Het beroep van [appellanten sub 44]is ongegrond.

2.25. Het beroep van [appellant sub 19] is gericht tegen de contour rond de kern Nuth.

Appellant betoogt dat zijn perceel aan de Voorsterstraat ten onrechte niet binnen de desbetreffende contour is gelegd. In dit verband heeft hij aangevoerd dat de contour niet overeenkomstig de hiervoor opgestelde uitgangspunten is getrokken. Voorts leidt bebouwing naar zijn mening niet tot aantasting van het basiskapitaal ter plaatse.

2.25.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het desbetreffende perceel aan de Voorsterstraat ligt in een overgangsgebied van de kern naar het buitengebied en is bestemd als agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarde.

De bescherming van de ter plaatse nog resterende openruimte en landschappelijke- en natuurwaarden is bepalend geweest voor de ligging van de contour in dit geval.

2.25.2. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op dit punt de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het perceel van appellant in het overgangsgebied tussen kern en buitengebied ligt. Om verdere verstedelijking aan de rand van de kern in de richting van het buitengebied te voorkomen, is de contour strak om bestaande bebouwing getrokken. Onbebouwde percelen, zoals het desbetreffende perceel, worden in beginsel buiten de contour gelaten.

In de afweging van belangen hebben verweerders in redelijkheid aan de natuur- en landschapswaarden van het betrokken gebied meer gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van appellant bij woningbouw.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.25.3. Het beroep van [appellant sub 19] is ongegrond.

2.26. Het beroep van [appellant sub 48] is gericht tegen de contour rond de kern Nuth. Appellant betoogt dat een gebied ten noorden van de kern Nuth ten onrechte niet binnen de desbetreffende contour is gelegd. In dit verband heeft hij aangevoerd dat dit gebied geschikt is voor uitbreiding van het bedrijventerrein De Horzel en dat aan een dergelijke uitbreiding grote behoefte bestaat. Voorts is de contour in het ontwerpplan wel om het desbetreffende gebied gelegd en is de wijziging bij de planvaststelling onvoldoende gemotiveerd.

2.26.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat een verantwoorde landschappelijke inpassing van een uitbreiding van het bedrijventerrein hier welhaast onmogelijk is. De contour is bij de vaststelling van de streekplanherziening aangepast aan het op 23 februari 1999 door gedeputeerde staten goedgekeurde bestemmingsplan Bedrijvenpark De Horzel. Omdat de desbetreffende gronden deel uitmaken van het zogenoemde Centraal Plateau zijn ze in dit bestemmingsplan bestemd als agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden.

2.26.2. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op dit punt de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. Gelet op de waarde van het basiskapitaal ter plaatse en op het voorkomen van verdere verstedelijking, hebben verweerders de contour immers om het bestaande bedrijventerrein gelegd. Dit is voorts in overeenstemming met het bestemmingsplan voor het desbetreffende gebied.

Met betrekking tot de omstandigheid dat in het ontwerp de contour ruimer was gelegd, hebben verweerders zich ter zitting onweersproken op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling is gebleken dat de behoefte aan uitbreiding van het bedrijventerrein ter plaatse minder groot was dan voorheen berekend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de behoefte aan uitbreiding van het bedrijventerrein opweegt tegen het belang van behoud van de waarde van het basiskapitaal ter plaatse. De doelstelling van de streekplanherziening in aanmerking genomen, behoefden verweerders hieraan ook geen overwegende betekenis toe te kennen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.26.3. Het beroep van [appellant sub 48] is ongegrond.

2.27. Het beroep van burgemeester en wethouders van Nuth is verder gericht tegen de contouren rond de kern Nuth, Hulsberg en Vaesrade.

2.27.1. Ten aanzien van de contour rond de kern Nuth betogen appellanten dat de zogenoemde wooncluster Hellebroek en twee voormalige schoolgebouwen aan de Voortsterstraat ten onrechte niet binnen de desbetreffende contour zijn gelegd. Hellebroek heeft van oudsher een directe relatie met de kern Nuth en maakt geen deel uit van het buitengebied. Voorts is het binnen de contour brengen van de twee voormalige schoolgebouwen en hun omgeving noodzakelijk voor een bestemmingswijziging ten behoeve van de verkoop en verbouw tot woningen.

2.27.2. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat Hellebroek een echt buurtschap in het buitengebied is, die moet worden gelijkgesteld met buurtschappen als Tervoorst, Grijzegrubben, Terstraten, Hunnecum en Aalbeek. Juist deze buurtschappen staan onder zogenoemde suburbane druk. Veel openingen tussen de (deels voormalige) agrarische bebouwing zijn in het verleden opgevuld. Het verleggen van de contour van de kern Nuth zou de verwachting wekken dat woningbouw ter plaatse nog bespreekbaar is. Er is voor gekozen om de bestaande waarden te beschermen door niet meer verstedelijking toe te staan dan reeds in de bestaande bestemmingsplannen mogelijk is. Voor de mogelijkheid tot het inpandig verbouwen van voormalige schoolgebouwen tot woningen wordt verwezen naar vigerend beleid.

2.27.3. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op dit punt de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat Hellebroek is aan te merken als een cluster van lintbebouwing dat vrij ligt van de kern Nuth. Gelet op de uitgangspunten voor het trekken van contouren is de contour strak rond de bestaande bebouwing van de kern Nuth getrokken en blijft deze beperkt tot dat deel van de kern waar inbreidingsmogelijkheden voorzien zijn. Lintvormige uitlopers van de kern en clusters van bebouwing in het buitengebied worden buiten de contour gelaten. Gelet hierop en gelet op het basiskapitaal ter plaatse, acht de Afdeling het, in het licht van de doelstelling van de streekplanherziening, niet onredelijk dat verweerders Hellebroek buiten de contour van de kern Nuth hebben gelegd. In het betoog van appellanten dat Hellebroek een functionele binding heeft met de kern Nuth, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Met betrekking tot de voormalige schoolgebouwen aan de Voorsterstraat overweegt de Afdeling dat de voorliggende streekplanherziening beoogt verdere verstedelijking ten koste van het basiskapitaal in Zuid-Limburg tegen te gaan en als zodanig geen betrekking heeft op functiewijziging van bestaande bebouwing. In verband hiermee treft het betoog van appellanten dat een aanpassing van de contour noodzakelijk is derhalve geen doel.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.27.4. Het beroep van burgemeester en wethouders van Nuth is in zoverre ongegrond.

2.27.5. Ten aanzien van de contour rond de kern Hulsberg betogen appellanten dat te weinig ruimte wordt geboden voor uitbreiding van de kern. De gevraagde uitbreiding is noodzakelijk voor de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan Sportparklaan. Voorts is een geringe verschuiving van de contour planologisch verantwoord en doet de gevraagde uitbreiding geen afbreuk aan de uitgangspunten van het contourenbeleid.

2.27.6. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat in de kern Hulsberg voldoende mogelijkheden voor woningbouw zijn. Binnen de contour is de ontwikkeling van een kwalitatief verantwoord bestemmingsplan (zowel financieel als stedenbouwkundig) zeer wel mogelijk. De door appellanten voorgestelde uitbreiding vormt een verdere aantasting van de open ruimte.

2.27.7. De Afdeling acht het standpunt van verweerders niet onredelijk. Hierbij neemt zij in aanmerking dat appellanten de noodzaak van de door hen voorgestelde uitbreiding onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Bovendien hebben verweerders aan de woningbehoefte als zodanig, wat daar verder van zij, geen overwegende betekenis behoeven toe te kennen. Gelet op de doelstelling van de streekplanherziening staat het voorkomen van verdere verstedelijking in het buitengebied en bescherming van het basiskapitaal immers centraal bij het bepalen van de contouren. Eén van de uitgangspunten voor het trekken van de contouren is dat de contour strak langs de bestaande bebouwing wordt getrokken. Weliswaar kan wel met woningbehoefte rekening worden gehouden, maar de contour wordt alleen dan ruimer getrokken in situaties waarin sprake is van een kleine uitbreiding van de kern, waarvan het belang voldoende opweegt tegen het belang van behoud van het basiskapitaal ter plaatse. In de afweging van belangen hebben verweerders, de meergenoemde doelstelling van de streekplanherziening in aanmerking genomen, in redelijkheid het belang van behoud van het basiskapitaal van doorslaggevende betekenis kunnen achten. De Afdeling neemt daarbij in overweging dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat elders in deze kern de contour reeds ruimer is getrokken.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.27.8. Het beroep van burgemeester en wethouders van Nuth is in zoverre ongegrond.

2.27.9. Ten aanzien van de contour rond de kern Vaesrade betogen appellanten dat de lintvormige uitlopers langs de Vaesraderweg, de Hommertweg en de Naanhofsweg ten onrechte niet binnen de contour zijn opgenomen. Zij hebben een directe relatie met de kern van Vaesrade. Voorts dient het sportveldencomplex binnen de contour te worden opgenomen.

2.27.10. Verweerders hebben zich wat betreft de genoemde straten op het standpunt gesteld dat juist de afwisseling van bebouwde en onbebouwde percelen het karakter van de overgang naar het buitengebied bepaalt. De hoge landschapswaarden ter plaatse hebben geresulteerd in een merendeels strakke contour rond Vaesrade. Verdere bebouwing aan de westzijde is uitgesloten vanwege het basiskapitaal van het gebied Kathager Beemden. Nu bij het bepalen van de contour aan de oostzijde van de kern uitbreidingsruimte is geboden, is het opnemen van het sportveldencomplex overbodig.

2.27.11. Ten aanzien van lintvormige uitlopers langs de Vaesraderweg, de Hommertweg en de Naanhofsweg, overweegt de Afdeling dat zij in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding ziet voor het oordeel dat verweerders op dit punt de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast.

De contour dient immers beperkt te blijven tot dat deel van de kern waar inbreidingsmogelijkheden voorzien zijn, hetgeen betekent dat lintvormige uitlopers van de kern in het buitengebied niet zijn voorzien van een contour. De doelstelling van de streekplanherziening is hierbij richtinggevend, zodat het betoog van appellanten dat de genoemde straten een directe relatie met de kern van Vaesrade hebben, niet leidt tot het oordeel dat dit een omstandigheid is die aanleiding geeft om toch een contour om deze lintvormige uitlopers van de kern te leggen.

Ten aanzien van het sportveldencomplex hebben verweerders zich ter zitting onweersproken op het standpunt gesteld dat het slechts aan één zijde aan kernbebouwing grenst. Gelet op de uitgangspunten voor het trekken van de contouren is het sportveldencomplex derhalve terecht buiten de contour gelaten.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.27.12. Het beroep van burgemeester en wethouders van Nuth is in zoverre ongegrond.

2.28. De beroepen van [appellant sub 37] en burgemeester en wethouders van Nuth zijn gericht tegen het verbod om te bouwen in de buurtschap Oensel. Claessens betoogt dat woningbouw op zijn perceel slechts opvulling van de bestaande lintbebouwing betekent en geen nadelige effecten heeft op het landschap. Voorts heeft vroeger op zijn perceel ook een woning gestaan.

2.28.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat Oensel een uitgesproken cluster in het buitengebied is. De ruimte tussen Oensel en Schimmert moet zoveel mogelijk gevrijwaard blijven van opvullende bebouwing. Oensel voldoet niet aan de voorwaarden van een contourkern maar valt onder de gebruikelijke regeling van bestaande bebouwing in het buitengebied.

2.28.2. De Afdeling is niet gebleken dat verweerders op dit punt de aan de contour ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. Uit de stukken is gebleken dat de bebouwing in Oensel merendeels een agrarische functie heeft. In de streekplanherziening worden clusters van al dan niet agrarische bebouwing in het buitengebied (lees: buurtschappen) beschouwd als onderdeel van het buitengebied. Deze buurtschappen zijn in het Streekplan Zuid-Limburg ook niet als “kern” aangeduid. Gelet op de uitgangspunten voor het trekken van contouren, wordt geen contour gelegd om buurtschappen en evenmin om lintvormige uitlopers van de kern. Het betoog van appellant Claessens dat bebouwing van zijn perceel slechts opvulling van ruimten in de bestaande lintbebouwing betekent, treft derhalve geen doel. Voorts hebben verweerders in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de plaatselijke waarden van het basiskapitaal dan aan het belang van appellanten het perceel in een contour op te nemen. De omstandigheid dat in het verleden het desbetreffende perceel wel bebouwd is geweest, leidt niet tot een ander oordeel.

Zoals in 2.18.2. overwogen, hebben verweerders in redelijkheid de contour om “Op de Bies” kunnen leggen. Niet is gebleken dat de situatie van de buurtschap Oensel zodanig overeenkomt met die van het gebied “Op de Bies”, dat verweerders om deze reden de buurtschap Oensel niet buiten de contour hebben kunnen leggen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.28.3. De beroepen van [appellant sub 37] en burgemeester en wethouders van Nuth zijn (in zoverre) ongegrond.

gemeente Schinnen

2.29. Het beroep van burgemeester en wethouders van Schinnen richt zich tegen de contour rond de kern Schinnen. Appellanten betogen dat door gewijzigde feiten en omstandigheden de contour geen ruimte meer biedt voor de bouw van een basisschool aan de zuidzijde van Schinnen. Zij bepleiten een andere ligging van de contour ter plaatse.

2.29.1. Verweerders hebben aangegeven te kunnen instemmen met een wijziging van de contour.

2.29.2. De Afdeling overweegt dat het beroep is gebaseerd op een wijziging in de opvatting van het gemeentebestuur over de vraag wat de meest gewenste locatie is voor de bouw van een nieuwe basisschool. Deze omstandigheid is opgekomen na het nemen van het bestreden besluit. Het karakter van de toetsing door de Afdeling brengt echter mee dat feiten en omstandigheden die zich na het bestreden besluit hebben voorgedaan in beginsel niet bij die toetsing worden betrokken. Het enkele feit dat verweerders kunnen instemmen met een wijziging van de contour naar aanleiding van veranderde feiten en omstandigheden aan de zijde van appellanten, doet hieraan niet af. Verweerders dienen, zoals zij ter zitting hebben bevestigd, de contour in een partiële herziening aan te passen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.29.3. Het beroep van burgemeester en wethouders van Schinnen is ongegrond.

2.30. Het beroep van [appellanten sub 45] richt zich tegen de contour rond de kern Oirsbeek. Appellanten betogen dat de bebouwing langs de weg Schatsberg voor zover deze ligt ten noordwesten van de weg Beukenberg, ten onrechte niet binnen de contour is opgenomen en in verband hiermee de contour ten onrechte geen ruimte biedt voor de bouw van woningen op de percelen kadastraal bekend gemeente Schinnen, sectie […], nos. […] en […]. Hiertoe beroepen zij zich op het gelijkheidsbeginsel, de door het gemeentebestuur van Schinnen gewekte verwachtingen, het Streekplan Zuid-Limburg en de begrenzing van het Buitengebied.

2.30.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat verruiming van de contour ter plaatse in strijd is met de uitgangspunten van het openruimtebeleid. Volgens verweerders betreft de Schatsberg een karakteristiek lint dat uit een oogpunt van bescherming van het basiskapitaal en de noodzaak precedentwerking te voorkomen niet van een contour kan worden voorzien.

2.30.2. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op dit punt de aan de contour ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. Zij neemt hierbij in aanmerking dat één van de uitgangspunten voor het trekken van de contouren is dat de contour beperkt dient te blijven tot dat deel van de kern waar inbreidingsmogelijkheden voorzien zijn. Dit betekent dat lintvormige uitlopers van een kern in het buitengebied niet zijn voorzien van een contour. In het beleid van verweerders wordt uit algemeen planologisch oogpunt het stelselmatig dicht bouwen langs wegen richting buitengebied niet aanvaardbaar geacht. Dat leidt tot het kunstmatig creëren van een abrupte overgang van bebouwd gebied naar buitengebied, hetgeen afbreuk doet aan de karakteristieke overgang van de bebouwde kern naar het buitengebied.

Wat betreft de door appellanten gemaakte vergelijking tussen de Schatsberg en de Beukenberg overweegt de Afdeling dat van gelijke situaties geen sprake is, nu de Schatsberg een holle weg is en de Beukenberg niet. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Aangaande het argument van appellanten dat door het gemeentebestuur van Schinnen verwachtingen zijn gewekt, is de Afdeling van oordeel dat, wat daar verder ook van zij, verweerders hieraan niet gebonden zijn, zodat die verwachtingen geen doorslaggevende rol kunnen spelen bij de beoordeling van de vraag of verweerders in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. Evenmin konden appellanten rechtens te honoreren verwachtingen ontlenen aan het Streekplan Zuid-Limburg. Het staat verweerders in beginsel immers vrij om op basis van gewijzigde planologische inzichten de aan gebieden toegekende functies te veranderen. Dat het Streekplan Zuid-Limburg de Schatsberg met bebouwing aanmerkt als bestaand stads- en dorpsgebied, behoefde verweerders er derhalve niet toe te brengen het bewuste gedeelte van de Schatsberg binnen de contour te brengen.

Wat betreft perceel sectie […], no. […], overweegt de Afdeling voorts dat verweerders in de jarenlange aanwezigheid van een woning geen aanleiding hebben behoeven te zien om dat perceel in de contour op te nemen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.30.3. Het beroep van [appellanten sub 45] is ongegrond.

gemeente Beek

2.31. Het beroep van [appellant sub 32] richt zich tegen de contour rond de kern Groot Genhout. Appellante betoogt dat de contour ten onrechte geen ruimte biedt voor de bouw van een woning op het perceel no. […], dat ligt aan de Groot Genhouterstraat. Zij stelt hiertoe dat woningbouw geen inbreuk maakt op de waarden die aan het contourenbeleid ten grondslag liggen. Bovendien is geen sprake van aantasting van een visueel landschappelijke waardevolle doorkijk, aldus appellante.

2.31.1. Verweerders hebben de historisch belangrijke Groot Genhouterstraat met nog veel open plekken bewust buiten de contour gelaten teneinde nieuwe bebouwing tegen te gaan.

2.31.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders in redelijkheid doorslaggevende betekenis kunnen hechten aan de omstandigheid dat het perceel ligt tussen de historische bebouwing van veelal oude agrarische vestigingen. In hetgeen appellante aanvoert omtrent de ter plaatse aanwezige waarden, hebben verweerders geen grond behoeven te zien om tot een andere ligging van de contour te komen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.31.3. Het beroep van [appellant sub 32] is ongegrond.

gemeente Valkenburg aan de Geul

2.32. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich tegen de contour rond de kern Berg. Appellant betoogt dat de contour ten onrechte niet twee ten zuiden van de rijksweg gelegen gebieden omvat. Hij stelt dat bij de vaststelling van de contour onvoldoende rekening is gehouden met de bestaande bebouwing, de wijzigende infrastructuur en de veranderende bestemming, alsmede de toenemende parkeerproblematiek en de behoefte aan “hangplekken” voor de jeugd.

2.32.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat bebouwing ten zuiden van de rijksweg ongewenst is. Daarbij hebben zij onder meer in aanmerking genomen de geldende bestemming van beide gebieden als “Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden”. Daarnaast achten verweerders op grond van stedenbouwkundige argumenten bebouwing in strijd met de uitgangspunten van het concentratiebeleid.

2.32.2. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Verweerders hebben in redelijkheid betekenis kunnen toekennen aan de rijksweg als duidelijke scheidslijn tussen de kern Berg en het open plateaugebied. Dat zij hierbij eveneens de verkeersveiligheid op de rijksweg hebben betrokken, is evenmin onredelijk. Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent onder andere de bestaande bebouwing en nieuwe ontwikkelingen doet hieraan niet af.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.32.3. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.33. Het beroep van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul richt zich tegen de contouren die in de planherziening zijn vastgelegd voor de kernen in hun gemeente. In dit kader hebben zij aangevoerd dat bij de vaststelling van deze contouren onvoldoende rekening is gehouden met ruimte die nodig is voor toeristisch recreatieve voorzieningen en voor de huisvesting van woonwagenbewoners. Voorts betogen appellanten dat de contouren aan de Langen Akker in Berg en de Hemelrijkstraat in Sibbe niet ruim genoeg zijn.

2.33.1. Verweerders hebben zich onder andere op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling van toeristisch/recreatieve bedrijven buiten de reikwijdte van de partiële streekplanherziening valt. Voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven in het landelijk gebied zullen in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) beleidslijnen worden geformuleerd. Ten aanzien van de woonwagenlocaties zijn verweerders van mening dat de contouren in het plan van de kernen van de gemeente in het algemeen voldoende mogelijkheden bieden voor de verwezenlijking van deze locaties.

2.33.2. De Afdeling stelt vast dat de partiële streekplanherziening geen betrekking heeft op toeristisch-recreatieve bedrijvigheid.

Verder is de Afdeling van oordeel dat het standpunt van verweerders omtrent de woonwagenlocaties in de gemeente niet onredelijk is.

Voorts hebben verweerders in hetgeen appellanten hebben gesteld inzake de contour rond de kern Berg aan de Langen Akker naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding behoeven te zien die contour aldaar te verruimen. Daarbij hebben zij in redelijkheid doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarde en aan de ligging in de provinciale ecologische structuur van het betrokken gebied dat direct aansluit op het natuurgebied Ingendael.

Ten aanzien van de contour bij de Hemelrijkstraat in Sibbe is de Afdeling van oordeel dat verweerders in redelijkheid de visuele aantasting van het basiskapitaal als gevolg van de door appellanten gewenste uitbreidingsmogelijkheden en het behoud van de cultuurhistorische waarden aan de westzijde van de kern en de schaal van de kern van groter belang hebben kunnen achten dan de uitbreiding van Sibbe. Dat verweerders voorts in verband met de ligging van het gebied op een min of meer steile helling verdere verstening en oppervlakteverharding ongewenst vinden, is niet onredelijk.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.33.3. Het beroep van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul is in zoverre ongegrond.

gemeente Voerendaal

2.34. Het beroep van [appellant sub 24] richt zich tegen de contour rond de kern Ransdaal. Appellant betoogt dat de contour ten onrechte niet zijn perceel dat ligt op de hoek van de Korteweg en Termoors omvat. Hiertoe beroept hij zich onder meer op het feit dat het perceel is opgenomen in het bestemmingsplan dat betrekking heeft op de kern Ransdaal.

2.34.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de Korteweg en de weg Termoors vanwege hun oorspronkelijke karakter als veldontsluitingsweg niet tot de dorpskern behoren. Bebouwing ter plaatse past niet in het reeds lang gevoerde beleid dat erop is gericht uitbreiding van woningbouw in de richting van het buitengebied te voorkomen.

2.34.2. De Afdeling is van oordeel dat verweerders bij de afweging van belangen aan de ligging van het perceel van appellant binnen het bestemmingsplan voor de kern Ransdaal geen doorslaggevend gewicht hebben behoeven toe te kennen. Voorts is de contour, anders dan appellant stelt, niet in strijd met de in paragraaf 3.2 van de partiële streekplanherziening beschreven uitgangspunten vastgesteld, omdat voor het perceel van appellant zowel in het oude als in het nieuwe op 6 september 1999 vastgestelde bestemmingsplan voor de kern geen positieve bestemming voor woningbouw is opgenomen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.34.3. Het beroep van [appellant sub 24] is ongegrond.

2.35. Het beroep van [appellanten sub 30] richt zich tegen de contour rond de kern Ransdaal. Appellanten betogen dat de contour ten onrechte niet een strook grond ten oosten van de H. Houbenstraat omvat. Door de ligging van deze strook grond tussen de spoorlijn, de nieuwbouwwijk, het sportcomplex en de oude kern Ransdaal is volgens hen geen sprake meer van een open karakter. Voorts heeft het desbetreffende gebied nagenoeg geen verbinding meer met het buitengebied, aldus appellanten.

2.35.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de bestaande bebouwing aan de westelijke zijde van de H. Houbenstraat in stedenbouwkundig opzicht een duidelijke afsluiting vormt van dit nieuwe gedeelte van de kern Ransdaal. Hun voorkeur gaat wat betreft nieuwbouw uit naar inbreiding elders in de kern boven uitbreiding langs de H. Houbenstraat.

2.35.2. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Van onjuiste toepassing van de uitgangspunten bij de vaststelling van de contour is niet gebleken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het betrokken gebied in Ransdaal door de verdiepte ligging van de spoorlijn optisch een eenheid vormt met het achter de spoorlijn gelegen gebied. Aan het behoud van de landschappelijke eenheid en waarden hebben verweerders voorts naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van appellanten hun strook grond in de contour op te nemen.

Ten aanzien van de door appellanten gemaakte vergelijking met de contour rond de kern Banholt in de gemeente Margraten en met de contour rond Ransdaal langs de Kampstraat overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situaties zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerders om deze reden de contour in kwestie anders hadden moeten vaststellen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.35.3. Het beroep van [appellanten sub 30] is ongegrond.

2.36. Het beroep van [appellanten sub 39] richt zich tegen het verbod burgerwoningen te bouwen bij de buurtschap Barrier. Appellanten betogen dat de planherziening hierdoor ten onrechte de bouw van woningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Klimmen, sectie […], no. […], plaatselijk gelegen aan Barrier tussen de huisnummers [locatie 1] en [locatie 2], uitsluit. Hiertoe beroepen zij zich op een besluit van 31 oktober 1974, waarin de raad van de voormalige gemeente Klimmen heeft uitgesproken medewerking te zullen verlenen aan woningbouw ter plaatse. Voorts voeren appellanten aan dat het perceel onderdeel is van het nieuwe bestemmingsplan Klimmen-Ransdaal e.o. en dat woningbouw zodanig kan worden ingepast dat geen afbreuk wordt gedaan aan bestaande landschappelijk waardevolle zichtrelaties.

2.36.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat ingevolge de partiële streekplanherziening woningbouw ter plaatse niet kan worden toegestaan. Reeds in het Streekplan Zuid-Limburg is een restrictief beleid opgenomen dat ervan uitgaat dat verstedelijkingsinvloeden en niet aan het landelijk gebied gebonden functies – waaronder ook burgerwoningen – zoveel mogelijk uit het buitengebied moeten worden geweerd.

2.36.2. De Afdeling is niet gebleken dat verweerders op dit punt de aan de contour ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. Verweerders hebben in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de plaatselijke waarden van het basiskapitaal dan aan het belang van appellanten hun perceel in een contour op te nemen.

Aangaande de door het bestuur van de voormalige gemeente Klimmen, thans gemeente Voerendaal, gewekte verwachtingen is de Afdeling van oordeel dat, wat daar verder ook van zij, verweerders hieraan niet gebonden zijn. Die verwachtingen kunnen derhalve geen doorslaggevende rol spelen bij de beoordeling van de vraag of verweerders in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. Ook behoefden verweerders geen overwegende betekenis toe te kennen aan de omstandigheid dat het perceel is opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan Klimmen-Ransdaal e.o. dat op 6 september 1999 is vastgesteld. Hierbij is van belang dat dit bestemmingsplan evenmin als het vorige bestemmingsplan in een bouwmogelijkheid ter plaatse voorziet.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.36.3. Het beroep van [appellanten sub 39] is ongegrond.

gemeente Eijsden

2.37. Het beroep van [appellanten sub 33] richt zich tegen de contour bij de kern Oost. Appellanten betogen dat de contour ten onrechte niet de percelen [locatie 3]-[locatie 4] en [locatie 5]-[locatie 6]-[locatie 7] te Oost-Maarland omvat. Hierdoor worden zij beperkt in de bouw van appartementen en de verwezenlijking van bepaalde voorzieningen aan de Catharinastraat ten behoeve van het bedrijf Dagstrand Oost-Maarland en in de bouwmogelijkheden aan de Parrestraat.

2.37.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid voor recreatieve bebouwing aan de westelijke zijde van de Catharinastraat dient te worden bezien in het kader van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Wat betreft het perceel aan de Parrestraat wijzen zij een uitbreiding van de kern in oostelijke richting af vanwege de waarden die in het gebied aanwezig zijn.

2.37.2. De Afdeling stelt vast dat de partiële streekplanherziening geen betrekking heeft op toeristisch-recreatieve bedrijvigheid. Voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven in het landelijk gebied zullen in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) beleidslijnen worden geformuleerd.

Het standpunt van verweerders dat uitbreiding van de kern aan de oostelijke zijde ter plaatse van de Parrestraat onverenigbaar is met de ter plaatse voorkomende gebiedswaarden, acht de Afdeling niet onredelijk.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.37.3. Het beroep van [appellanten sub 33] is ongegrond.

gemeente Margraten

2.38. Het beroep van [appellanten sub 6]richt zich tegen de contour rond de kern Cadier en Keer. Appellanten betogen dat de contour aan de westelijke zijde van de kern ten onrechte de percelen nos. 190, 191 en 2415, die liggen aan de zuidzijde van de Trichterweg, omvat. Hiertoe doen zij onder andere een beroep op de beslissing van gedeputeerde staten omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Margraten, het belang van de verkeersveiligheid op de Trichterweg en het bedrijfsbelang. Voorts vinden appellanten dat de landschappelijke situatie aan de Trichterweg vergelijkbaar is met die aan de Pastoor Kikkenweg waar het desbetreffende perceel buiten de contour is gelaten.

2.38.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het belang de waarden van het buitengebied te behouden, zich niet verzet tegen een beperkte verruiming van bebouwingsmogelijkheden ter plaatse, waardoor een stedenbouwkundige afronding wordt bereikt. Aangaande het bedrijfsbelang stellen verweerders dat de bedrijfsactiviteiten dermate beperkt van omvang zijn dat niet gesproken kan worden van een onaanvaardbare vermenging van functies.

2.38.2. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Uit de stukken blijkt dat aan de noordelijke zijde van de Trichterweg tegenover genoemde drie percelen woonbebouwing is gerealiseerd. Verweerders hebben in redelijkheid aan het belang van een afronding van de bebouwing meer gewicht kunnen toekennen dan aan de door appellanten aangevoerde belangen. De beslissing die gedeputeerde staten hebben genomen in het kader van de goedkeuring van het bestemmingsplan Buitengebied doet hier niet aan af. Voorts is niet gebleken van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu de landschappelijke situatie aan de Trichterweg geheel anders is dan aan de door appellanten genoemde Pastoor Kikkenweg. Ten aanzien van de door appellanten gestelde belangenverstrengeling overweegt de Afdeling dat appellanten deze verstrengeling niet aannemelijk hebben gemaakt. Dit betoog faalt derhalve.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.38.3. Het beroep van [appellanten sub 6] is ongegrond.

2.39. Het beroep van [appellant sub 14] richt zich tegen de contour ten zuiden van de kern Margraten. Appellant betoogt dat de contour ten onrechte niet de buurtschap Termaar omvat, waardoor woningbouw op zijn perceel kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie […], no. […] (ged.) is uitgesloten. Hiertoe beroept hij zich op de begrenzing van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Margraten, de functie in het Streekplan Zuid-Limburg en de beperkte waarden van het landschap en de omliggende bebouwing.

2.39.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de contour gehandhaafd moet worden vanwege het behoud van het doorzicht en het karakteristieke talud dat de overgang vormt naar het achtergelegen landelijke gebied.

2.39.2. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Verweerders hebben in redelijkheid bebouwing ongewenst kunnen achten vanwege het landschap en de bestaande historische, karakteristieke panden. Voorts hebben verweerders in aanmerking kunnen nemen dat in de kern Margraten voldoende bouwmogelijkheden aanwezig zijn. Dat het gemeentebestuur bepaalde toezeggingen aan appellant heeft gedaan, leidt de Afdeling, wat daar verder ook van zij, niet tot een ander oordeel. Deze toezeggingen kunnen verweerders niet binden. Evenmin kan het beroep van appellant op de begrenzing van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Margraten slagen, omdat verweerders het feit dat het betrokken gebied in dat plan niet meer in het buitengebied ligt, niet doorslaggevend hebben behoeven te achten bij de afweging van belangen.

Ten aanzien van het beroep dat appellant heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de situatie waarop het beroep van [appellanten sub 6] betrekking heeft, zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie dat verweerders om deze reden de contour in kwestie anders hadden moeten vaststellen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.39.3. Het beroep van [appellant sub 14] is ongegrond.

2.40. Het beroep van [appellant sub 21] is gericht tegen de contour ten zuiden van de kern Margraten. Appellant betoogt dat de contour ten onrechte niet Gen Hof bij de buurtschap Termaar omvat, waardoor hij de schuur nabij de boerderij niet tot woning kan verbouwen.

2.40.1. Verweerders staan op het standpunt dat de cluster van bebouwing (genaamd Gen Hof) in de directe omgeving van de monumentale boerderij deel uitmaakt van het buitengebied. De bebouwing en de omgeving ervan hebben grote monumentale en cultuurhistorische waarden.

2.40.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders bij afweging van de betrokken belangen aan deze waarden overwegende betekenis kunnen toekennen.

In verband hiermee ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.40.3. Het beroep van [appellant sub 21] is ongegrond.

2.41. Het beroep van [appellant sub 10] en het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten richten zich tegen de contour rond de kern Sint Geertruid. Appellanten betogen dat de contour ten onrechte niet een perceel aan de Burgemeester Wolfsstraat omvat.

2.41.1. In hun verweerschrift geven verweerders te kennen dat de desbetreffende contour bij nader inzien niet kan worden gehandhaafd en overeenkomstig de wens van appellanten kan worden aangepast.

2.41.2. Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, op grond waarvan verweerders bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten dienen te vergaren.

2.41.3. Het beroep van [appellant sub 10] en het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten zijn (in zoverre) gegrond.

2.42. Burgemeester en wethouders van Margraten hebben verder als algemeen bezwaar aangevoerd dat de belangenafweging die in het kader van de vaststelling van de contouren heeft plaatsgevonden, ondeugdelijk is omdat het volkshuisvestelijke en maatschappelijke belang onvoldoende is meegewogen. Het beroep richt zich specifiek tegen de contouren rond onder meer de kernen Bemelen en Margraten.

2.42.1. Verweerders hebben zich onder andere op het standpunt gesteld dat de woningbehoefte op regionale schaal wordt vastgesteld. Confrontatie van de kwantitatieve en kwalitatieve taakstelling conform het regionaal volkshuisvestingsplan, met de ruimtelijke mogelijkheden binnen de contouren moet uitwijzen in hoeverre aan de taakstelling voldaan kan worden. Bij een tekort aan mogelijkheden bestaat elders ruimte de taakstelling te realiseren. Voorts stellen verweerders dat woningbouw alleen geen oplossing biedt voor problemen van leefbaarheid binnen kleine kernen.

2.42.2. Wat betreft het algemene bezwaar verwijst de Afdeling naar haar oordeel over het beleid aan het slot van rechtsoverweging 2.9.. In dit beleid zijn de omgevingsfactoren primair bepalend voor het trekken van de contouren en niet de richtcijfers. Desondanks wordt voor de kernen die in het woningbouwprogramma een grotere opvangfunctie vervullen, waaronder de kern Margraten, een zwaarder gewicht toegekend aan het volkshuisvestelijke aspect dan voor andere kernen. Indien in de kern Margraten echter in verband met de waarde van het basiskapitaal niet in de woningbehoefte kan worden voorzien, zal volgens verweerders de gemeente Maastricht dit tekort moeten opvangen. Dit beleid komt de Afdeling niet onredelijk voor.

In hetgeen appellanten hebben gesteld inzake de contour rond de kern Bemelen aan de Oude Akerstraat hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding behoeven te zien het bewuste perceel (tussen de nos. […] en […]) in de contour op te nemen. Daarbij hebben zij in redelijkheid overwegende betekenis kunnen toekennen aan het belang het doorzicht naar de veldweg en het achtergelegen natuurgebied De Bemelerberg te behouden en de historische karakteristieke rooilijn van de bebouwing te handhaven.

Appellanten bestrijden de contour rond de kern Margraten voor zover betreft de noordelijke begrenzing van de uitbreiding van het bedrijventerrein “Aan de Fremme”. De Afdeling acht het standpunt van verweerders dat de door appellanten gewenste uitbreiding van het bedrijventerrein met 5100 m2 een te forse inbreuk op de waarde van de zogeheten Scheulderhoogte vormt, niet onredelijk. Aan het advies dat de Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen in het kader van de voorbereiding van het desbetreffende bestemmingsplan heeft uitgebracht, konden appellanten geen rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen, omdat verweerders niet gebonden zijn aan het advies van deze commissie.

Appellanten bestrijden de contour rond Margraten voorts wat betreft het voor woningbouw bestemde uitbreidingsgebied “Heiligerweg”. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders in het betoog van appellanten geen aanleiding behoeven te vinden het belang van appellanten te laten prevaleren boven het belang van de ter plaatse voorkomende dassenpopulatie.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op de bovengenoemde punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.42.3. Het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten is in zoverre ongegrond.

2.43. Het beroep van de [appellanten sub 31] en het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten richten zich tegen de contour bij de kern Cadier en Keer. Appellanten betogen dat de contour ten onrechte niet het perceel aan de Pastoor Kikkenweg, kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie […], no. […] omvat.

2.43.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat woningbouw niet verenigbaar is met de waardevolle kernrand, omdat de ruime doorkijk naar het achterliggende gebied wordt verminderd.

2.43.2. De Afdeling is van oordeel dat verweerders in redelijkheid de ruime doorkijk naar het landschappelijk waardevolle achterliggende gebied, en in het algemeen de handhaving van het ritme van de openingen tussen de bebouwing in de richting van het buitengebied van groter belang hebben kunnen achten dan bebouwing van het betrokken perceel. Dat verweerders grote waarde hechten aan de karakteristieke geleidelijke overgang van dorp naar landschap, acht de Afdeling niet onredelijk.

Omtrent het betoog van appellanten dat sprake is van een perceel dat deel uitmaakt van een plan dat al in een afwegingsproces is betrokken geweest, overweegt de Afdeling dat uit de betrokken passage uit paragraaf 3.2 van de partiële streekplanherziening kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van een afwegingsproces waarbij gedeputeerde staten reeds hebben aangegeven te kunnen instemmen met de door de gemeente voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervan is echter geen sprake. Aan het enkele feit dat de gemeenteraad een bestemmingsplan heeft vastgesteld dat in woningbouw voorziet, hebben appellanten geen verwachtingen kunnen ontlenen die rechtens dienen te worden gehonoreerd.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Zoals de Afdeling reeds ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 6] te [plaats] heeft overwogen, betreft het perceel aan de Trichterweg landschappelijk gezien een andere situatie dan het perceel aan de Pastoor Kikkenweg, zodat van gelijke gevallen geen sprake is.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.43.3. Het beroep van [appellanten sub 31] en het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten zijn (in zoverre) ongegrond.

2.44. Het beroep van [appellant sub 29] en het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten richten zich tegen de contour rond de kern Noorbeek. Appellanten betogen dat de contour ten onrechte niet het perceel kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie […], no. […], gelegen tussen De Wesch en de Dorpsstraat/Bovenstraat aldaar omvat. Hiertoe beroepen zij zich onder meer op de bestemming in het geldende Algemeen Bestemmingsplan Noorbeek, 1e partiële herziening (goedgekeurd door gedeputeerde staten op 6 september 1976), op de betrekkelijke landschappelijke en cultuurhistorische waarde ter plaatse en het Volkshuisvestingsplan Margraten.

2.44.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het gebied vanwege de hoge gebiedswaarden buiten de contour is gelaten. Voorts hebben zij in aanmerking genomen dat elders binnen de contour voldoende woningbouwmogelijkheden voorhanden zijn. Het geldende bestemmingsplan achten verweerders dusdanig verouderd dat zij hierin geen aanleiding hebben gevonden het betrokken perceel in de contour op te nemen.

2.44.2. In hetgeen appellanten hebben gesteld inzake de contour rond de kern Noorbeek hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding behoeven te zien voor een ruimere ligging van die contour om het perceel sectie […], no. […], gelegen tussen De Wesch en de Dorpsstraat/Bovenstraat aldaar. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een verouderd bestemmingsplan, zodat zij daaraan de conclusie kunnen verbinden dat de contour het gebied met de bestemming “Woongebied, nader uit te werken” niet behoeft te omvatten. Het standpunt van verweerders dat de groene rand van het beschermd dorpsgezicht als onderdeel van het basiskapitaal beschermd moet worden, acht de Afdeling evenmin onredelijk.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.44.3. Het beroep van [appellant sub 29] en het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten zijn (in zoverre) ongegrond.

2.45. Het beroep van [appellanten sub 3] en het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten richten zich tegen de contour ten oosten van de kern Eckelrade. Appellanten [appellanten sub 3] betogen dat de contour ten onrechte niet hun percelen aan de Dorpsstraat en de Schampeljoensteeg omvat. Burgemeester en wethouders van Margraten zijn van mening dat de lintbebouwing aan de oostelijke zijde van de kern in de contour moet worden opgenomen.

2.45.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de oostelijke uitloper van de Dorpsstraat als onderdeel van een zeer waardevol buitengebied en vanwege het overwegend landelijke karakter buiten de contour moet worden gelaten. Vanuit de bijzondere landschapsvisuele waarde is verdere verdichting van dit gebied onaanvaardbaar, aldus verweerders.

2.45.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders in redelijkheid doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan het zicht op het waardevolle landschap en aan de historische agrarische bebouwing.

Voor zover [appellanten sub 3] betogen dat door het ontbreken van een contour de vestiging van een woning in agrarische bebouwing onmogelijk wordt gemaakt, overweegt de Afdeling dat dit betoog geen doel treft. De partiële streekplanherziening beoogt immers verdere verstedelijking ten koste van het basiskapitaal in Zuid-Limburg tegen te gaan en heeft als zodanig geen betrekking op functiewijziging van bestaande bebouwing.

Aan het gegeven dat de lintbebouwing bij de kern Reijmerstok in de gemeente Gulpen-Wittem wel een contour heeft gekregen, kan geen aanspraak worden ontleend op een contour voor de oostelijke lintbebouwing van Eckelrade, omdat in verband met de functie van de desbetreffende weg in Reijmerstok van gelijke gevallen geen sprake is. Het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.45.3. Het beroep van [appellanten sub 3] en het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten zijn (in zoverre) ongegrond.

2.46. Het beroep van [appellant sub 47] richt zich tegen de contour aan de noordoostelijke zijde van de kern Cadier en Keer. Appellant betoogt dat de contour ten onrechte niet zijn perceel aan de Keunestraat omvat. Hiertoe beroept hij zich op de grens tussen de kern en het buitengebied volgens het vastgestelde bestemmingsplan voor het buitengebied van Cadier en Keer. Voorts acht appellant het onjuist dat verweerders zich bij het trekken van contouren van subjectieve begrippen bedienen.

2.46.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het perceel in een landschappelijk zeer kwetsbaar gebied ligt in een waardevolle overgang van de kern naar het buitengebied.

2.46.2. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het perceel op de kop van de helling van een droogdal ligt dat vanaf het plateau van Margraten richting Maasdal loopt en in verband hiermee hoge geomorfologische en ecologische waarden heeft. Voorts wordt het landschapsvisuele karakter daarvan in sterke mate bepaald door het deels onbebouwde perceel dat ligt tussen de woning van appellant en de bebouwing van de kern.

De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.46.3. Het beroep van [appellant sub 47] is ongegrond.

2.47. Het beroep van [appellant sub 22] richt zich tegen de contour rond de kern Banholt. Appellante betoogt dat de contour ten onrechte een gebied dat ligt ten oosten van de bestaande sportvelden en ten noorden van de bebouwing langs de Mheerderweg, omvat.

2.47.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat zij het gebied in de contour hebben opgenomen op grond van de actuele waarden van dit buitengebied, hantering van het uitgangspunt dat het gebied tussen bestaande bebouwing en het sportveld ligt, en op grond van het ontbreken van alternatieven elders in de kern.

2.47.2. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. Hierbij is van belang dat uit de ruime ligging van de contour geen rechtstreekse bestemming met bouwmogelijkheden voortvloeit. Een nadere afweging omtrent de toelaatbaarheid van woningbouw ter plaatse zal op het niveau van het bestemmingsplan gemaakt moeten worden.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.47.3. Het beroep van [appellant sub 22] is ongegrond.

gemeente Gulpen-Wittem

2.48. Het beroep van [appellant sub 17] richt zich tegen de contouren met name die rond Epen, Partij, Slenaken en Gulpen, alsmede tegen het verbod burgerwoningen te bouwen bij de buurtschap Schweiberg. Appellant wil een woning bouwen in de kern Schweiberg op de percelen kadastraal bekend gemeente Wittem, sectie […], nos. […], […] en […].

2.48.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat aan de keuze van de kernen die van een contour zijn voorzien, de kernenstructuur die is opgenomen in het Streekplan Zuid-Limburg, ten grondslag heeft gelegen. Deze is gebaseerd op een sociaal-geografisch onderzoek naar het voorzieningenniveau, zoals een kerk, school of andersoortige voorzieningen. Buurtschappen daarentegen hebben een overwegend agrarisch karakter, zijn zeer klein en missen dergelijke voorzieningen. Deze zijn daarom niet als kern aangemerkt maar als onderdeel van het buitengebied. De kern Schweiberg is zo’n onderdeel van het buitengebied waar bebouwing, gelet op het aanwezige basiskapitaal, ongewenst is.

2.48.2. De Afdeling verwijst naar rechtsoverweging 2.9. waarin zij het beleid van verweerders niet onredelijk acht. Verder overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat verweerders de aan de partiële streekplanherziening ten grondslag liggende uitgangspunten in het algemeen dan wel wat betreft de buurtschap Schweiberg in het bijzonder onjuist hebben toegepast.

Wat betreft het bezwaar van appellant dat de contouren in de partiële streekplanherziening in het algemeen te ruim zijn getrokken, merkt de Afdeling op dat de omstandigheid dat percelen binnen een contour liggen, niet automatisch inhoudt dat er gebouwd kan worden; voor het bouwen binnen de contouren geldt de normale afweging op bestemmingsplanniveau.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op de punt in kwestie anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.48.3. Het beroep van [appellant sub 17] is ongegrond.

2.49. Het beroep van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem richt zich tegen de contour rond de kern Mechelen. Appellanten pleiten ervoor dat het plandeel dat in het geldende bestemmingsplan Aan de Mechelbeek is bestemd voor woondoeleinden, in de contour van de kern wordt opgenomen.

2.49.1. Het standpunt van verweerders in hun verweerschrift komt erop neer dat zij bij nader inzien van mening zijn dat het uit een oogpunt van natuurbelangen beter is nieuwe woningen te bouwen op de hiervoor in het geldende bestemmingsplan aangewezen locatie dan op een plaats aan de noordzijde van de kern ter plaatse van de Mechelbeek. In verband hiermee vinden verweerders dat de desbetreffende contour niet kan worden gehandhaafd en deze overeenkomstig de wens van appellanten kan worden aangepast.

2.49.2. Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, op grond waarvan verweerders bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten dienen te vergaren.

2.49.3. Het beroep van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem is gegrond.

2.50. Het beroep van [appellant sub 9] richt zich tegen de contour rond de kern Mechelen. Appellant betoogt dat de contour ten onrechte niet zijn perceel aan de Hilleshagerweg omvat. Hiertoe stelt hij dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd waarom zijn perceel niet binnen de contour kan komen te liggen.

2.50.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het perceel van appellant, dat direct aansluit aan de kern, ligt in het buitengebied. Volgens verweerders behoort het gebied tot het leefgebied van de das en dient de fraaie holle weg gevrijwaard te blijven van bebouwing.

2.50.2. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Niet gebleken is dat verweerders op dit punt de aan de contour ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast. Voorts hebben verweerders in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan plaatselijk voorkomende elementen als leefgebieden van de das en het ter plaatste aanwezige talud dan aan het belang van appellant dat zijn strook grond binnen de contour wordt opgenomen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.50.3. Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.

2.51. Het beroep van [appellant sub 38] richt zich tegen de contouren rond de kernen Slenaken en Gulpen. Appellant betoogt dat de contouren ten onrechte niet zijn percelen aan de Dorpsstraat in Slenaken en de Panoramaweg te Gulpen omvatten.

2.51.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het ter plaatse aanwezige basiskapitaal zich verzet tegen het binnen de contour brengen van de percelen van appellant te Slenaken en Gulpen. Wat betreft de kern Slenaken komt het standpunt van verweerders erop neer dat het gebruik van het buiten de contour gelegen perceel als parkeerterrein niet in strijd is met paragraaf 5.2 van de partiële streekplanherziening.

2.51.2. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Niet gebleken is dat verweerders op deze punten de aan de contouren ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist hebben toegepast.

Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met het door hem bedoelde hotel/restaurant aan de Dorpsstraat te Slenaken overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerders om deze reden de contour rond Slenaken anders hadden moeten vaststellen.

Wat betreft de contour rond Gulpen is de Afdeling gebleken dat het desbetreffende gebied bij het recreatiecomplex van appellant aan de Panoramaweg een steile, nagenoeg onbebouwde helling betreft van de Gulperberg. De Gulperberg ligt in een dal op de plaats waar de riviertjes Geul en Gulp samenkomen. De Gulperberg is zichtbaar vanuit verscheidene locaties in het omringende gebied. In verband met een en ander gaat het om een gebied met grote landschappelijk en cultuurhistorische waarden.

Wat betreft appellants betoog omtrent andere bestuursrechtelijke geschillen, onder meer over een bouwvergunning, en de vergoeding van allerlei (te verwachten) schadeposten overweegt de Afdeling dat deze punten in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen. Thans ligt slechts ter beoordeling voor de vraag of verweerders in redelijkheid tot de vaststelling van de contouren hebben kunnen komen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.51.3. Het beroep van [appellant sub 38] is ongegrond.

gemeente Simpelveld

2.52. Het beroep van [appellant sub 11] richt zich tegen de contour rond de kern Simpelveld. Appellant betoogt dat de contour ten onrechte niet zijn perceel aan de westelijke zijde van de Oude Molsbergerweg omvat. Hiertoe stelt hij dat woningbouw ter plaatse een betere stedenbouwkundige ontwikkeling en landschappelijke inbedding bevordert. Appellant betwist dat elders binnen de contour woningbouwmogelijkheden zijn.

2.52.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het betrokken gebied landschappelijk fraai is en dat elders voldoende woningbouwmogelijkheden binnen de contour aanwezig.

2.52.2. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. In de afweging van belangen hebben verweerders in redelijkheid aan de natuur- en landschapswaarden van het betrokken gebied meer gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van appellant. Aangaande het betoog van appellant dat door het gemeentebestuur van Simpelveld verwachtingen zijn gewekt, is de Afdeling van oordeel dat, wat hier verder ook van zij, verweerders hieraan niet gebonden zijn, zodat die verwachtingen niet van doorslaggevende betekenis kunnen zijn bij de beoordeling van de vraag of verweerders in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt evenzeer. Het gebied aan de overzijde van de Oude Molsbergerweg, dat binnen de contour is opgenomen, is wat betreft de natuur- en landschapswaarden niet zodanig dat verweerders hierom bebouwing hebben moeten uitsluiten.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.52.3. Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond.

2.53. Het beroep van [appellant sub 46] richt zich tegen de contour ten oosten van Simpelveld. Appellant betoogt dat de contour ten onrechte niet een kleine strook, kadastraal bekend gemeente Simpelveld, sectie […], nos. […] (ged.) en […] (ged.), tussen de bebouwing langs de weg Molsberg omvat. Hij voert hiertoe aan dat nieuwbouw een logische afronding vormt van de bebouwing ten noorden van de Molsberg. Appellant betwist dat sprake is van een landschappelijk waardevolle doorkijk.

2.53.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de boerderij van appellant het laatste element van de historische bebouwing van het gehucht Molsberg vormt. De open strook, die buiten de contour ligt, accentueert de overgang naar de oude cluster in het buitengebied en beschermt het karakter van de historische kern.

2.53.2. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. Verweerders hebben in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan genoemde waarden dan aan het belang van appellant bij opname van zijn strook grond binnen de contour.

De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.53.3. Het beroep van [appellant sub 46] is ongegrond.

gemeente Vaals

2.54. Het beroep van Landal Green Parks richt zich tegen de contour bij het recreatiecomplex Hoog Vaals te Vaals. Appellant betoogt dat de contour ten onrechte niet de golfbaan van het recreatiecomplex omvat.

2.54.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het bungalowpark zich duidelijk onderscheidt van de golfbaan door de mate van verstening, zodat dat gedeelte binnen de contour is opgenomen. Voorts stellen verweerders dat de golfbaan een recreatieve buitengebiedfunctie betreft waarvan de verdere exploitatiemogelijkheden worden bepaald op bestemmingsplanniveau.

2.54.2. De Afdeling stelt vast dat de partiële streekplanherziening geen betrekking heeft op toeristisch-recreatieve bedrijvigheid. De exploitatiemogelijkheden voor de golfbaan worden bepaald op bestemmingsplanniveau. In verband hiermee hebben verweerders bij het trekken van de contour in redelijkheid onderscheid kunnen maken tussen het bungalowpark enerzijds en de golfbaan anderzijds. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.54.3. Het beroep van Landal Green Parks is ongegrond.

2.55. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 43] en [appellant sub 10] te worden veroordeeld. Ten aanzien van de Stichting Landschap Maas- en Mergelland en de colleges van burgemeester en wethouders van Meerssen, Margraten en Gulpen-Wittem is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep van [appellant sub 13] en het beroep van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul voor zover dat betrekking heeft op het richtcijferbeleid en de faseringsmethode;

II. verklaart de beroepen van de Stichting Landschap Maas- en Mergelland, de colleges van burgemeester en wethouders van Meerssen en Gulpen-Wittem, [appellant sub 43], [appellant sub 10] geheel gegrond en het beroep van burgemeester en wethouders van Margraten gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van provinciale staten van Limburg van 17 december 1999, wat betreft de bebouwingscontouren rond de kernen Ulestraten, Meerssen, Schimmert/Haasdal, Sint Geertruid en Mechelen voor zover nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten;

IV. verklaart de overige beroepen geheel en de beroepen van de colleges van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul en Margraten voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt verweerders in de door [appellant sub 43] en [appellant sub 10] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van ieder € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de provincie Limburg aan de Stichting Landschap

Maas- en Mergelland, de colleges van burgemeester en wethouders van Meerssen, Margraten en Gulpen-Wittem (ieder € 204,20) en [appellant sub 43] en [appellant sub 10] (ieder € 102,10) het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

177-357-400.