Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
199903036/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 23
Wet op de Ruimtelijke Ordening 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

199903036/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] , wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. de naamloze vennootschap "N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij", gevestigd te Den Haag,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 7] en de besloten venootschap met beperkte aansprakelijkheid "Handelsonderneming Intracoat B.V.", beide gevestigd te Milheeze,

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellant sub 11a], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 11b], wonend te [woonplaats],

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 12], gevestigd te [plaats],

13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellant sub 14], gevestigd te [plaats],

15. burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],

19. de stichting “Stichting Werkgroep Behoud de Peel”, gevestigd te Deurne, en de stichting “Stichting Brabantse Milieufederatie”, gevestigd te Tilburg (hierna te noemen ‘de Werkgroep Behoud de Peel/BMF’)

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 1998 heeft de gemeenteraad van Gemert-Bakel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 18 december 1998, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Gemert-Bakel 1998".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 28 september 1999, BG 601299, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Bij brief van 30 mei 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 juli 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen.

[appellant sub 12], [appellant sub 13], Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7], en [appellanten sub 11] zijn niet verschenen.

Ook verweerders en de gemeenteraad hebben zich doen vertegenwoordigen. Tevens zijn gehoord de gemachtigden van de Minister van Defensie en van [partij].

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Met het plan wordt beoogd het buitengebied van de gemeente Gemert-Bakel van een actuele planologische regeling te voorzien.

Ontvankelijkheid

2.3. In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten voor zover dit beroep een grondslag heeft in een (tijdig) tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en in een (tijdig) tegen het vastgestelde plan bij gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijziging heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, of voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest (tijdig) een zienswijze en een bedenking in te brengen.

2.3.1. [appellant sub 1] heeft zijn zienswijze tegen het ontwerp-plan buiten de termijn ingediend. Deze termijn liep af op 29 oktober 1998. De zienswijze van [appellant sub 1] is gedateerd 30 oktober 1998 en blijkens een daarop van gemeentewege aangebracht stempel op 2 november 1998 bij de gemeente ontvangen. De Afdeling is niet gebleken dat één van de hiervoor onder 2.3 vermelde uitzonderingen zich voordoet.

Het beroep van [appellant sub 1] is dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.2. De beroepsgrond van [appellant sub 8] gericht tegen het aanlegvergunningvereiste voor het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. De Afdeling is niet gebleken dat één van de hiervoor onder 2.3 vermelde uitzonderingen zich voordoet.

Het beroep van [appellant sub 8] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.4. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.5. De Werkgroep Behoud de Peel/BMF hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre dit geen garanties bevat dat de begrenzing van het beschermingsgebied van de keur van het waterschap De Aa, die thans het gehele plangebied omvat, niet wordt gewijzigd gedurende de planperiode. Zij betogen dat een wijziging van de keur er toe kan leiden dat de intenties van het plan tegen verdroging van kwetsbare gebieden geweld worden aangedaan. Ook achten zij het taalgebruik van de keur gebruikersonvriendelijk.

Voorts stellen zij dat voor de plandelen met de bestemmingen “Agrarisch gebied met bijzondere waarden” (artikel 6) en “Agrarisch gebied” (artikel 7) ten onrechte geen aanlegvergunningvereiste is opgenomen voor diepploegen en diepwoelen ter bescherming van de waterhuishoudkundige situatie.

2.5.1. Aan het plan ligt - blijkens de plantoelichting en het betoog van de gemeenteraad ter zitting - het gemeentelijke beleid ten grondslag inhoudende dat het waterbeheer dient te worden gevoerd door het waterschap De Aa. Ingrepen die effecten kunnen hebben op de waterhuishouding zijn – om dubbele regelgeving te voorkomen – in het plan alleen gebonden aan een toestemming van het waterschap op grond van de keur. Daartoe is de keur gewijzigd waardoor het gehele grondgebied van de gemeente binnen het toepassingsbereik van de keur valt.

Voor onder meer het diepwoelen en diepploegen binnen de plandelen met de bestemmingen “Agrarisch gebied met bijzondere waarden” (artikel 6) en “Agrarisch gebied” (artikel 7) heeft de gemeenteraad daarnaast een aanlegvergunningstelsel in het plan opgenomen ter bescherming van de aardkundige- en geomorfologische waarden.

2.5.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij achten het gemeentelijke beleid in overeenstemming met het streekplan en het provinciale waterhuishoudingsplan, zoals dat nader is uitgeschreven in de Handleiding buitengebied van de provincie Noord-Brabant. Voorts achten verweerders het opnemen van een aanlegvergunningstelsel alleen gerechtvaardigd, indien dit noodzakelijk is voor de bescherming van aanwezige (natuur)waarden. Voor bepaalde natuurwaarden – zoals het vogelweidegebied – achten verweerders het afdoende, indien het effect van een bepaalde ingreep op de grondwaterstand in het gebied wordt getoetst, omdat de aanwezige natuurwaarden afhankelijk zijn van deze (hoge) grondwaterstand.

Voor andere gebieden met zogenoemde “natte” natuurwaarden delen verweerders blijkens hun verweerschrift bij nader inzien de mening van de Werkgroep Behoud de Peel/BMF dat het aanleggen en/of dempen van sloten en dergelijke ook invloed kan hebben op de aanwezige natuur, zoals onder andere de aanwezigheid van bepaalde planten, leefgemeenschappen van sloten en rietkanten, dassenburchten en dergelijke. Ten aanzien van die gebieden achten verweerders het bij nader inzien noodzakelijk dat in het bestemmingsplan een aanlegvergunningstelsel ter bescherming van die waarden wordt opgenomen.

Ten aanzien van het betoog van appellanten dat het plan ten onrechte voor diepploegen en diepwoelen geen aanlegvergunningvereiste bevat ter bescherming van de waterhuishoudkundige situatie, stellen verweerders zich op het standpunt dat deze activiteiten in beginsel geen effecten hebben op de waterhuishoudkundige toestand van het gebied. Een aanlegvergunningstelsel voor deze activiteiten is naar hun mening alleen nodig ter bescherming van de aardkundige- en geomorfologische waarden van het gebied en daarom terecht alleen voor dit aspect in het plan opgenomen.

2.5.3. Uit het ontwerp-plan en het deskundigenbericht blijkt dat in artikel 5 (“Natuur- en bosgebied”) en in artikel 6 (“Agrarisch gebied met bijzondere waarden”) een bepaling zou worden opgenomen dat geen aanlegvergunning is vereist voor werken en werkzaamheden genoemd onder 1.d. (waterhuishouding), indien voor de uitvoering hiervan reeds een vergunning of ontheffing vereist is op grond van de keur van het waterschap. Deze onderdelen van de voorschriften zijn bij de vaststelling van het plan evenwel geschrapt.

Het graven, verbreden of dempen van sloten is in de artikelen 5 (“Natuur- en bosgebied”), 6 (“Agrarisch gebied met bijzondere waarden”) en 7 (“Agrarisch gebied”) gebonden aan een aanlegvergunning. Hetzelfde geldt voor het aanleggen van drainage binnen de gebiedsbestemmingen “Natuur- en bosgebied” en “Agrarisch gebied met bijzondere waarden”.

Ook het diepploegen en diepwoelen is zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders in genoemde gebiedsbestemmingen verboden.

Gelet op de tekst van deze artikelen stelt de Afdeling dan ook vast dat – in weerwil van hetgeen de gemeenteraad en verweerders stellen - voor deze werkzaamheden een aanlegvergunningplicht in het plan is opgenomen.

2.5.3.1. Deze werkzaamheden zijn blijkens de voorschriften slechts toelaatbaar, indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan dan wel deze niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in de doeleindenomschrijving bij de gebiedsbestemmingen genoemde waarden. Die waarden betreffen de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en waterhuishoudkundige waarden met een zo sterk mogelijke ecologische en ruimtelijke samenhang (artikel 5) dan wel de natuur-, landschappelijke en aardkundige waarde (artikel 6) en het tegengaan van verdroging en terugdringen van alle vormen van ontwatering en afwatering die niet worden gerechtvaardigd door een landbouwkundige noodzaak (artikelen 6 en 7).

Voorts is weliswaar in voetnoten bij de desbetreffende onderdelen van de voorschriften aangegeven, dat het waterhuishoudkundige belang wordt gecontroleerd door het waterschap De Aa, maar de gemeenteraad en verweerders hebben ter zitting desgevraagd bevestigd dat ook voor werkzaamheden die effect kunnen hebben op de waterhuishouding burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag om aanlegvergunning. De bedoeling van de voetnoten bij de desbetreffende onderdelen van de voorschriften is, dat ter zake van de hydrologische aspecten het oordeel van het waterschap over de aanvraag om aanlegvergunning wordt gevraagd. Dit oordeel kan – zo is de Afdeling ter zitting gebleken – zwaar wegen, maar de uiteindelijke afweging tegen de andere betrokken belangen berust bij het gemeentebestuur.

2.5.3.2. Gelet op de in het plan opgenomen aanlegvergunningplicht ziet de Afdeling in hetgeen de Werkgroep Behoud de Peel/BMF hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen deze appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van de Werkgroep Behoud de Peel/BMF is in zoverre ongegrond.

2.6. De Werkgroep Behoud de Peel/BMF hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre het in gebieden waar sprake is van zeer hoge depositie van ammoniak nog uitbreidingsmogelijkheden biedt voor de aanwezige agrarische bedrijven. Appellanten zijn van mening dat dit een oplossing van het depositievraagstuk in de toekomst in de weg staat.

2.6.1. De gemeenteraad heeft de omvang van de bouwblokken afgestemd op de bestaande bedrijfsvoering en op de omvang die in de voorheen geldende bestemmingsplannen “Buitengebied Gemert” en “Buitengebied Bakel en Milheeze” was toegekend. Rekening houdend met concrete bouwplannen, zijn enige uitbreidingsmogelijkheden in het plan opgenomen.

2.6.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Voorts bevat het plan, naar hun mening, voldoende voorwaarden voordat uitbreiding van het bouwblok mogelijk is. Ook behoeft een uitbreiding van bebouwing, naar hun mening, niet altijd verzuringgevoelige effecten te hebben. Indien een uitbreiding past binnen de milieuregelgeving, hebben verweerders tegen zodanige uitbreiding geen bezwaar.

2.6.3. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht blijkt, dat in het plan reeds de nodige beperkingen zijn gesteld aan de mogelijkheden tot bebouwing van de agrarische bouwblokken en aan het vergroten daarvan. Voorts is ook de Afdeling niet gebleken van een dringende noodzaak om – naast de ter zake geldende milieuwetgeving - door middel van het beperken van de omvang van de agrarische bouwblokken (mede) een bijdrage te leveren aan de beperking van de ammoniakdepositie. Een dergelijk beleid zou ook akkerbouw- en vollegrondstuinbouwbedrijven treffen, die niet bijdragen aan de ammoniakdepositie en voorts in de weg staan aan een vergroting van het bouwblok voor andere doeleinden dan uitbreiding van de veestapel.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van de Werkgroep Behoud de Peel/BMF is in zoverre ongegrond.

2.7. De Werkgroep Behoud de Peel/BMF hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied” voor een deel van de zone Oude Kerkbaan/Kooperen Peel/Grote Peel. Zij betogen dat aan de hele zone de bestemming “Agrarisch gebied met bijzondere waarden” had moeten worden toegekend, nu het gaat om een tamelijk rustig en natuurrijk gebied, dat als potentieel weidevogelgebied kan worden aangemerkt. Zij beklemtonen dat de bescherming van de natuurwaarden op het voormalige vliegveld, in het bijzonder de broedmogelijkheden van de grutto’s, vanwege de kans op toenemende bebouwing daar niet is verzekerd.

2.7.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de actuele waarden van het gebied geen zwaardere bestemming dan “Agrarisch gebied” rechtvaardigen. De voorheen aanwezige weidevogelpopulatie heeft zich inmiddels verplaatst naar de vliegbasis en fourageert alleen nog maar in dit gebied.

2.7.2. Het gebied is in de provinciale Nota ecologische bouwstenen aangeduid als natuurkerngebied voor weidevogels. De in deze Nota aangeduide, provinciale groene hoofdstructuur is echter een indicatieve uitwerking die op basis van gemeentelijk onderzoek in een bestemmingsplan nader moet worden begrensd.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat het een hoofdzakelijk rationeel ingericht agrarisch gebied is met een rechthoekige verkaveling en lange rechte wegen. Het grondgebruik is uiteenlopend; een deel is in gebruik als grasland. De Afdeling is niet gebleken dat het standpunt van verweerders, dat het gebied niet meer fungeert als broedplaats voor weidevogels – en dus ook niet meer behoeft te worden uitgegaan van een te beschermen natuurkerngebied voor weidevogels - onjuist is. Het betoog van appellanten dat de bescherming van de natuurwaarden op het voormalige vliegveld, in het bijzonder de broedmogelijkheden van de grutto’s, vanwege de kans op toenemende bebouwing niet is verzekerd, leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat verweerders om die reden het beleid voor natuurkerngebieden hadden moeten toepassen. Verweerders hebben juist om te bereiken dat de op de vliegbasis aanwezige waarden worden beschermd, goedkeuring onthouden aan een deel van de bestemming die in dit plan aan de vliegbasis was toegekend. Ook overigens is niet gebleken dat de toegekende bestemming onvoldoende bescherming biedt aan de aanwezige waarden van het gebied.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van de Werkgroep Behoud de Peel/BMF is in zoverre ongegrond.

2.8. De Werkgroep Behoud de Peel/BMF hebben aangevoerd dat verweerders in de motivering van de onthouding van goedkeuring aan artikel 16, lid A, onder 2, en lid B, onder 1, van de planvoorschriften betreffende de (voormalige) vliegbasis De Peel aanwijzingen hadden moeten geven voor een planregeling gericht op het waarborgen van de vogelwaarden en de openheid van het gebied. Zij vrezen dat het terrein in de toekomst intensiever zal worden gebruikt en bebouwd, waardoor met name de grutto’s zullen verdwijnen.

2.8.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat zij met de onthouding van goedkeuring aan genoemde planvoorschriften in voldoende mate aan de belangen van appellanten tegemoet zijn gekomen.

2.8.2. Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan genoemde delen van de planvoorschriften, omdat de op de plankaart aangegeven zones binnen de bestemming “Militair terrein” niet overeenkomen met het daaromtrent in de voorschriften bepaalde.

In de motivering van hun onthouding van goedkeuring hebben verweerders de gemeenteraad voorts gewezen op dat deel van het bestreden besluit waarin verweerders met betrekking tot het gebied De Koperen/Grote Peel hebben aangegeven dat zij ervan uitgaan dat de actuele waarde van het gebied voor weidevogels in de correctieve herziening van het plan zal worden meegenomen en van een daarbij passende planologische basisbescherming zal worden voorzien.

Daarmee zijn verweerders naar het oordeel van de Afdeling voldoende aan de belangen van appellanten tegemoet gekomen. Mocht evenwel de met toepassing van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vast te stellen herziening van dit planonderdeel naar de mening van appellanten onvoldoende rekening houden met de aanwezige waarden van het gebied dan zullen zij tegen dat nieuwe plan de bestaande rechtsbeschermingsmogelijkheden kunnen aanwenden.

Gelet hierop is het beroep van de Werkgroep Behoud de Peel/BMF ook in zoverre ongegrond.

2.9. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre geen bouwblok is toegekend aan zijn perceel [locatie sub 2]. Hij wil op dit perceel een paardenhouderij met KI-station en een boomkwekerij beginnen.

2.9.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan op dit onderdeel in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben in aanmerking genomen dat op het perceel al vele jaren geen agrarische activiteiten worden uitgeoefend, in het voorheen geldende plan evenmin een agrarisch bouwblok was opgenomen, de aanwezige boerderij onbewoonbaar is en de bewoning van de stacaravan op het perceel door de inmiddels overleden tante van appellant reeds vóór de tervisielegging van het ontwerpplan was beëindigd. Zij onderschrijven het beleid van de gemeenteraad om nieuwvestiging van agrarische bedrijven zoveel mogelijk te laten plaatsvinden in vrijkomende agrarische bebouwing.

2.9.2. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat reeds ten tijde van het voorheen geldende plan ter plaatse geen agrarische bedrijfsbebouwing meer aanwezig was en dat er bedrijfsmatig geen agrarische activiteiten meer werden verricht. Verweerders zijn bij hun besluitvorming dan ook terecht uitgegaan van de wens tot het vestigen van een nieuw bedrijf ter plaatse.

Zodanige vestiging is evenwel, naar de Afdeling is gebleken, in strijd met zowel het gemeentelijke als het provinciale beleid om de vestiging van nieuwe agrarische en agrarisch verwante bedrijven zoveel mogelijk te laten plaatsvinden in vrijkomende agrarische bebouwing. De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid onredelijk te achten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd behoefden verweerders geen aanleiding te zien van hun beleid af te wijken.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.10. [appellant sub 3] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben gehecht aan het plan, in zoverre aan hun perceel aan de [locatie sub 3], met daarop een hoogstamboomgaard met vlindertuin en kikkerpoel, de bestemming “Natuur- en bosgebied” is toegekend. Zij betogen dat deze bestemming het gebruik en het beheer van hun perceel beperkt en de waarde ervan vermindert.

2.10.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de bestemming recht doet aan de bestaande situatie en geen bestemming als cultuurgrond rechtvaardigt.

2.10.2. De gronden met de bestemming “Natuur- en bosgebied” zijn ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurwaarden, alsmede van landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en waterhuishoudkundige waarden met een zo sterk mogelijke ecologische en ruimtelijke samenhang, voor op deze waarden afgestemde bosbouw voor zover het bestaand bos betreft en voor extensief recreatief gebruik.

Het perceel ligt in een bosgebied en is sinds 1995 in gebruik als hoogstamboomgaard (voor eigen gebruik). De ondergroei is ingericht als vlindertuin. Op het westelijke deel is een kikkerpoel. Appellanten beheren het perceel volgens zogenoemde geïntegreerde biologische principes.

Uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat het gebruik van de grond valt binnen de doeleindenomschrijving van de toegekende bestemming.

Voor het omploegen van het perceel, dat ongeveer eens in de drie jaar dient plaats te vinden, is in beginsel een aanlegvergunning nodig, maar dit vereiste geldt niet voor normaal onderhoud en beheer. Ook gaan appellanten zeer terughoudend om met het gebruik van meststoffen.

Voorts hebben verweerders betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de toegekende bestemming de omschakeling verhindert naar een boom- en fruitteeltbedrijf. Een dergelijke ontwikkeling in dit bosgebied hebben verweerders, gelet op het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting, niet aanvaardbaar kunnen achten.

De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

2.11. [appellant sub 5] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre aan zijn perceel aan de [locatie sub 5] geen agrarisch bouwblok is toegekend. Hij wil een bedrijfswoning en een loods bij zijn boomkwekerij bouwen.

2.11.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien dit planonderdeel in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij onderschrijven het gemeentelijke beleid om de vestiging van een nieuw, agrarisch bouwblok alleen toe te staan aan een volwaardig agrarisch bedrijf, indien de maatschappelijke noodzaak daartoe kan worden aangetoond en tevens hergebruik van vrijkomende locaties niet mogelijk is. Zij stellen zich op het standpunt dat ten tijde van hun besluit het boomkwekerijbedrijf van appellant nog niet volwaardig was en dat geen dan wel onvoldoende onderzoek was gedaan naar het beschikbaar zijn van vrijkomende agrarische locaties.

2.11.2. De Afdeling ziet geen aanleiding het beleid van de gemeenteraad en verweerders onredelijk te achten.

Ten aanzien van de vraag of verweerders in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden, overweegt de Afdeling dat appellant de varkenshouderij, die hij op het (nabij gelegen) perceel [locatie] had, heeft beëindigd in verband met de aanleg van het industrieterrein ”Wolfsveld”. Appellant heeft zijn bedrijfsgronden verkocht aan een projectontwikkelaar en is op het perceel aan de [locatie sub 5] een boomkwekerij begonnen. Ten tijde van het besluit omtrent goedkeuring voldeed appellant nog niet aan de norm voor een volwaardig boomkwekerijbedrijf. Daarvan zal blijkens het deskundigenbericht mogelijk sprake zijn, nadat appellant in 2002 aansluitend aan de [locatie sub 5] ruim 3.60 ha grond heeft gepacht. Het gemeentebestuur heeft de bereidheid uitgesproken dan een procedure op grond van artikel 19 van de WRO te beginnen om de bouwplannen van appellant mogelijk te maken. Onder deze omstandigheden hebben verweerders bij het nemen van het besluit omtrent goedkeuring aan hun beleid kunnen vasthouden.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

2.12. [appellant sub 8] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre het de omvang en situering van het bouwblok op zijn perceel [locatie sub 8] betreft. Dit bouwblok is kleiner dan in het voorheen geldende plan en maakt het hem onmogelijk zijn varkenshouderij tot een gesloten bedrijf om te bouwen en te voldoen aan de strengere eisen op het gebied van dierenwelzijn. Ook wil hij op voldoende afstand van de dichtstbijzijnde burgerwoningen kunnen bouwen en niet worden belemmerd in zijn campingactiviteiten.

Voorts bestrijdt appellant de goedkeuring van het plan, in zoverre aan zijn gronden de bestemming “Agrarisch gebied met bijzondere waarden” en de aanduiding “oude akker” is toegekend. Hij stelt dat die bijzondere waarde niet aanwezig is en het aanlegvergunningvereiste derhalve niet nodig is. Dit aanlegvergunningvereiste beperkt hem onnodig in zijn bedrijfsvoering.

Ook bestrijdt appellant de goedkeuring van het plan, in zoverre de in de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbepaling voor vergroting en vormverandering is goedgekeurd. Hij stelt dat een objectief toetsingscriterium in dit voorschrift ontbreekt, nu onduidelijk is wat onder een “groene erfinrichting” moet worden verstaan. Daarnaast acht hij de voorgeschreven omvang van de groene erfinrichting (25% van het in gebruik zijnde bestemmingsvlak) onnodig beperkend en te star.

2.12.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien deze planonderdelen in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen dat appellant een bouwblok op maat is toegekend dat in beginsel voldoende is voor een normale bedrijfsvoering gedurende de planperiode. Indien in de toekomst mocht blijken dat appellant een ruimer bouwblok nodig heeft, dan voorziet het plan in een wijzigingsbevoegdheid.

De aanduiding “oude akker” is onder meer aan de gronden van appellant toegekend, aldus verweerders, omdat deze gronden nog de kenmerken dragen van een voorheen aanwezige bolle akker, namelijk de aanwezigheid van reliëf, een hoge ligging ten opzichte van de omgeving, openheid, een dikke eerdlaag en randbegroeiing. Verweerders achten deze gebieden, die zijn afgeleid van de bodemkaart 1981 nog steeds waardevol vanuit cultuurhistorisch en archeologisch oogpunt. Een verstoring van het bodemprofiel, zonder dat daartoe een afweging van belangen plaatsvindt, kan naar de mening van verweerders onevenredige gevolgen hebben voor deze waarden.

2.12.2. Het bouwblok dat appellant in dit plan is toegekend, omvat blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, de bestaande bebouwing. Het biedt nog enige ruimte voor uitbreiding. Het is ten opzichte van het vorige plan verkleind met het deel dat verder dan de aanliggende percelen in het gebied met de aanduiding “oude akker” lag. Niet gebleken is dat appellant concrete bouwplannen had, die niet binnen het bouwblok kunnen worden gerealiseerd. Ook anderszins heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het toegekende bouwblok geen bouwblok op maat is noch dat het door hem aangevoerde verweerders ertoe had moeten brengen hem in afwijking van hun beleid een groter bouwblok toe te kennen.

2.12.3. De aanduiding “oude akker” is aan de gronden toegekend op basis van een bodemkaart uit 1981. Weliswaar is een deel van de oude akkers in de ruilverkaveling geëgaliseerd en diepgewoeld, maar de Afdeling is niet gebleken dat het standpunt van de gemeenteraad dat desondanks het diepste deel van het esdek in de ondergrond nog wel gespaard is gebleven, onjuist is. Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat de beleving van deze landschapswaarde bij de percelen van appellant met name vanuit de richting Esp (noordwestelijke richting) nog authentiek aanwezig is. De in landschappelijk, cultuurhistorisch, archeologisch en aardkundig opzicht waardevol te achten “oude akker” kan blijkens het deskundigenbericht teniet worden gedaan door het ophogen, afgraven, vergraven en egaliseren van de bodem.

De Afdeling is niet gebleken dat dit standpunt onjuist zou zijn. Gelet hierop is het verbinden van deze werkzaamheden aan een aanlegvergunning, niet onredelijk te achten. Hieraan kan niet afdoen dat volgens een door appellant overgelegd rapport van Archol Archeologisch onderzoek Leiden B.V., de ondergrond van het perceel van appellant flink is verstoord. Dit rapport geeft alleen de situatie op vier plaatsen op het perceel van appellant weer.

Niet aannemelijk is voorts dat het aanlegvergunningvereiste voor diepwoelen en diepploegen (dieper dan 0.40 m) tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden. Weliswaar heeft appellant aangevoerd dat voor de teelt van asperges tot 1 m diepte moet worden geploegd, maar verweerders hebben het standpunt kunnen innemen dat deze ingrijpende, agrarische werkzaamheden die het bodemarchief onherstelbaar kunnen beschadigen en de daarin opgeslagen informatie verloren kunnen doen gaan, geen werkzaamheden zijn die tot het normale onderhoud behoren. Bovendien behoeft de behandeling van een aanvraag, gelet op de verklaringen ter zitting, niet tijdrovend te zijn.

2.12.4. De in artikel 27, lid A, dat verwijst naar artikel 28.1.3., opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor vergroting of vormverandering van het agrarisch bouwblok bevat de voorwaarde dat een groene erfinrichting aanwezig dient te zijn met een omvang van 25% van het in gebruik zijnde bestemmingsvlak. Blijkens artikel 1, lid 31, wordt in dit plan onder een “groene erfinrichting” verstaan een al dan niet afschermende beplanting en andere groenelementen, zoals onder andere een poel of een vlinderweide, binnen of direct aansluitend op het bouwblok van een agrarisch bedrijf of een erf van een ander bedrijf of een woning. Daarmee is deze wijzigingsbepaling, wat dit onderdeel betreft, voldoende door een objectieve norm begrensd. Dat deze beplantingseis onnodig beperkend of te star is, is de Afdeling niet gebleken.

2.12.5. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op deze onderdelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 8] is voor het overige ongegrond.

2.13. [appellant sub 9] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre aan zijn gronden aan de [locatie sub 9] de medebestemming “Archeologisch waardevol terrein” is toegekend. Hij stelt dat deze medebestemming hem teveel beperkt in het agrarische gebruik van zijn gronden (melkrundveehouderij). Hij bestrijdt de archeologische waarde van het gebied.

Ook vreest hij schade aan zijn gewassen als gevolg van vernatting van zijn gronden, indien de slootpeilen in het gebied worden verhoogd met het oog op natuurontwikkeling.

2.13.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien deze plandelen in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben in aanmerking genomen dat het gebied op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden met een middelhoge verwachtingswaarde is aangeduid en dat in 1972 nabij de woning van appellant vondsten uit het mesolithicum zijn gedaan. Gezien de vondsten uit het verleden, de bodemsoort (enkeerd- of esdekgronden) en de verwachte archeologische waarde, achten verweerders de medebestemming “Archeologisch waardevol terrein” aanvaardbaar.

Ten aanzien van de vrees voor vernatting, wijzen verweerders erop dat het aanleggen van drainage een oplossing kan bieden.

2.13.2. De gronden op de plankaart aangewezen voor “Archeologisch waardevol gebied”, zijn daarmee (mede)bestemd voor de bescherming van in deze gronden aanwezige archeologische sporen.

Voor zover deze medebestemming een deel van het bouwblok van appellant betreft, geldt ingevolge artikel 21, lid B, een verbod deze gronden te bebouwen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling van dit verbod te verlenen, indien het archeologisch belang zich niet hiertegen verzet en vooraf een deskundig advies is ingewonnen bij de heemkundekringen in de gemeente en de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek.

Voor zover de medebestemming ziet op een 20 tot 80 meter brede strook achter het bouwblok, geldt, dat voor een aantal, in lid C genoemde werkzaamheden, waaronder het diepwoelen of diepploegen van de bodem en het aanleggen van drainage – dieper dan 0.40 m – , een aanlegvergunning is vereist.

2.13.2.1. Het standpunt van verweerders dat het gebied te beschermen archeologische waarden kan bevatten, acht de Afdeling niet onredelijk gelet op de verwachtingswaarde die de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek van het gebied heeft en de in het verleden ter plaatse gedane vondsten. Dat deze waarden door de ophoging en verharding van een gedeelte van het bouwblok (in 1976) en door de ruilverkaveling geheel zouden zijn verdwenen, acht de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aangetoond. Voorts is aannemelijk dat bouwwerkzaamheden en werkzaamheden als diepwoelen en diepploegen en het aanleggen van drainage het bodemarchief onherstelbaar kunnen beschadigen en de daarin opgeslagen informatie verloren kunnen doen gaan. Het opnemen in het plan van een bouwverbod gekoppeld aan een vrijstellingsprocedure dan wel een aanlegvergunningvereiste geeft het gemeentebestuur de mogelijkheid na te gaan in hoeverre archeologische waarden door die werkzaamheden worden bedreigd en biedt het de mogelijkheid zonodig voorwaarden stellen. Dat het volgen van deze procedure een onevenredige belemmering voor de agrarische bedrijfsvoering vormt, is de Afdeling niet gebleken. Het gebied met de medebestemming betreft slechts een klein deel van de gronden van appellant. Voorts kan het met een aanvraag gemoeide tijdsbeslag blijkens het verhandelde ter zitting beperkt blijven tot enkele dagen. Bovendien heeft het gemeentebestuur zich bereid verklaard met appellant een convenant te sluiten over onderhoud en beheer, waardoor in de praktijk geen aanlegvergunning noodzakelijk behoeft te zijn.

2.13.3. Voor zover appellant vreest voor schade aan zijn gewassen als gevolg van vernatting, indien de slootpeilen in het gebied worden verhoogd met het oog op natuurontwikkeling, blijkt uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, dat veel agrariërs in het plangebied in toenemende mate kampen met verdroging en dat daarom het gemeentebestuur het voornemen heeft het water langer in het plangebied vast te houden. Uitvoering van dit voornemen betekent dat in droge gebieden sloten zullen verdwijnen of zullen worden verkleind/versmald en dat in de lager gelegen gebieden – waarin het perceel van appellant ligt – sloten zullen worden aangelegd of verruimd of opnieuw gedraineerd.

Naar hiervoor onder 2.5.3. is overwogen, is voor dergelijke werkzaamheden een aanlegvergunning vereist. Appellant kan zonodig een aanlegvergunning aanvragen voor het opnieuw draineren van zijn gronden dan wel gebruik maken van de rechtsbeschermingsmogelijkheden die de wet biedt, indien hij van mening is dat afgifte van een aanlegvergunning elders in het gebied vernatting van zijn perceel tot gevolg heeft. Daarmee zijn de belangen van appellant naar het oordeel van de Afdeling voldoende gewaarborgd.

2.13.4. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op deze onderdelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond

2.14. [appellant sub 10] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre het de omvang betreft van het bouwblok op zijn perceel [locatie sub 10]. Hij stelt dat dit geen enkele ontwikkelingsmogelijkheid biedt voor zijn fok- en mestvarkensbedrijf. Hij doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.14.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien dit planonderdeel in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben in aanmerking genomen dat de omvang van het bouwblok gelijk is aan dat in het voorheen geldende plan en dat appellant geen concreet bouwplan kenbaar heeft gemaakt dat het toekennen van een groter bouwblok rechtvaardigt.

2.14.2. Beleidsmatig gaan verweerders er vanuit dat een bouwblok van 1 ha, met een uitbreidingsmogelijkheid tot 1,5 ha, in het algemeen voldoende is voor de continuïteit van een gewone, agrarische bedrijfsvoering. Het aan appellant toegekende bouwblok beslaat 0.77 ha.

Voorts blijkt uit het bestreden besluit dat de omvang van de toegekende bouwblokken in beginsel is afgestemd op de bestaande bedrijfsvoering, waarbij tevens nog redelijke uitbreidingsmogelijkheden zijn geboden.

Het bouwblok van appellant is blijkens het deskundigenbericht strak om de bestaande bedrijfsgebouwen getrokken en de kleine, onbebouwde ruimte in het zuidelijk deel van het bouwblok is volgens het deskundigenbericht niet doelmatig te benutten.

Onder deze omstandigheden acht de Afdeling onvoldoende gemotiveerd dat appellant een bouwblok op maat is toegekend dat hem in staat stelt zijn bedrijf gedurende de planperiode rendabel uit te oefenen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gemeenteraad ter zitting heeft verklaard dat hij onderkent dat er in de huidige marktsituatie een duidelijke trend is naar schaalvergroting.

Het beroep van appellant is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.15. [appellant sub 12], [appellant sub 13] en de maatschap [appellant sub 14] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het plan, in zoverre het betreft de (gedeeltelijke) ligging van hun onderscheidene bouwblokken binnen het gebied met de aanduiding “Peelrandbreuk”. Dit belemmert hen zowel in de uitoefening als in een eventuele uitbreiding van hun agrarische bedrijven en zal leiden tot waardedaling.

2.15.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de Peelrandbreuk als aardkundig waardevol in de zin van het streekplan moet worden aangemerkt. Nu in het plan geen regeling met betrekking tot een omschakeling van grondgebonden naar niet-grondgebonden bedrijvigheid in aardkundig waardevol gebied is opgenomen, achten zij deze bouwblokken voorzover liggend binnen de aanduiding “Peelrandbreuk” in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.15.2. De plandelen aangeduid als “Peelrandbreuk” zijn ingevolge artikel 6, lid A, onder 5, met name waardevol als zichtbare overgang van het hogere peelgebied naar het lagere dekzandgebied, ontstaan door verschuivingen in de aardkorst, met als kenmerken reliëf, bodemprofiel en wijstgronden (hoger gelegen gronden die door opstuwing van grondwater bijna het hele jaar nat zijn).

Voor zover appellanten, ondersteund door de gemeenteraad, hebben betoogd dat ter plaatse van de bouwblokken van appellanten geen zichtbare overgang van het hogere peelgebied naar het lagere dekzandgebied waarneembaar is, stelt de Afdeling vast dat blijkens het deskundigenbericht de in evengenoemd artikellid genoemde kenmerken “bodemprofiel” en “wijstgronden” wel aanwezig zijn. Verweerders hebben zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de bestreden plandelen aardkundig waardevol zijn.

2.15.3. Het provinciale beleid als verwoord in het streekplan staat omschakeling van grondgebonden agrarische bedrijvigheid naar niet-grondgebonden bedrijvigheid in (onder meer) aardkundig waardevol gebied alleen onder bepaalde voorwaarden toe.

Niet bestreden is dat in de planvoorschriften met betrekking tot gronden aangewezen als “Agrarisch bouwblok” geen voorwaarden zijn opgenomen omtrent een omschakeling van een grondgebonden naar een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, zodat agrarische bedrijven vrijelijk kunnen omschakelen. Dit is in strijd met het beleid van verweerders. De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid onredelijk te achten.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd behoefden verweerders geen aanleiding te zien van hun beleid af te wijken.

Voor zover appellanten vrezen dat vanwege het bestreden besluit geen bouwblok opgenomen kan worden in het op grond van artikel 30 van de WRO vast te stellen, nieuwe plan, wijst de Afdeling erop dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerders bezwaren hebben tegen de in het plan voor de bedrijven van appellanten opgenomen bouwblokken als zodanig. Derhalve kan in het nieuw vast te stellen plan een bouwblok van dezelfde omvang voor de bedrijven van appellanten worden opgenomen, mits in de planvoorschriften een omschakelingsregeling als door verweerders bedoeld wordt opgenomen.

2.15.4. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze plandelen in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft deze plandelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben onthouden aan deze plandelen.

De beroepen van [appellant sub 12], [appellant sub 13] en de maatschap [appellant sub 14] zijn ongegrond.

2.16. Burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de bestemming “Natuur- en bosgebied” betreffende een perceel in het bosgebied Stippelberg. Appellanten wijzen op de voor deze bestemming geldende doeleindenomschrijving, waarin niet alleen sprake is van behoud, maar ook van herstel en ontwikkeling van waarden.

2.16.1. Verweerders hebben dit plandeel in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarbij overwogen dat het perceel in gebruik is als cultuurgrond (ingeplant met maïs), zodat de toegekende bestemming niet overeenkomt met het bestaande gebruik.

2.16.2. De gronden aangewezen voor “Natuur- en bosgebied” zijn ingevolge artikel 5, lid A, van de planvoorschriften bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en waterhuishoudkundige waarden met een zo sterk mogelijke ecologische en ruimtelijke samenhang, een op deze waarden afgestemde bosbouw voor zover het bestaand bos betreft (dus op de kaart niet aangeduid als natuurgebied) en extensief recreatief gebruik.

Het perceel ligt in een bosgebied en is blijkens verklaringen ter zitting in 1970 door een brand ontbost. In het herstelplan is volgens deze verklaringen opgenomen dat een open, niet bosterrein van 3,5 ha mocht worden opgenomen, omdat binnen dit ‘massieve’ bosgebied te weinig afwisseling en bosranden voorkwamen. Sindsdien is het perceel in gebruik als wildakker (een door het wild gebruikte voeder- en schuilplaats).

Nu ook het herstel en de ontwikkeling van natuurwaarden binnen de gegeven doeleindenomschrijving valt en er blijkens het deskundigenbericht sprake is van een duidelijke samenhang tussen dit perceel en de omliggende, beboste percelen, is de Afdeling van oordeel dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het gebruik van dit perceel niet valt binnen de toegekende bestemming “Natuur- en bosgebied”.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wat dit planonderdeel betreft wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.17. [appellant sub 18] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre aan zijn percelen [locatie sub 18a] en[locatie sub 18b] de aanduiding “oude akker” is toegekend. Hij stelt dat geen landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden aanwezig zijn. De aanduiding brengt vergaande beperkingen met zich die hem belemmeren in zijn bedrijfsvoering.

2.17.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien deze plandelen in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij onderschrijven het belang dat de gemeenteraad hecht aan oude akkergebieden vanwege hun landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden en zijn van mening dat de aanduiding terecht geheel dan wel gedeeltelijk aan deze percelen is toegekend.

2.17.2. De gronden binnen de aanduiding “oude akker” zijn ingevolge artikel 6, lid A, met name waardevol door hun cultuurhistorische patroon dat zich kenmerkt door het aanwezige reliëf, de hoge ligging ten opzichte van de omgeving, een dikke eerdlaag, een open karakter vanwege het ontbreken van zichtbare perceelsgrenzen (geen begroeiing, sloten of greppels) en beplanting alleen aan de rand.

2.17.2.1. Het perceel dat appellant in eigendom heeft aan de[locatie sub 18a] is geheel aangeduid als “oude akker” de gronden aan de [locatie sub 18b] voor tweederde deel.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat het perceel aan de [locatie sub 18a] niet of nauwelijks de kenmerken van een oude akker vertoont. Er is geen sprake van reliëf of een hogere of bolle ligging en evenmin is er sprake van een open situatie.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd waarom dit perceel is aangeduid als “open akker” en dat mitsdien het bestreden besluit voor zover het betreft het perceel aan de [locatie sub 18a] niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wat dit plandeel betreft wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.17.2.2. Het deel van de gronden aan de [locatie sub 18b] dat is aangeduid als “oude akker” heeft blijkens het deskundigenbericht wel kenmerken van een oude akker. Er is sprake van enig reliëf en ook van een open situatie. Deze waarden kunnen blijkens het deskundigenbericht teniet worden gedaan door het ophogen, afgraven, vergraven en egaliseren van de bodem. Verweerders hebben dan ook het standpunt kunnen innemen dat het verrichten van deze werkzaamheden aan een aanlegvergunning moet worden gebonden.

De Afdeling is voorts niet gebleken dat het aanlegvergunningvereiste voor het verrichten van deze werkzaamheden tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden.

Gelet hierop hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft het deel van de gronden aan de [locatie sub 18b] dat is aangeduid als “oude akker”, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan dit plandeel.

Het beroep van [appellant sub 18] is in zoverre ongegrond.

2.18. [appellant sub 17] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte aan hun onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch verwant bedrijf” betreffende zijn perceel [locatie sub 17] (ook) de motivering ten grondslag hebben gelegd dat de vestiging van een dierenpension ter plaatse niet is toegestaan. Hij betoogt dat hij sinds 1978 op dit perceel een meubelrestauratiebedrijf heeft en er thans ook een dierenpension voor kleine huisdieren wil vestigen om de rest van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen rendabel te maken. Hij beschikt over de daarvoor benodigde milieuvergunning.

2.18.1. Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan dit plandeel, omdat het op de plankaart vermelde nummer (22) dat verwijst naar het schema in artikel 9 van de planvoorschriften niet het perceel en het bedrijf van appellant aan de [locatie sub 17] betreffen. Voorts hebben zij goedkeuring onthouden, omdat de vestiging van het dierenpension is voorzien in een gebied met de aanduiding “Peelrandbreuk” dat bovendien deel uitmaakt van het primaire buitengebied en niet van een bebouwingsconcentratie. Hergebruik van het agrarische bouwblok voor dit soort activiteiten achten verweerders niet aanvaardbaar.

2.18.2. Het perceel van appellant is in het plan de bestemming “Agrarisch verwant bedrijf” toegekend. Daarmee is op deze gronden blijkens artikel 9, lid A, onder 1, van de planvoorschriften uitsluitend de bedrijfsvorm toegestaan, welke in de bijbehorende kolommen voor die locatie is aangegeven.

Het bestemmingsvlak is voorzien van de aanduiding “22”. Het schema in artikel 9 van de voorschriften vermeldt bij dit nummer het adres “Ravensgat 8” en de bedrijfsvorm “Loonwerkbedrijf”. Derhalve niet het adres en de bedrijfsvorm die op appellant betrekking hebben. Uit de overwegingen van verweerders kan niet worden afgeleid dat verweerders bezwaar hebben tegen het als zodanig bestemmen van de ter plaatse sinds 1987 plaatsvindende meubelrestauratie werkzaamheden. De bezwaren van verweerders richten zich tegen de vestiging van een dierenpension op dit perceel.

2.18.2.1. Verweerders merken een dierenpension aan als een aan de agrarische sector verwante bedrijvigheid.

Het provinciaal beleid staat de vestiging van aan de agrarische sector verwante bedrijvigheid toe in een vrijkomende, in een bebouwingsconcentratie liggende, agrarische bedrijfsbebouwing, indien deze bebouwing vrijkomt door bedrijfsbeëindiging, sanering in redelijkheid niet kan worden verlangd en herbezetting met een agrarisch bedrijf of een andere aan het buitengebied gebonden functie niet mogelijk is. Daarbij gelden onder meer de voorwaarden dat de cultuurhistorische, landschappelijke of natuurlijke waarden geen geweld mogen worden aangedaan en de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven niet mogen worden beknot. Onder bebouwingsconcentratie verstaan verweerders een door een besluit van de gemeenteraad aangegeven kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebied- en niet-buitengebied functies.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid onredelijk te achten.

2.18.2.2. Onbestreden is dat appellant tot 1987 ter plaatse een varkenshouderij heeft uitgeoefend en dat sindsdien een groot deel van de agrarische bebouwing leeg staat. De vertegenwoordiger van de gemeenteraad heeft ter zitting onweersproken verklaard dat het perceel in een bebouwingsconcentratie ligt, buiten de groene hoofdstructuur. De landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied worden volgens het deskundigenbericht door de vestiging van een dierenpension niet aangetast, nu slechts een inpandige verbouwing van de voormalige varkensstal nodig is en geen uitbreiding van de bebouwing. Voorts is gesteld noch gebleken dat de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven door de vestiging van een dierenpension kunnen worden beknot.

2.18.2.3. Nu bovendien reeds jarenlang activiteiten in de vorm van meubelrestauratie op dit perceel worden verricht, die niet aan het buitengebied zijn gebonden, hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderzocht of – zo de vestiging van een dierenpension al in strijd is met het provinciaal beleid – afwijking van het beleid in dit geval niet in de rede kan liggen.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, in zoverre aan de onthouding van goedkeuring ook de motivering ten grondslag is gelegd dat de vestiging van een dierenpension ter plaatse niet is toegestaan, in strijd is met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 17] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Nu de onthouding van goedkeuring voor het overige – doordat zij niet is bestreden - in stand kan blijven, ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring aan dit plandeel te onthouden.

2.19. Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het plan, in zoverre het betreft het zuidelijk gedeelte van hun gronden [locatie sub 7], achter de burgerwoning, waaraan in het plan de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” is toegekend. Zij bestrijden dat daar bos aanwezig is. Zij hebben dit deel ook in gebruik voor bedrijfsdoeleinden.

2.19.1. Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan dit plandeel met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf”, omdat op dit deel van het bestemmingsvlak bos staat.

2.19.2. Ter zitting hebben verweerders verklaard dat zij zich hebben vergist en dat zij ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan dit plandeel.

Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gevormd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het beroep van Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op de verklaring van verweerders ter zitting en op de omstandigheid dat tegen dit plandeel geen bedenkingen waren ingediend, ziet de Afdeling aanleiding alsnog goedkeuring te verlenen aan dit plandeel.

2.20. [appellanten sub 11] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming “Niet–agrarisch bedrijf” met de aanduiding “autosloperij annex garagebedrijf” betreffende het noordelijke deel van hun perceel [locatie sub 11]. Zij stellen dat de binnen het bestemmingsvlak staande loodsen niet illegaal zijn gebouwd en dat het bedrijfscomplex met medewerking dan wel medeweten van de overheid tot stand is gekomen, zodat hun met het oog op een rendabel voortbestaan van hun bedrijf een reële uitbreidingsmogelijkheid moet worden geboden.

2.20.1. Verweerders hebben dit plandeel in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben overwogen dat het bestemmingsvlak overeenkomt met dat in een eerder plan, waaraan zij in maart 1989 goedkeuring hebben onthouden, omdat het een ruime verdubbeling van het bedrijf inhield. Deze uitbreiding strookt nog steeds niet met hun beleid. Verweerders stellen zich op het standpunt dat appellanten met de twee loodsen, die illegaal zijn gebouwd maar met dit plan als zodanig worden bestemd, een voldoende uitbreidingsmogelijkheid is gegeven. Nu een deel van het bestemmingsvlak niet voor bedrijfsdoeleinden wordt benut, dit deel onbebouwd is en in het gebied met de medebestemming “Archeologisch waardevol gebied” ligt, hebben verweerders aan dit deel van het bestemmingsvlak goedkeuring onthouden.

2.20.2. De bedrijfsgronden van appellanten zijn in het plan opgenomen met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” met de aanduiding “autosloperij annex garagebedrijf”. Met deze bestemming is het bedrijf als zodanig opgenomen in het plan. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijf niet kan worden aangemerkt als een bedrijf dat functioneel aan het buitengebied gebonden is.

Uit het streekplan volgt dat het provinciaal beleid erop is gericht verdere verstening van het buitengebied te voorkomen door uitbreiding en nieuwvestiging van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing tegen te gaan. Niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijven horen gezien uitstraling en milieuhygiënische overwegingen thuis op een bedrijventerrein. Het beleid is er dienaangaande primair op gericht dat niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid wordt gesaneerd. Slechts indien dat niet mogelijk is gebleken en een positieve bestemming tot de mogelijkheden behoort, gezien de ligging ten opzichte van de andere functies en waarden in de omgeving, kan voor een bestaand bedrijf een positieve bestemming worden opgenomen waarbij tevens een redelijke uitbreidingsmogelijkheid kan worden geboden. In zijn algemeenheid wordt voor een redelijke uitbreiding een percentage van 10-15% gehanteerd. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

2.20.2.1. Het deel van het bestemmingsvlak waaraan verweerders goedkeuring hebben verleend, omvat de bestaande bedrijfsbebouwing, maar dat biedt blijkens het deskundigenbericht, vanwege de omvang en situering van de gebouwen, geen uitbreidingsmogelijkheid. De stelling van verweerders dat appellanten met het opnemen in het plan van de twee, illegaal gebouwde loodsen een voldoende uitbreidingsmogelijkheid is geboden, acht de Afdeling niet aannemelijk. Deze loodsen zijn reeds in 1986 gebouwd, waarvan overigens in elk geval één met vergunning, zodat van een uitbreidingsmogelijkheid voor de komende planperiode geen sprake is.

Voorts blijkt uit het deskundigenbericht en de verklaring van het gemeentebestuur dat, anders dan verweerders stellen, het deel waaraan verweerders goedkeuring hebben onthouden al jarenlang voor bedrijfsdoeleinden (stalling van autowrakken) in gebruik is en dat daartegen niet zal worden opgetreden. Toekenning van de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” als voorzien in dit plan, zal bovendien blijkens het deskundigenbericht gelet op dit jarenlange gebruik, geen aantasting van de aanwezige waarden opleveren.

Derhalve hebben verweerders onvoldoende gemotiveerd waarom appellanten niet overeenkomstig het provinciale beleid een redelijke uitbreidingsmogelijkheid in dit plan kan worden toegekend en zijn verweerders bovendien – wat betreft het gebruik van het terrein – uitgegaan van een onjuiste feitelijke situatie.

2.20.2.2. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering en bovendien is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellanten sub 11] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 en met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd

2.21. [locatie sub 16] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte niet tevens aan de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied” betreffende het perceel [locatie sub 16] de motivering ten grondslag hebben gelegd dat zijn loodgietersbedrijf en de aanwezige loodsen voor dit loodgietersbedrijf als zodanig moeten worden bestemd. Appellant heeft betoogd dat de toegekende bestemming niet uitvoerbaar zal zijn.

2.21.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat appellant op dit perceel geen loodgietersbedrijf uitoefent. Zij baseren zich op een tweetal verkenningen ter plaatse, op de omstandigheid dat appellant niet over een milieuvergunning beschikt, een vestiging op het bedrijventerrein Hilakker heeft en niet als loodgietersbedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Niettemin hebben verweerders goedkeuring onthouden aan de bestemming “Agrarisch gebied”, omdat zij van mening zijn dat de gemeenteraad wat betreft de op het perceel aanwezige burgerwoning onzorgvuldig tewerk is gegaan door zich niet op de hoogte te stellen van alle in het geding zijnde belangen.

2.21.2. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat op het perceel drie, bouwvallige, voormalige agrarische bedrijfsgebouwtjes staan, die gebruikt worden voor de opslag van loodgietersmaterialen. In de woning is een kantoortje ingericht. Op het perceel vinden geen loodgieterswerkzaamheden plaats. Onder deze omstandigheden konden verweerders het standpunt innemen dat ter plaatse geen loodgietersbedrijf is gevestigd.

Voorts is, naar hiervoor onder 2.20.2 is overwogen, het provinciale beleid om niet aan het buitengebied gebonden functies zoveel mogelijk daaruit te weren en nieuwvestiging tegen te gaan, niet onredelijk.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, behoefden verweerders geen aanleiding te zien van hun beleid af te wijken. Verweerders hebben ter zitting verklaard dat appellant ook zonder bedrijfsbestemming de vervallen opstallen mag vervangen en dat enige opslag van materiaal, als ondergeschikt aan het wonen, een eventuele woonbestemming niet in de weg behoeft te staan.

2.21.3. Gezien het vorenstaande behoefden verweerders aan de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarisch gebied” betreffende het perceel van appellant niet ook de motivering ten grondslag leggen dat ter plaatse de vestiging van een loodgietersbedrijf dient te worden toegestaan. Het beroep van [locatie sub 16] is derhalve ongegrond.

2.22. [appellant sub 4] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre haar woning aan de [locatie sub 4] niet als zodanig is bestemd. Appellante doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en verwijst daartoe naar een brief van het gemeentebestuur van 16 september 1996.

2.22.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen zich op het standpunt dat sprake is van een voormalige agrarische opstal die voor woondoeleinden wordt aangewend, maar die niet voldoet aan de eisen die aan een woning gesteld moeten worden en ook wat verschijningsvorm betreft niet geschikt is voor bewoning.

2.22.2. Binnen het op de plankaart aangegeven vlak met de bestemming “Burgerwoning” staan blijkens de stukken een voormalige, agrarische bedrijfswoning op het adres [locatie sub 4] en een zonder bouwvergunning, in de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gerealiseerde woning [locatie sub 4]. Laatstgenoemde woning omvat blijkens het deskundigenbericht een huiskamer met keuken, twee slaapkamers, sanitair en een opslagruimte. Het heeft een eigen oprit en tuin.

In artikel 1, onder 69, van de planvoorschriften wordt een woning gedefinieerd als een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat op het adres [locatie sub 4] geen volwaardige woning aanwezig is onjuist.

2.22.2.1. Ingevolge artikel 14, lid A, onder 1, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen als “Burgerwoning” bestemd voor woondoeleinden in de vorm van instandhouding en herbouw van de aanwezige burgerwoningen. Voorts mag ingevolge lid B, onder 3, van dit artikel binnen elk op de plankaart afzonderlijk aangeduid bestemmingsvlak slechts één woning aanwezig zijn.

Nu binnen het plandeel twee volwaardige woningen staan, is rechtsonzeker welke woning in het plan als zodanig is bestemd. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan niettemin goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

2.23. De N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre langs haar leidingen in het plangebied geen veiligheidszone is opgenomen als voorzien in de circulaire “Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie” van het ministerie van VROM.

Voorts ontbreekt naar de mening van appellante in het plan de mogelijkheid schakelgebouwtjes te plaatsen.

2.23.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen zich op het standpunt dat in het plan een belemmeringszone is voorzien en dat het niet nodig is een toetsingszone in het plan op te nemen, omdat het plan geen ontwikkelingen mogelijk maakt als genoemd in de door appellante aangehaalde circulaire. Het recreatiebedrijf De Kanthoeve betreft een bestaande situatie, aldus verweerders.

Wat het oprichten van schakelgebouwtjes betreft, stellen verweerders zich op het standpunt dat de planvoorschriften zich daartegen niet verzetten.

2.23.2. Appellante exploiteert twee olieleidingen van Rotterdam naar Venlo, die onder meer door het plangebied lopen. Aan deze leidingen is in het plan de medebestemming “Leidingen” en de aanduiding “leiding ondergronds” toegekend. Artikel 22, lid B, onder 1, bepaalt dat aan weerszijden van deze leidingen een belemmeringszone geldt van 10 m. Voor de gronden met deze aanduiding geldt met inbegrip van de belemmeringszone, een bouwverbod.

Voorts dient blijkens de circulaire van het ministerie van VROM “Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie” een bebouwingsafstand in acht te worden genomen tussen het hart van een leiding en woonbebouwing, een bijzonder object (school, ziekenhuis of winkelcentrum), een recreatieterrein of een industrieterrein. Deze (voor de specifieke situatie te berekenen) afstand is volgens het deskundigenbericht voor een K1-leiding van 12 inch – als hier aanwezig –meer dan 16 m.

Ook beveelt de genoemde circulaire van VROM een afstand tussen de leiding en woonbebouwing, bijzondere objecten, recreatieterreinen en industrieterreinen aan, waarbinnen getoetst dient te worden of genoemde bebouwing toelaatbaar is. Volgens het deskundigenbericht zal deze toetsingsafstand in het geval van de K1-leidingen van appellante groter zijn dan 55 respectievelijk 65 m die voor een K2- respectievelijk K3-leiding gelden.

2.23.3. Binnen genoemde afstanden van de leidingen van appellante ligt – zo is de Afdeling gebleken – de camping “De Kanthoeve”. Deze camping met recreatieve bebouwing ligt op minder dan 5 m van die leidingen.

De gronden van deze camping zijn in het plan opgenomen met de bestemming “Recreatiebedrijf” en met de aanduiding “Recreatiepark met café-restaurant”. De in de planvoorschriften opgenomen bebouwingsregeling voor gronden met deze bestemming staat het (opnieuw) bouwen van recreatiewoningen binnen de bebouwingsafstand en de toetsingsafstand zonder meer toe in afwijking van de genoemde VROM circulaire.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd dat het opnemen van een bebouwingsvrije zone en een toetsingszone in artikel 22, lid B, onder 1, sub a, van de planvoorschriften niet nodig is.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.23.4. Omtrent het betoog van appellante dat het plan het oprichten van schakelgebouwtjes niet toestaat, stelt de Afdeling vast dat artikel 22, lid B, onder 2, sub a, burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft vrijstelling te verlenen van het binnen de aanduiding “leiding ondergronds” en de belemmeringszone geldende bouwverbod voor het bouwen van bouwwerken als toegestaan ingevolge de ter plaatse mede aangewezen bestemming, indien de belangen van de leiding(en) zich hiertegen niet verzetten en vooraf advies is ingewonnen van de beheersinstantie van de desbetreffende leidingen. Hoewel deze bepaling de indruk wekt dat vrijstelling alleen kan worden overwogen ten dienste van de medebestemming niet zijnde “Leidingen”, staat de redactie van deze bepaling naar het oordeel van de Afdeling niet in de weg aan het gebruik maken van deze bepaling ook voor het verlenen van vrijstelling voor het oprichten van schakelgebouwtjes ten behoeve van de medebestemming “Leidingen”. Dit heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van dit planvoorschrift ook beoogd.

Ook anderszins is de Afdeling niet gebleken dat het plan zich verzet tegen het oprichten van schakelgebouwtjes langs de leidingen van appellante.

Gelet hierop hebben verweerders zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij is in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.24. Ten aanzien van [appellant sub 10], [appellant sub 18], [appellant sub 17], Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7], [appellanten sub 11], [appellant sub 4], en [partij]k dienen verweerders op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel en de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart niet-ontvankelijk:

- het beroep van [appellant sub 1] en

- de beroepsgrond van [appellant sub 8] betreffende het aanlegvergunningvereiste voor het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 10], burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel, [appellant sub 17], Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7], [appellanten sub 11], en [appellant sub 4] geheel en de beroepen van [appellant sub 18] en de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 28 september 1999, BG 601299, voorzover het betreft

a. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Agrarisch bouwblok” betreffende het perceel [locatie];

b. de goedkeuring van het plandeel met de aanduiding “oude akker” betreffende een perceel aan de [locatie], als nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart A;

c. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming Natuur- en bosgebied” betreffende het perceel in het bosgebied Stippelberg;

d. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch verwant bedrijf” betreffende het perceel [locatie sub 17];

e. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” betreffende het zuidelijke gedeelte van het perceel [locatie sub 7];

f. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” met de aanduiding “autosloperij annex garagebedrijf” betreffende het noordelijke deel van het perceel [locatie sub 11];

g. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Burgerwoning” betreffende het perceel [locatie sub 4];

h. de goedkeuring van artikel 22, lid B, onder 1, sub a;

IV. onthoudt goedkeuring aan

- het plandeel met de bestemming “Agrarisch verwant bedrijf” betreffende het perceel [locatie sub 17];

- het plandeel met de bestemming “Burgerwoning” betreffende het perceel [locatie sub 4] en 4a;

V. verleent goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” betreffende het zuidelijke gedeelte van het perceel [locatie sub 7];

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de onder III, aanhef en onder d., e. en g vermelde onderdelen van het vernietigde besluit;

VII. verklaart de beroepen van de Werkgroep Behoud de Peel/BMF, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellant sub 13], de maatschap [appellant sub 14], en van [locatie sub 16] geheel en van [appellant sub 8], [appellant sub 18], en de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten ten aanzien van:

- [appellant sub 10], [appellant sub 18], [appellant sub 17], Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7], [appellanten sub 11], afzonderlijk tot een bedrag van € 644,00, dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 4], tot een bedrag van € 128,46 en

- [partij] tot een bedrag van € 203,28;

deze bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan genoemde (rechts)personen;

IX. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 10], [appellant sub 18], [appellant sub 17], [appellanten sub 11], en [appellant sub 4], afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt en aan burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel, Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7], en de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen , Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Nolles

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

291-.