Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
199900464/1, 200101478/1 en 200104033/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

199900464/1, 200101478/1 en 200104033/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], gevestigd te [woonplaats],

4. de stichting “Stichting Het Groninger Landschap”, gevestigd te Groningen,

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellanten sub 7], wonend te [woonplaats],

8. de vereniging “Nieuwe Communistische Partij Nederland”, gevestigd te Amsterdam,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

”PKF/Post B.V.”, gevestigd te Finsterwolde, (hierna: PKF/Post)

10. [appellanten sub 10], wonend te [woonplaats],

11. de vereniging “Belangenvereniging Nieuweweg en Omstreken”, gevestigd te Oostwold, (hierna: Belangenvereniging Nieuweweg)

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],

15. de vereniging “Ondernemersvereniging Oostwold”, gevestigd te Oostwold,

16. [appellanten sub 16], wonend te [woonplaats],

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. [appellanten sub 18], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Groningen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bestemmingsplan “Blauwe Stad” (hierna: bestemmingsplan)

Bij besluit van 24 september 1998 heeft de gemeenteraad van Scheemda, op voorstel van burgemeester en wethouders van 24 september 1998, vastgesteld het bestemmingsplan “Blauwe Stad”, voor zover dat betrekking heeft op gebied van de gemeente Scheemda. Bij besluit van

29 september 1998 heeft de gemeenteraad van Reiderland, op voorstel van burgemeester en wethouders van 17 september 1998, het bestemmingsplan vastgesteld, voor zover dat betrekking heeft op gebied van de gemeente Reiderland. Bij besluit van 30 september 1998 heeft de gemeenteraad van Winschoten, op voorstel van burgemeester en wethouders van 23 september 1998, het bestemmingsplan vastgesteld, voor zover dat betrekking heeft op gebied van de gemeente Winschoten. De besluiten van de gemeenteraden en de voorstellen van burgemeesters en wethouders zijn aangehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 31 maart 1999,

Nr. 98/15.150/13/A.26, RRB, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben de [appellanten sub 1], [appellanten sub 2]

[appellanten sub 3] en de Stichting Het Groninger Landschap beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Bij brief van 4 januari 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 april 2000. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Uitwerkingsplan “Blauwe Stad 2000” (hierna: uitwerkingsplan)

Bij besluiten van 19 december 2000 hebben burgemeesters en wethouders van de gemeenten Scheemda, Reiderland en Winschoten het

uitwerkingsplan “Blauwe Stad 2000” (hierna: uitwerkingsplan) vastgesteld. Elke gemeente heeft het uitwerkingsplan vastgesteld voor zover dat betrekking heeft op gebied van de betreffende gemeente. Deze besluiten zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 8 maart 2001, Nr. 2000-19.360, RRB, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 5], [appellant sub 6], de Stichting Het Groninger Landschap, [appellanten sub 8] en de Nieuwe Communistische Partij Nederland beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Bij brief van 8 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de Nieuwe Communistische Partij Nederland. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Partiële herziening “Blauwe Stad 2000” (hierna: partiële herziening)

Bij besluit van 25 januari 2001 heeft de gemeenteraad van Scheemda, op voorstel van burgemeester en wethouders van 9 januari 2001, de partiële herziening vastgesteld, voor zover deze betrekking heeft op gebied van de gemeente Scheemda. Bij besluit van 30 januari 2001 heeft de gemeenteraad van Reiderland, op voorstel van burgemeester en wethouders van 18 januari 2001, de partiële herziening vastgesteld, voor zover deze betrekking heeft op gebied van de gemeente Reiderland. Bij besluit van 31 januari 2001 heeft de gemeenteraad van Winschoten, op voorstel van burgemeester en wethouders van 19 december 2000, de partiële herziening vastgesteld, voor zover deze betrekking heeft op gebied van de gemeente Winschoten. De besluiten van de gemeenteraden en de voorstellen van burgemeesters en wethouders zijn aangehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 10 juli 2001,

Nr. 2001-2.602/28/A.13, RRB, beslist over de goedkeuring van de partiële herziening. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben de Stichting Het Groninger Landschap, PKF/Post, [appellanten sub 10], de Belangenvereniging Nieuweweg, [appellanten sub 1], [appellant sub 12], [appellanten sub 7], [appellanten sub 13],

[appellant sub 14], de Ondernemersvereniging Oostwold, [appellanten sub 16], [appellant sub 17] en [appellanten sub 18] beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van

[appellanten sub 10], de Belangenvereniging Nieuweweg, [appellant sub 12], [appellant sub 14], de Ondernemersvereniging Oostwold, [appellanten sub 16] en [appellant sub 17]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bestemmingsplan, Uitwerkingsplan, Partiële herziening

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 22 oktober 2001, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellanten sub 6] zijn niet verschenen. Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn daar gehoord het gemeentebestuur van Reiderland, vertegenwoordigd door B.J.H. Zuur, het gemeentebestuur van Scheemda, vertegenwoordigd door R.A. van der Burgh, en het gemeentebestuur van Winschoten, vertegenwoordigd door G. Löhr-Ottens. Tenslotte heeft [partij], namens het Projectbureau Blauwe Stad, het woord gevoerd.

Buiten bezwaren van partijen zijn stukken in het geding gebracht.

Ter zitting heeft de Stichting Het Groninger Landschap haar beroepen beperkt tot de beroepsgrond die is gericht tegen de infrastructuur in het westelijke deel van de Blauwe Stad.

2. Overwegingen

De beroepen tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan

Overgangsrecht

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Doel van het bestemmingsplan

2.2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een gebied met een oppervlakte van ongeveer 2000 hectare dat is gelegen in de gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten. In het plangebied, dat ook wel wordt aangeduid als “Schiereiland van Winschoten”, wordt een grootschalige functiewijziging beoogd. Hiertoe voorziet het bestemmingsplan onder andere in de aanleg van een merengebied van minimaal 800 hectare, de bouw van 1200-1800 woningen, de realisering van bedrijfsactiviteiten, recreatievoorzieningen en natuurontwikkeling.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het bestemmingsplan grotendeels goedgekeurd. Aan enkele onderdelen hebben zij goedkeuring onthouden.

Ontvankelijkheid [appellanten sub 1]

2.3. [appellanten sub 1] kan zich niet met de goedkeuring van het bestemmingsplan verenigen, omdat daarin niet is voorzien in de mogelijkheid een woning te bouwen op hun perceel aan de [locatie] te [plaats].

2.3.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de plaats waar appellante een woning wenst te bouwen 160 meter is gelegen vanaf de Nieuweweg, aan de rand van het toekomstige meer. Dit plandeel, met de bestemming “Gemengde doeleinden “Blauwe Stad” (uit te werken ex artikel 11 W.R.O.)” en de aanduiding “merengebied”, is in de partiële herziening opgenomen en heeft daarin de bestemming “Natuurgebied” en de aanduiding “dijk en talud” gekregen.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van de partiële herziening wat betreft de goedkeuring door verweerders van dit plandeel. De Afdeling heeft dit beroep, zoals hierna zal blijken bij de behandeling van de beroepen tegen het besluit tot goedkeuring van de partiële herziening, ongegrond verklaard. Ook overigens is de Afdeling bij de beoordeling van de beroepen inzake het besluit tot goedkeuring van de partiële herziening niet tot vernietiging van dit plandeel overgegaan.

Hieruit volgt dat dit onderdeel van het bestemmingsplan geen rechtskracht zal verkrijgen.

Gezien het vorenstaande is het processuele belang van appellante bij een inhoudelijke behandeling van haar beroep vervallen.

2.3.2. Het beroep van [appellanten sub 1] is niet-ontvankelijk.

Ontvankelijkheid [appellanten sub 2]

2.4. [appellanten sub 2] hebben bezwaren aangevoerd met betrekking tot twee plandelen met de bestemming “Gemengde doeleinden “Blauwe Stad” (uit te werken ex artikel 11 W.R.O.)” en de aanduiding “woongebied met randmeren”. Het betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Beerta, sectie […], nos. […], […] en […] en sectie […], no. […]. Ook hebben zij bezwaren aangevoerd ten aanzien van het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” met de aanduiding “Aw”, waar na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de aanleg van een waterweg mogelijk is.

2.4.1. De Afdeling stelt aan de hand van de plankaart vast dat de twee plandelen met de bestemming “Gemengde doeleinden “Blauwe Stad” (uit te werken ex artikel 11 W.R.O.)” en de aanduiding “woongebied met randmeren” in de partiële herziening zijn opgenomen en in dat plan zijn voorzien van de bestemming “Natuurgebied”. Ook het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” met de aanduiding “Aw” is in de partiële herziening opgenomen. Het heeft daarin de bestemming “Agrarische doeleinden” gekregen. Verweerders hebben, voor zover thans van belang, goedkeuring verleend aan deze drie onderdelen van de partiële herziening. Appellanten hebben geen beroep ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van de partiële herziening. De Afdeling heeft het besluit van verweerders tot goedkeuring van de partiële herziening, wat betreft deze drie plandelen, zoals hierna zal blijken bij de behandeling van de beroepen tegen het besluit tot goedkeuring van de partiële herziening, niet vernietigd.

Hieruit volgt dat deze drie onderdelen van het bestemmingsplan geen rechtskracht zullen verkrijgen.

Gezien het vorenstaande is het processuele belang van appellanten bij een inhoudelijke behandeling van hun beroep in zoverre vervallen.

2.4.2. Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.5. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Uitwerkingsregels te ruim

2.6. [appellanten sub 2] en de [appellanten sub 3] hebben aangevoerd dat de uitwerkingsregels van artikel 4 onvoldoende objectief zijn bepaald. Aangezien de bestemming “Gemengde doeleinden “Blauwe Stad” (uit te werken ex artikel 11 W.R.O.)” een zeer ruime doeleindenomschrijving heeft is naar hun mening volstrekt onduidelijk wat met de uitwerkingsregels wordt beoogd.

2.6.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moeten uitwerken of binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.

De Afdeling overweegt dat, anders dan ten aanzien van de wijzigingsgrenzen, waarop artikel 11, eerste lid, ook betrekking heeft, ten aanzien van uitwerkingsregels niet de eis wordt gesteld dat deze objectief zijn begrensd.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985), geeft een bestemmingsplan dat op grond van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geheel of gedeeltelijk moet worden uitgewerkt, op zodanige wijze de doelstellingen voor het uit te werken plan aan dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied.

2.6.2. Wat betreft de beantwoording van de vraag of artikel 4 op zodanige wijze de doelstellingen voor het uit te werken plan aangeeft dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied, overweegt de Afdeling het volgende.

Naarmate de gevestigde belangen in een bepaald gebied groter of talrijker zijn, dient uit een oogpunt van rechtszekerheid een groter inzicht in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat gebied te worden geboden. Een uit te werken plan dat betrekking heeft op een verstedelijkt gebied zal in het algemeen dus aan meer stringente uitwerkingsbepalingen moeten voldoen dan een uit te werken plan dat betrekking heeft op een open nieuw in te richten buitengebied.

2.6.3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de plankaart als “Gemengde doeleinden “Blauwe Stad” (uit te werken ex artikel 11 W.R.O.)” aangegeven gronden bestemd voor de aanleg en het beheer van bos, natuurgebied en een groot meer met nieuwe woon- werk- en recreatiemilieus met de daarbij behorende infrastructurele, waterstaatkundige en additionele voorzieningen, bouwwerken, werken en werkzaamheden.

Het tweede lid van artikel 4 bevat de beschrijving in hoofdlijnen, waarin voor de functies water, woningen, bedrijven, recreatie, bos en natuur en infrastructuur wordt aangegeven welke doeleinden bij de realisering van deze bestemming worden nagestreefd.

In het derde lid van artikel 4, voor zover van belang, is bepaald dat burgemeester en wethouders deze bestemming uitwerken met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen en met inachtneming van de uitwerkingsregels die onder 1, sub a tot en met d en onder 2 tot en met 13 zijn weergegeven.

In het derde lid, onder 1, sub a, voor zover van belang, is bepaald dat de gronden die zijn aangeduid als “merengebied” de minimale wateroppervlakte van het meer vormen.

In het derde lid, onder 1 sub b, voor zover van belang, is bepaald dat met betrekking tot de gronden die zijn aangeduid als “woongebied met randmeren” in de plannen van uitwerking woonbestemmingen, recreatieve functies en bedrijfsfuncties worden opgenomen. Nieuwe bedrijfsfuncties dienen samenhang te vertonen met de doeleinden die voor de Blauwe Stad-ontwikkeling worden nagestreefd. Voor een bedrijventerrein geldt dat de er te vestigen bedrijven geen onevenredige aantasting tot gevolg mogen hebben van de woonkwaliteit in de omgeving ervan, de natuur- en ecologische functies en recreatieve functies. Mits aan deze voorwaarden wordt voldaan zijn de bedrijven toegestaan die zijn opgenomen in de Staat van Bedrijven. Recreatieve voorzieningen mogen geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de woonkwaliteit in de omgeving en van de natuur- en ecologische functies. De situering van recreatieve voorzieningen zal mede moeten worden geënt op de routegebonden vormen van recreatie in en door het gebied.

In het vierde lid van artikel 4, onder 1 tot en met 7, zijn bebouwingsbepalingen opgenomen.

In het vierde lid, onder 3, is bepaald dat het aantal woningen maximaal 1800 bedraagt, waarbij de nadruk ligt op vrijstaande woningen op kavels van gemiddeld 800 m².

2.6.4. De Afdeling overweegt dat het onderhavige uit te werken gedeelte van het bestemmingsplan betrekking heeft op een open nieuw in te richten buitengebied, op grond waarvan, zoals hiervoor is overwogen, aan minder stringente uitwerkingsregels zal moeten worden voldaan.

In dit licht bezien is de Afdeling, met name gelet op het bepaalde in artikel 4, derde lid, onder 1, sub a en b, en in het vierde lid, onder 3, van deze bepaling, van oordeel dat de doelstellingen voor het uit te werken plan op zodanige wijze worden aangegeven dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat de uitwerkingsregels niet in strijd zijn met artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of artikel 13, tweede lid, van het Bro 1985.

2.6.5. De beroepen van [appellanten sub 2] en van [appellanten sub 3] zijn in zoverre ongegrond.

Financiële uitvoerbaarheid

2.7. [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onvoldoende is verzekerd. Naar hun mening staat niet vast dat het bestemmingsplan binnen de planperiode van 10 jaar kan worden gerealiseerd.

2.7.1. Onder verwijzing naar de plantoelichting, waarin een paragraaf over de financiële uitvoerbaarheid is opgenomen, hebben verweerders overwogen geen reden te zien de financiële uitvoerbaarheid van het project de Blauwe Stad in twijfel te trekken. Zij hebben in zoverre dan ook geen aanleiding gezien het bestemmingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit in zoverre goedgekeurd.

2.7.2. Blijkens de plantoelichting (pagina 96 e.v.) wordt de totale investering ten behoeve van het project de Blauwe Stad geraamd op 120 miljoen gulden. Hiervan zal ongeveer 70 miljoen gulden door de overheid en 50 miljoen gulden door private partijen worden bijgedragen.

Wat betreft de bijdrage van private partijen, die is toegezegd, wordt vermeld dat grondverwervingskosten, kosten van de aanleg van de woongebieden en een bijdrage aan de aanleg van het meer in de uitgifteprijs van de kavels zullen worden verdisconteerd.

Ten aanzien van de publieke bijdrage wordt vermeld dat deze voor 80% is gedekt. Voor de resterende 15 miljoen gulden wordt in overleg met waterschappen nagegaan in hoeverre bodemdalingsgelden kunnen worden ingezet. Voorts is aan het Kabinet geadviseerd een extra bijdrage van

37,5 miljoen gulden beschikbaar te stellen.

2.7.3. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat verweerders het project de Blauwe Stad ten onrechte financieel uitvoerbaar hebben geacht. Niet is gebleken dat het gestelde in de plantoelichting ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid onjuist is. Voorts acht de Afdeling niet onjuist dat verweerders zich op het standpunt hebben gesteld dat publicatie van ramingen van kosten voor grondverwerving en de aanleg van infrastructuur kan leiden tot ongewenste speculatie. Tenslotte is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat het bestemmingsplan niet binnen de planperiode kan worden gerealiseerd. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het bestemmingsplan.

2.7.4. De beroepen van [appellanten sub 2] en van [appellanten sub 3] zijn in zoverre ongegrond.

[appellanten sub 3]

2.8. [appellanten sub 3] exploiteert een varkensbedrijf ter plaatse van [locatie 1] te [plaats]. Zij heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het bestemmingsplan voor zover daarin de bestemming “Gemengde doeleinden “Blauwe Stad” (uit te werken ex artikel 11 W.R.O.)“, is toegekend aan de gronden waar zij haar varkensbedrijf uitoefent. Zij meent dat aan haar gronden een bestemming overeenkomstig het huidige gebruik moet worden toegekend.

2.8.1. De gemeenteraad heeft overwogen dat met het project de Blauwe Stad een groot algemeen belang is gediend. Doelstelling van de woningbouw in de Blauwe Stad is het creëren van hoogwaardige woonmilieus, die een toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de huidige woonmilieus in de regio. Deze doelstelling kan niet worden verwezenlijkt als volwaardige agrarische bedrijven blijven bestaan in het gebied waar de Blauwe Stad zal worden gerealiseerd.

2.8.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht te achten en hebben het bestemmingsplan in zoverre goedgekeurd.

2.8.3. Het standpunt dat het algemene belang dat is verbonden aan de ontwikkeling van de Blauwe Stad dient te prevaleren boven het individuele belang van appellante, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk, nu niet is gebleken dat de belangen van appellante hierbij onvoldoende zijn meegewogen en aannemelijk is dat verplaatsing binnen de planperiode zal plaatsvinden. In dit verband stelt de Afdeling vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat appellante elders in Winschoten gronden heeft gevonden waar zij haar bedrijfsvoering zal kunnen voortzetten.

Hierbij merkt de Afdeling op dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening het gemeentebestuur niet de verplichting oplegt reeds in het kader van de bestemmingsplanprocedure de herplaatsing van bedrijven, die vanwege een bestemmingswijziging niet kunnen worden gehandhaafd, volledig te regelen. De mogelijkheden tot verplaatsing zullen in het algemeen aan de orde kunnen komen in het minnelijk overleg dat vooraf dient te gaan aan een onteigeningsprocedure.

2.8.4. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het bestemmingsplan.

2.8.5. Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre ongegrond.

Stichting Het Groninger Landschap

2.9. De Stichting Het Groninger Landschap heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het bestemmingsplan voor zover daarin de bestemming “Wegverkeer” is toegekend aan de Boslaan, de Sebo Ennemaweg, de Rijslaan, de Hora Siccamaweg en de Erflaan.

2.9.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het bestemmingsplan in zoverre goedgekeurd.

2.9.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de plankaart als “Wegverkeer” aangegeven gronden bestemd voor wegen met ten hoogste twee rijstroken, parkeerstroken, voet-, fiets- en ruiterpaden en bermen en bermsloten.

2.9.3. Ter zitting is gebleken dat appellante, het gemeentebestuur en verweerders gesprekken voeren over de bezwaren van appellante die betrekking hebben op de infrastructuur in het westelijke deel van het plangebied. Voorts is ter zitting namens appellante verklaard dat haar bezwaren niet meer zijn gericht tegen de bestemming “Wegverkeer” voor de betrokken plandelen, maar betrekking hebben op verkeersmaatregelen die naar haar mening ten behoeve van deze wegen zullen moeten worden genomen, waaronder het terugbrengen van de maximumsnelheid van 80 naar 60 kilometer per uur.

De Afdeling overweegt dat het plan aan het treffen van de door appellante gewenste verkeersmaatregelen niet in de weg staat. Het al dan niet nemen van deze maatregelen en de inhoud van eventueel te treffen voorzieningen staan in deze procedure betreffende de goedkeuring van een bestemmingsplan evenwel niet ter beoordeling.

2.9.4. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan in zoverre niet in strijd is met goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het bestemmingsplan.

2.9.5. Het beroep van de Stichting Het Groninger Landschap is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beroepen tegen het besluit tot goedkeuring van het uitwerkingsplan

Doel van het uitwerkingsplan

2.11. Het uitwerkingsplan strekt tot gedeeltelijke uitwerking van de bestemming “Gemengde doeleinden “Blauwe Stad” (uit te werken ex

artikel 11 W.R.O.)“ uit het bestemmingsplan en voorziet voornamelijk in de aanleg van een meer en de bouw van maximaal 700 woningen.

Hiertoe hebben de betrokken gronden de bestemmingen “Merengebied” en “Woongebied II” gekregen.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het uitwerkingsplan grotendeels goedgekeurd. Aan enkele onderdelen hebben zij goedkeuring onthouden.

Ontvankelijkheid Nieuwe Communistische Partij Nederland

2.12. Ingevolge artikel 54, tweede lid, onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan een belanghebbende tegen een besluit tot goedkeuring van een uitwerkingsplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.12.1. De doelstelling van een politieke partij is gericht op het behartigen van het algemeen belang in de ruimste zin, zoals deze partij dat ziet. Dat een besluit zich niet verdraagt met de inzichten van een zodanige partij omtrent hetgeen het algemeen belang vordert, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat haar belang rechtstreeks bij dat besluit is betrokken in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Nu overigens geen rechtstreeks betrokken belang is gesteld of gebleken, kan de Nieuwe Communistische Partij Nederland dan ook niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 54, tweede lid, onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met

artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.12.2. Gelet hierop is het beroep van de Nieuwe Communistische Partij Nederland niet-ontvankelijk.

2.12.3. Gezien het vorenstaande heeft de Afdeling hetgeen de Nieuwe Communistische Partij Nederland schriftelijk en mondeling naar voren heeft gebracht niet in de beschouwingen kunnen betrekken.

[appellant sub 5]

2.13. [appellant sub 5] heeft beroep ingesteld tegen het uitwerkingsplan, omdat hij zich niet kan verenigen met de aanleg van een dijk op korte afstand van zijn woning.

2.13.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat het plandeel waartegen de bezwaren van appellant zijn gericht niet is opgenomen in het uitwerkingsplan. Dit plandeel, met de bestemming “Natuurgebied” en de aanduiding “dijk en talud” is in de partiële herziening opgenomen. Gelet hierop mist het beroep van [appellant sub 5] feitelijke grondslag.

2.13.2. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

Toetsingskader

2.14. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dienen verweerders te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregels is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerders de taak te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens hebben verweerders erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Financiële uitvoerbaarheid

2.15. [appellanten sub 7] hebben aangevoerd dat de financiële uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan onvoldoende is verzekerd.

2.15.1. Burgemeester en wethouders stellen zich op het standpunt dat het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid van het project de Blauwe Stad bij de voorbereiding van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden en in dat kader afdoende is beargumenteerd.

2.15.2. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van burgemeester en wethouders met betrekking tot de ingebrachte zienswijze.

2.15.3. De Afdeling heeft hiervoor, bij de behandeling van de beroepen tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan, geen aanleiding gezien te oordelen dat verweerders het project de Blauwe Stad ten onrechte financieel uitvoerbaar hebben geacht. Voorts heeft de Afdeling niet onjuist geacht dat verweerders zich op het standpunt hebben gesteld dat publicatie van ramingen van kosten voor grondverwerving en de aanleg van infrastructuur kan leiden tot ongewenste speculatie. De Afdeling ziet geen aanleiding omtrent de financiële uitvoerbaarheid in het kader van het uitwerkingsplan anders te oordelen. Hierbij heeft zij in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de invulling die aan de uitwerkingsregels is gegeven zodanig afwijkt van de ideeën die daarover bij de voorbereiding van het bestemmingsplan bestonden, dat daarin aanleiding had moeten worden gevonden aanvullend onderzoek te verrichten naar de financiële uitvoerbaarheid.

2.15.4. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben in zoverre terecht goedkeuring verleend aan het uitwerkingsplan.

2.15.5. Het beroep van [appellanten sub 7] is in zoverre ongegrond.

Afsluiting van de Nieuweweg

2.16. [appellanten sub 7] voeren aan dat verweerders het plandeel met de bestemming “Wegverkeer” en de aanduiding “langzaamverkeersverbindingen” ten onrechte hebben goedgekeurd. Zij menen dat de Nieuweweg toegankelijk moet blijven voor snelverkeer. Hiertoe hebben zij onder meer aangevoerd dat de route Kromme-Elleboog – Ekamperweg het extra verkeer niet zal kunnen verwerken.

2.16.1. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het uitwerkingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd.

2.16.2. Niet in geding is dat het uitwerkingsplan wat betreft het door appellanten bestreden onderdeel past binnen de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan.

2.16.3. Bij de behandeling van de beroepen tegen het besluit tot goedkeuring van de partiële herziening heeft de Afdeling, zoals hierna zal blijken, overwogen dat verweerders zich bij hun besluit tot goedkeuring van de partiële herziening in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook heeft de Afdeling overwogen dat evenmin aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De Afdeling ziet geen aanleiding hieromtrent in het kader van het uitwerkingsplan anders te oordelen. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het uitwerkingsplan.

2.16.4. Het beroep van [appellanten sub 7] is in zoverre ongegrond.

[appellanten sub 6]

2.17. [appellanten sub 6] betoogt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het uitwerkingsplan voor zover daarin de bestemming “Merengebied” is toegekend aan zijn gronden aan de oostzijde van de Niesoordlaan, omdat dit met zich brengt dat hij de teelt van gewassen ter plaatse moet beëindigen. Hij meent dat aan zijn gronden een bestemming overeenkomstig het huidige gebruik moet worden toegekend.

2.17.1. Burgemeester en wethouders hebben overwogen dat met het project de Blauwe Stad een groot algemeen belang is gediend. Doelstelling van de woningbouw in de Blauwe Stad is het creëren van hoogwaardige woonmilieus, die een toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de huidige woonmilieus in de regio. Deze doelstelling kan niet worden verwezenlijkt als volwaardige agrarische bedrijven blijven bestaan in het gebied waar de Blauwe Stad zal worden gerealiseerd.

2.17.2. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van burgemeester en wethouders met betrekking tot de ingebrachte zienswijze.

2.17.3. Niet in geding is dat het uitwerkingsplan wat betreft het door appellant bestreden onderdeel past binnen de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan.

2.17.4. Het standpunt dat het algemene belang dat is verbonden aan de ontwikkeling van de Blauwe Stad dient te prevaleren boven het individuele belang van appellant, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk, nu niet is gebleken dat de belangen van appellant hierbij onvoldoende zijn meegewogen. In dit verband stelt de Afdeling vast dat ter zitting is gebleken dat de gronden van appellant inmiddels zijn aangekocht.

2.17.5. Gezien het vorenstaande kan niet worden gesteld dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre, hoewel de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het uitwerkingsplan.

2.17.6. Het beroep van [appellanten sub 6] is ongegrond.

Stichting Het Groninger Landschap

2.18. De Stichting Het Groninger Landschap heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het uitwerkingsplan, voor zover daarin de bestemming “Wegverkeer” is toegekend aan een deel van de Hora Siccamaweg.

2.18.1. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het uitwerkingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het uitwerkingsplan in zoverre goedgekeurd.

2.18.2. Niet in geding is dat het uitwerkingsplan wat betreft het door appellante bestreden onderdeel past binnen de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan.

2.18.3. Zoals hiervoor, bij de behandeling van het beroep van appellante tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan is overwogen, is ter zitting gebleken dat appellante, het gemeentebestuur en verweerders gesprekken voeren over de bezwaren van appellante die betrekking hebben op de infrastructuur in het westelijke deel van het plangebied. Voorts is ter zitting namens appellante verklaard dat haar bezwaren niet meer zijn gericht tegen de bestemming “Wegverkeer” voor het betrokken plandeel, maar betrekking hebben op verkeersmaatregelen die naar haar mening ten behoeve van deze weg zullen moeten worden genomen, waaronder het terugbrengen van de maximumsnelheid op deze weg van 80 naar 60 kilometer per uur.

De Afdeling overweegt dat het uitwerkingsplan aan het treffen van de door appellante gewenste verkeersmaatregelen niet in de weg staat. Het al dan niet nemen van deze maatregelen en de inhoud van eventueel te treffen voorzieningen staan in deze procedure betreffende de goedkeuring van een uitwerkingsplan evenwel niet ter beoordeling.

2.18.4. Gezien het vorenstaande kan niet worden gesteld dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre, hoewel de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het uitwerkingsplan.

2.18.5. Het beroep van de Stichting Het Groninger Landschap is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beroepen tegen het besluit tot goedkeuring van de partiële herziening

2.20. De partiële herziening heeft betrekking op een deel van het gebied waarop het bestemmingsplan ziet. Met de partiële herziening wordt voornamelijk beoogd de bouw van 900-1400 woningen en natuurontwikkeling mogelijk te maken. Hiertoe zijn aan deze gronden de bestemmingen “Woongebied I” en “Natuurgebied” toegekend.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders de partiële herziening grotendeels goedgekeurd. Aan enkele onderdelen hebben zij goedkeuring onthouden.

Belangenvereniging Nieuweweg

2.21. De Belangenvereniging Nieuweweg heeft onder andere beroep ingesteld omdat zij zich niet kan verenigen met de bouw van woningen in Woongebied II en met de aanleg van het meer.

2.21.1. De Afdeling stelt vast dat deze onderdelen niet zijn opgenomen in de partiële herziening. Deze plandelen, met de bestemmingen “Woongebied II” en “Merengebied”, zijn in het uitwerkingsplan opgenomen. Gelet hierop mist het beroep van de Belangenvereniging Nieuweweg in zoverre feitelijke grondslag.

2.21.2. Het beroep van de Belangenvereniging Nieuweweg is in zoverre ongegrond.

Toetsingskader

2.22. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Provinciale hoorzitting

2.23. PKF/Post heeft bezwaren aangevoerd met betrekking tot het verslag van de provinciale hoorzitting. Zij stelt aanwezig te zijn geweest tijdens de hoorzitting en derhalve ten onrechte niet te zijn vermeld op de presentielijst. Ook voert zij aan dat de toelichting die zij op haar bedenkingen heeft gegeven in het verslag niet op juiste wijze is weergegeven.

2.23.1. Niet in geding is dat een hoorzitting is gehouden waar de indieners van bedenkingen in de gelegenheid zijn gesteld hun bedenkingen toe te lichten. Er is een verslag opgesteld, waaruit blijkt dat namens appellante tijdens de hoorzitting het woord is gevoerd. Voorts is uit de stukken gebleken dat de presentielijst, waarop de namen van de personen die namens appellante het woord voerden aanvankelijk ontbraken, alsnog is aangepast. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de toelichting die zij heeft gegeven op haar bedenkingen in het verslag niet op juiste wijze is weergegeven.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het verslag van de hoorzitting zodanige onjuistheden bevat, dat verweerders zich daarop bij hun besluitvorming niet hebben kunnen baseren.

2.23.2. Het beroep van PKF/Post is in zoverre ongegrond.

Milieu-effectrapportage

2.24. [appellanten sub 7] hebben aangevoerd dat het milieu-effectrapport (hierna: MER) dat is opgesteld erg summier is en daardoor onvolledig. Daarnaast menen zij dat in het kader van de partiële herziening een nieuw MER had moeten worden opgesteld omdat deze herziening fundamentele wijzigingen met zich brengt.

2.24.1. Ten behoeve van het project de Blauwe Stad is een MER opgesteld, gedateerd 22 januari 1998. Het rapport is gemaakt in het kader van de voorbereiding van de streekplanuitwerking “De Blauwe Stad” (hierna: streekplanuitwerking). Deze streekplanuitwerking is vastgesteld op

28 september 1998.

Het rapport is onder meer gemaakt vanwege de aanleg van een recreatieve voorziening die betrekking heeft op een oppervlakte van meer dan

50 hectare en de aanleg van een waterbekken met een oppervlakte van meer dan 100 hectare.

Niet in geding is dat zowel de streekplanuitwerking als het bestemmingsplan in de aanleg van deze activiteiten voorzien.

2.24.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2 van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (Stb. 1994, 540), zoals dat destijds luidde, en bijlage-onderdeel C onder 10.1 van dit Besluit, voor zover hier van belang, is het opstellen van een MER voor de aanleg van een recreatieve voorziening verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 50 hectare of meer. Deze verplichting is gekoppeld aan de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2 van het Besluit milieu-effectrapportage 1994

(Stb. 1994, 540), zoals dat destijds luidde, en bijlage-onderdeel C onder 15.3 van dit Besluit, voor zover hier van belang, is het opstellen van een MER voor de aanleg van een waterbekken verplicht in gevallen waarin de activiteit een waterbekken betreft met een oppervlakte van 100 hectare of meer. Deze verplichting is gekoppeld aan de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet.

2.24.3. Vast staat dat voor beide activiteiten de verplichting bestond een MER op te stellen.

2.24.4. Naar het oordeel van de Afdeling is het MER ten onrechte gekoppeld aan de streekplanuitwerking, aangezien deze niet kan worden aangemerkt als het eerste plan dat in de mogelijke aanleg van de twee hiervoor genoemde activiteiten voorziet. Hiertoe overweegt de Afdeling het volgende.

2.24.5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 1998, no. E01.96.0014 (BR 1998, blz. 929 en Gst 1999, 7110, 7) – waar het een streekplan betrof - volgt dat onder het eerste plan dat in de aanleg voorziet moet worden verstaan het eerste plan dat ter zake in een besluit als bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht voorziet. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 10 maart 2000,

no. H01.99.0429 (AB 200/266, BR 2000, blz. 490 en JB 2000/118), kan een streekplanuitwerking geen besluiten bevatten. Reeds hierom kan de streekplanuitwerking niet worden aangemerkt als het eerste plan dat in de mogelijke aanleg van de twee hiervoor genoemde activiteiten voorziet.

2.24.6. Naar het oordeel van de Afdeling dient het bestemmingsplan te worden aangemerkt als het eerste ruimtelijk plan dat in de aanleg van de beide activiteiten voorziet.

Gelet hierop had het MER gekoppeld moeten worden aan het bestemmingsplan, dat nagenoeg gelijktijdig met de streekplanuitwerking is vastgesteld. Wat er ook zij van de omstandigheid dat het MER is gekoppeld aan de streekplanuitwerking, dit laat onverlet dat appellanten hun inhoudelijke bezwaren inzake het MER van 22 januari 1998 in de bestemmingsplanprocedure naar voren hadden moeten brengen. Deze kunnen in het kader van de partiële herziening niet meer aan de orde komen.

2.24.7. Het beroep van [appellanten sub 7] is in zoverre ongegrond.

2.24.8. Wat betreft het bezwaar dat een nieuw MER had moeten worden opgesteld omdat de partiële herziening fundamentele wijzigingen met zich brengt, zal de Afdeling de mogelijkheden bezien die de partiële herziening biedt ten behoeve van het plandeel met de bestemming “Natuurgebied” in het zuidoosten van het plangebied, alsmede ten aanzien van het noordelijk gelegen plandeel met de bestemming “Woongebied I” en de aanduiding “jachthaven” en het zuidelijk gelegen plandeel met de bestemming “Woongebied I” en de aanduiding “jachthaven”.

2.24.9. Ten aanzien van het plandeel met de bestemming “Natuurgebied” in het zuidoosten van het plangebied, overweegt de Afdeling het volgende.

2.24.10. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (Stb. 1994, 540), zoals gewijzigd bij besluit van 7 mei 1999, en bijlage-onderdeel C onder 10.1 van dit Besluit, voor zover hier van belang, is het opstellen van een MER voor de aanleg van een recreatieve of toeristische voorziening verplicht in gevallen waarin de activiteit een oppervlakte beslaat van 50 hectare of meer. Deze verplichting is gekoppeld aan de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet.

Blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit, voornoemd, worden onder recreatieve of toeristische voorzieningen verstaan omvangrijke projecten zoals “pretparken”, themaparken, skibanen, vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, havens voor de pleziervaart, permanente kampeer- en caravanterreinen, en grootschalige voorzieningen voor manifestaties, evenementen en tentoonstellingen.

2.24.11. De Afdeling stelt aan de hand van de plankaart vast dat het plandeel met de bestemming “Natuurgebied” in het zuidoosten van het plangebied een oppervlakte heeft van meer dan 50 hectare.

2.24.12. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de als natuurgebied op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor natuurgebied, inclusief water met een overwegende natuurfunctie, bos, riet- en moerasland, alsmede dagrecreatie en parkeervoorzieningen ten behoeve van dagrecreanten.

Ingevolge artikel 7, tweede lid (beschrijving in hoofdlijnen), onder a, van de planvoorschriften streven de gemeenten binnen de bestemming naar de aanleg van zoveel mogelijk openbaar toegankelijke bossen en natuurgebieden.

Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de planvoorschriften geldt ten aanzien van de in de bestemming begrepen gronden dat zij slechts mogen worden gebruikt overeenkomstig de in het eerste lid omschreven doeleinden.

2.24.13. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een gebruik van de voor natuurgebied bestemde gronden overeenkomstig de in artikel 7, eerste lid, genoemde doeleinden niet een gebruik met zich als toeristische of recreatieve voorziening als bedoeld in bijlage-onderdeel C onder 10.1 van het Besluit, voornoemd.

Gelet hierop is voor dit plandeel geen MER vereist.

2.24.14. Het beroep van [appellanten sub 7] is in zoverre ongegrond.

2.24.15. Met betrekking tot de twee plandelen met de bestemming “Woongebied I” en de aanduiding “jachthaven” overweegt de Afdeling het volgende.

2.24.16. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (Stb. 1994, 540), zoals gewijzigd bij besluit van 7 mei 1999, en bijlage-onderdeel C onder 10.3 van dit Besluit, voor zover van belang, is het opstellen van een MER voor de aanleg van een jachthaven verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een jachthaven met 500 ligplaatsen of meer. Deze verplichting is, voor zover hier van belang, gekoppeld aan de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet.

2.24.17. Ten aanzien van het zuidelijk gelegen plandeel met de bestemming “Woongebied I” en de aanduiding “jachthaven” stelt de Afdeling vast dat dit in het bestemmingsplan de bestemming “Gemengde doeleinden “Blauwe Stad” (uit te werken ex artikel 11 W.R.O.)” heeft gekregen.

2.24.18. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover van belang, zijn de als zodanig op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor de aanleg van een groot meer met nieuwe woon-werk- en recreatiemilieus met de daarbij behorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 4, tweede lid (beschrijving in hoofdlijnen), van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover van belang, worden bij de realisering van deze bestemming mogelijkheden gecreëerd voor dag- en verblijfsrecreatie (vaarrecreatie, strand, surfmogelijkheden, campings, jachthaven of aanlegplaatsen en hotel).

2.24.19. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat het bestemmingsplan moet worden aangemerkt als het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg van deze jachthaven voorziet.

Reeds hierom is voor dit plandeel geen MER vereist.

2.24.20. Het beroep van [appellanten sub 7] is in zoverre ongegrond.

2.24.21. Met betrekking tot het noordelijk gelegen plandeel met de bestemming “Woongebied I” en de aanduiding “jachthaven” overweegt de Afdeling het volgende.

2.24.22. Aan de hand van de plankaart kan worden vastgesteld dat dit plandeel een oppervlakte heeft van ruim 7 hectare. Voorts stelt de Afdeling vast dat in artikel 5 van de planvoorschriften, dat betrekking heeft op gronden met de bestemming “Woongebied I”, noch in enig ander planvoorschrift, een maximum aantal ligplaatsen is vermeld. Evenmin blijkt uit de planvoorschriften dat slechts een bepaald gedeelte van het plandeel kan worden benut als ligplaats. Gelet hierop dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt.

In aanmerking genomen de oppervlakte van het plandeel acht de Afdeling aannemelijk dat ter plaatse meer dan 500 ligplaatsen kunnen worden verwezenlijkt.

Voorts stelt de Afdeling vast dat het plandeel in het bestemmingsplan de bestemming “Agrarische doeleinden” heeft gekregen. Aan dit plandeel is door verweerders goedkeuring onthouden. De Afdeling heeft het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan niet vernietigd, zoals hiervoor bleek bij de behandeling van de beroepen tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan.

Gelet hierop is de partiële herziening het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg van bedoelde jachthaven voorziet.

Nu het MER niet aan de partiële herziening is gekoppeld door voorafgaand aan de vaststelling van de partiële herziening een ontheffing van de verplichting een milieu-effectrapportage op te stellen als bedoeld in

artikel 7.5. van de Wet milieubeheer te vragen, noch specifiek voor dit plandeel nieuw MER is opgesteld, is de partiële herziening voor zover het betreft het noordelijk gelegen plandeel met de bestemming “Woongebied I” en de aanduiding “jachthaven” vastgesteld in strijd met het bepaalde in artikel 7.27 van de Wet milieubeheer.

Door het plan in zoverre goed te keuren hebben verweerders gehandeld in strijd met deze bepaling in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.24.23. Het beroep van [appellanten sub 7] is mitsdien in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover verweerders daarbij goedkeuring hebben verleend aan het noordelijk gelegen plandeel met de bestemming “Woongebied I” en de aanduiding “jachthaven”, nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart.

Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Afdeling tevens aanleiding zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Financiële uitvoerbaarheid

2.25. [appellanten sub 7] hebben aangevoerd dat de financiële uitvoerbaarheid van de partiële herziening onvoldoende is verzekerd.

2.25.1. Het gemeentebestuur stelt zich op het standpunt dat het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid van het project de Blauwe Stad bij de voorbereiding van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden en in dat kader afdoende is beargumenteerd.

2.25.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien de partiële herziening op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze in zoverre goedgekeurd.

2.25.3. De Afdeling heeft hiervoor, bij de behandeling van de beroepen tegen het bestemmingsplan, geen aanleiding gezien te oordelen dat verweerders het project de Blauwe Stad ten onrechte financieel uitvoerbaar hebben geacht. Voorts heeft de Afdeling niet onjuist geacht dat verweerders zich op het standpunt hebben gesteld dat publicatie van ramingen van kosten voor grondverwerving en de aanleg van infrastructuur kan leiden tot ongewenste speculatie. De Afdeling ziet geen aanleiding omtrent de financiële uitvoerbaarheid in het kader van de partiële herziening anders te oordelen. Hierbij heeft zij in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat het gedeelte van het bestemmingsplan dat is herzien zodanig afwijkt van de ideeën die omtrent het project de Blauwe Stad bij de voorbereiding van het bestemmingsplan bestonden, dat daarin aanleiding had moeten worden gevonden aanvullend onderzoek te verrichten naar de financiële uitvoerbaarheid.

2.25.4. Hieruit volgt dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de partiële herziening in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben in zoverre terecht goedkeuring verleend aan de partiële herziening.

2.25.5. Het beroep van [appellanten sub 7] is in zoverre ongegrond.

Afsluiting van de Nieuweweg

2.26. De Belangenvereniging Nieuweweg, [appellant sub 12], [appellanten sub 7], [appellant sub 13] en de Ondernemersvereniging Oostwold voeren aan dat verweerders het plandeel met de bestemming “Wegverkeer” en de aanduiding “langzaamverkeersverbindingen” ten onrechte hebben goedgekeurd. Zij menen dat de Nieuweweg toegankelijk dient te blijven voor snelverkeer. Hiertoe hebben zij onder meer aangevoerd dat de route Kromme Elleboog-Ekamperweg het extra verkeer als gevolg van de afsluiting van de Nieuweweg voor snelverkeer niet zal kunnen verwerken.

2.26.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht te achten en hebben de partiële herziening in zoverre goedgekeurd. Zij hebben hierbij overwogen dat de gemaakte keuze voor afsluiting van de Nieuweweg voor snelverkeer voortvloeit uit het uitgangspunt dat de hoofdaansluiting in het gebied van de Blauwe Stad primair plaatsvindt via de lus van wegen aan de rand van het gebied.

2.26.2. Vast staat dat verwezenlijking van de partiële herziening op dit punt met zich brengt dat de Nieuweweg niet meer toegankelijk zal zijn voor autoverkeer. Dit heeft tot gevolg dat het autoverkeer tussen Oostwold en Winschoten grotendeels gebruik zal gaan maken van de route Kromme Elleboog-Ekamperweg, ten oosten van de Nieuweweg. Deze wegen zijn niet in het plan opgenomen. Blijkens de stukken is deze route ongeveer anderhalve kilometer langer dan de verbinding via de Nieuweweg. Niet aannemelijk is geworden dat appellanten door het omrijden zodanige schade zullen lijden dat verweerders daaraan doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders in redelijkheid kunnen overwegen dat in sommige gevallen zal moeten worden omgereden om bedrijven te bereiken, maar dat anderzijds van de verwezenlijking van het project de Blauwe Stad als zodanig een economische impuls zal uitgaan.

2.26.3. Het bureau DHV heeft verkeerskundig onderzoek gedaan naar de gevolgen van de zogenoemde knip in de Nieuweweg voor de route Kromme Elleboog-Ekamperweg. Het rapport waarin de verkeerstelling is weergegeven is op 17 oktober 2000 vastgesteld. In het rapport wordt geconcludeerd dat het extra verkeer niet zal leiden tot een onacceptabel afwikkelingsniveau van het autoverkeer op de aansluitingen en kruispunten. Wel is het noodzakelijk op enkele wegvakken aanvullende voorzieningen voor het fietsverkeer te treffen. Tenslotte dienen, aldus het rapport, de akoestische effecten van het verkeer nader in ogenschouw te worden genomen.

Vervolgens is het bureau [onderzoeksbureau] benaderd om onderzoek te verrichten naar de verkeersstromen in het gebied. Het rapport waarin de bevindingen zijn weergegeven is gedateerd februari 2001. In het rapport wordt geconcludeerd dat indien een goede oplossing wordt gevonden voor de aansluiting A7/Beertsterweg de verkeersstructuur het verkeer goed zal kunnen verwerken. Nergens zullen afwikkelingsproblemen ontstaan. Wel zullen maatregelen met het oog op het fietsverkeer en het verblijfsklimaat moeten worden getroffen, zoals het aanleggen van een fietspad langs de Ekamperweg en het verbreden van deze weg. Door de wegbeheerders is aangegeven dat de geadviseerde maatregelen zullen worden doorgevoerd, aldus dit rapport.

Tenslotte is onderzoek uitgevoerd naar de akoestische effecten als gevolg van de verwachte toename van het wegverkeer. De bevindingen zijn neergelegd in het rapport “Akoestisch vooronderzoek Blauwe Stad”, gedateerd 8 maart 2001. Uit dit rapport blijkt dat als gevolg van wijzigingen aan de weg en een toename van het verkeer de geluidbelasting bij woningen aan de Kromme Elleboog met 2 dB(A) of meer zal stijgen. Om de noodzakelijke wijzigingen aan deze weg mogelijk te maken moeten nog besluiten worden genomen. De besluiten op grond van de Wet geluidhinder worden hieraan gekoppeld, zo geeft het rapport aan.

2.26.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat aan deze rapporten zodanige gebreken kleven dat verweerders niet hebben kunnen uitgaan van de bevindingen en conclusies uit deze rapporten. Voorts hebben verweerders zich, gelet op de rapporten, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat op de route Kromme Elleboog-Ekamperweg vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid geen onaanvaardbare situaties zullen behoeven te ontstaan. Tenslotte is niet gebleken dat verweerders ten onrechte de verwachting hebben uitgesproken dat ter plaatse van de route Kromme Elleboog-Ekamperweg aan de vereisten van de Wet geluidhinder zal kunnen worden voldaan.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders in de te verwachten gevolgen die de afsluiting van de Nieuweweg voor snelverkeer zal hebben voor de route Kromme Elleboog-Ekamperweg geen aanleiding hebben behoeven te zien goedkeuring aan het onderhavige plandeel te onthouden.

2.26.5. Voor zover het bezwaar van appellanten aldus moet worden uitgelegd dat volgens hen de route Kromme Elleboog-Ekamperweg in het plan had moeten worden opgenomen overweegt de Afdeling dat, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van het bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is, gelet op de stukken, van oordeel dat in dit geval verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat zij deze ook overigens terecht hebben goedgekeurd.

2.26.6. Voorts kan de Afdeling [appellant sub 12] niet volgen in zijn stelling dat het onderhavige plandeel niet kon worden vastgesteld alvorens akoestisch onderzoek als bedoeld in de Wet geluidhinder was vastgesteld met betrekking tot de wegen die de route Kromme Elleboog-Ekamperweg vormen. Gelet op de omstandigheid dat de route Kromme Elleboog-Ekamperweg niet in het plan is opgenomen zijn de artikelen 76 tot en met 78 van de Wet geluidhinder immers niet van toepassing. Ingevolge het – eventueel - wel toepasselijke artikel 99 van de Wet geluidhinder dient akoestisch onderzoek te worden gekoppeld aan het in die bepaling bedoelde besluit van de gemeenteraad. Dat besluit is thans niet aan de orde.

2.26.7. Daarnaast overweegt de Afdeling dat reeds vanwege de omstandigheid dat de route Kromme Elleboog-Ekamperweg niet is opgenomen in de partiële herziening de bezwaren, wat daar ook van zij, die zien op de toekomstige inrichting van deze wegen in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staan.

2.26.8. Ook voor het oordeel dat eerst de procedure ingevolge de Wegenwet had moeten worden gevolgd en afgerond alvorens het onderhavige plandeel kon worden vastgesteld, bestaat geen aanleiding. De Afdeling deelt niet het standpunt van [appellant sub 12] dat de bestemmingsregeling voor de Nieuweweg met zich brengt dat deze weg aan de openbaarheid wordt onttrokken. Immers ingevolge artikel 7, onder II, van de Wegenwet heeft een weg opgehouden openbaar te zijn wanneer hij door het openbaar gezag aan het openbaar verkeer wordt onttrokken. De enkele omstandigheid dat een weg uitsluitend is bestemd voor langzaamverkeer maakt nog niet dat deze weg moet worden beschouwd als aan het openbaar verkeer te zijn onttrokken.

2.26.9. Voor zover appellanten alternatieven bepleiten overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan een bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich hier niet voordoet.

2.26.10. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de partiële herziening in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening.

2.26.11. De beroepen van [appellant sub 12] en de Ondernemersvereniging Oostwold zijn geheel ongegrond. De beroepen van de Belangenvereniging Nieuweweg, [appellanten sub 7] en [appellant sub 13] zijn in zoverre ongegrond.

Woongebied I en Natuurgebied Zuidoost/Oostereinde

2.27. [appellant sub 13] en [appellant sub 17] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming “Woongebied I”. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat er geen noodzaak is voor het bouwen van deze woningen. Zij menen voorts dat hierdoor hun woongenot op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Daarnaast voeren zij aan dat dit woongebied is voorzien op gronden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Zij stellen zich op het standpunt dat geen redenen aanwezig zijn die deze ingreep rechtvaardigen.

Subsidiair kunnen zij zich niet verenigen met de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Natuurgebied”, grenzend aan de oostzijde van Woongebied I, waar de compensatie voor de ingreep in de ecologische hoofdstructuur is voorzien. Zij zijn het niet eens met de wijze waarop het plan in compensatie voorziet.

2.27.1. Verweerders kunnen zich verenigen met de bouw van 900 woningen in Woongebied I die het plan mogelijk maakt. Zij stellen zich op het standpunt dat een zwaarwegend maatschappelijk belang aanwezig is dat aantasting van de ecologische hoofdstructuur rechtvaardigt. Zij hebben in zoverre geen aanleiding gezien het plandeel met de bestemming “Woongebied I” in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben de partiële herziening in zoverre goedgekeurd.

Daarnaast stellen verweerders zich op het standpunt dat de partiële herziening het mogelijk maakt dat de ingreep in de ecologische hoofdstructuur in zowel kwantitatieve als kwalitatieve zin wordt gecompenseerd. Wat betreft het plandeel “Natuurgebied” in het zuidoostelijk deel van het plangebied, waar de compensatie is voorzien, overwegen zij dat daar geen bestaande infrastructuur is en dat daar minder woningen staan, zodat ter plaatse zelfs betere mogelijkheden voor natuurontwikkeling aanwezig zijn. Zij hebben in zoverre geen aanleiding gezien het plandeel met de bestemming “Natuurgebied” in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben de partiële herziening in zoverre goedgekeurd.

Zij hebben evenwel goedkeuring onthouden aan artikel 7, negende lid, van de planvoorschriften, alsmede aan de aanduiding “grens wijzigingsbevoegdheid A” op de plankaart. Zij stellen zich op het standpunt dat de bouw van 80 woningen ten behoeve van extensief wonen compensatie kan verhinderen, aangezien deze aanduiding “grens wijzigingsbevoegdheid A” is toegekend aan vrijwel het gehele plandeel met de bestemming “Natuurgebied”.

2.27.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met het tweede lid van deze bepaling, voor zover van belang, zijn de op de plankaart als “Woongebied I” aangegeven gronden bestemd voor de bouw van 900 woningen.

2.27.3. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders in redelijkheid een groot belang aanwezig kunnen achten bij het realiseren van de Blauwe Stad. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat, zoals uit de stukken naar voren komt, het project de Blauwe Stad in ontwikkeling is gebracht met als doel de vergrijzing van de bevolking in het Oldambt, het relatief lage inkomensniveau en de zwakke vertegenwoordiging van bedrijfssectoren met relatief hoogwaardige werkgelegenheid ter plaatse tegen te gaan.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat geen noodzaak bestaat Woongebied I, dat deel uitmaakt van de Blauwe Stad, te verwezenlijken.

2.27.4. Niet in geding is dat de omgeving waar appellanten wonen een ander karakter zal krijgen. Appellanten hebben evenwel niet aannemelijk gemaakt dat hun woongenot op onaanvaardbare wijze zal worden aangetast. Voorts overweegt de Afdeling dat aan een geldend bestemmingsplan in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen kunnen steeds andere bestemmingen en voorschriften in een plan worden opgenomen.

2.27.5. Vast staat dat het plandeel met de bestemming “Woongebied I” deel uitmaakt van de provinciale ecologische hoofdstructuur, die is opgenomen in de op 23 juni 1998 vastgestelde Gebiedsvisie Schiereiland van Winschoten. De gronden waar dit woongebied is voorzien vormen het gebied Meerland/Ekamp, dat bestaat uit een natuurgebied met een oppervlakte van 35 hectare (waarvan 25 hectare bos) en een natuurontwikkelingsgebied van 215 hectare, grotendeels ter plaatse van de stuwwal Ekamp. Niet in geding is dat vanwege de voorziene woningen 10 hectare bos zal verdwijnen en geen natuurontwikkeling meer kan plaatsvinden.

2.27.6. Verweerders hebben zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een ingreep in een gebied als het onderhavige, waarbij wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied worden aangetast, slechts is gerechtvaardigd, indien een zwaarwegend maatschappelijk belang bestaat waaraan niet redelijkerwijs elders of op andere wijze kan worden tegemoetgekomen en indien compensatie plaatsvindt in zowel kwalitatieve als kwantitatieve zin.

2.27.7. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verwezenlijking van de Blauwe Stad kan worden aangemerkt als een zwaarwegend maatschappelijk belang.

2.27.8. Voorts hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan dit zwaarwegend maatschappelijk belang niet redelijkerwijs elders of op andere wijze kan worden tegemoetgekomen. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de stukken komt naar voren dat Woongebied I aanvankelijk op een andere plaats was voorzien, die, zo bleek uit onderzoek, niet geschikt was. De redenen hiervoor waren voornamelijk de hoge aanlegkosten en problemen met de doorstroming van het water en de waterkwaliteit.

Vervolgens zijn, naast de onderhavige locatie, ook twee andere potentiële woningbouwlocaties in ogenschouw genomen. Het betreft het gebied aan de noordrand van Midwolda-Oostwold en het zuidwestelijk gelegen gebied nabij de Midwolderplas.

Blijkens de plantoelichting voldeed het gebied aan de noordrand van Midwolda-Oostwold niet, aangezien woningbouw op deze locatie het aaneenbouwen van Midwolda en Oostwold zou inhouden. Tevens zou de woningbouw een barrière vormen tussen de dorpen en het toekomstige meer en zou een directe relatie tussen de hoger liggende Huningaweg en het meer onmogelijk worden. Voorts zou het dorpsgezicht van Oostwold, dat in de toekomst beschermd stadsgezicht zal zijn, vanaf het water aan het zicht worden onttrokken. Daarnaast zou veel grond opgehoogd moeten worden. Tenslotte zouden problemen met de ontsluiting ontstaan.

Het zuidwestelijk gelegen gebied nabij de Midwolderplas voldeed blijkens de plantoelichting evenmin, onder meer omdat woningbouw in dit gebied de realisering van de voorziene natte en droge verbindingszone vrijwel onmogelijk zou maken. Daarnaast zouden de woningen in de onmiddellijke nabijheid van het Midwolderbos verwezenlijkt worden, waardoor negatieve effecten op de natuurwaarden zouden zijn te verwachten. Tenslotte ligt de locatie nabij rijksweg A7 en zou landschappelijk slecht inpasbaar zijn.

Tenslotte werd, zo blijkt uit de plantoelichting, ook woningbouw verspreid over het gebied afgewezen omdat daardoor niet alleen één sfeer en één type woonlandschap zou gaan overheersen, maar ook omdat de oevers dan grotendeels geprivatiseerd zouden worden en de mogelijkheden voor natuurontwikkeling te zeer zouden worden beperkt.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen menen dat de hierboven genoemde potentiële woningbouwlocaties, alsmede woningbouw verspreid over het gebied, niet als redelijkerwijs in ogenschouw te nemen alternatieven behoefden te worden beschouwd. Ditzelfde geldt voor het alternatief dat appellanten hebben aangedragen, te weten clustering van 200 tot 300 woningen op verscheidene locaties. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat is gebleken dat woningbouw in de nabijheid van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (hierna: N.A.M.) negatieve effecten tot gevolg zou hebben voor de ecologische hoofdstructuur van het Midwolderbos en de Emmaborg. Voorts zou woningbouw ter plaatse ongunstig zijn vanwege de ligging bij een gezoneerd terrein van de N.A.M.. Tenslotte is gebleken dat woningbouw nabij Beerta een verstoring zou opleveren in de voorziene ecologische verbindingszone tussen de zuidoosthoek van het plangebied en de Tjamme.

2.27.9. Wat betreft het bezwaar van appellanten dat door middel van het plandeel met de bestemming “Natuurgebied” in het zuidoosten van het plangebied noch in kwantitatieve noch in kwalitatieve zin compensatie wordt geboden, overweegt de Afdeling het volgende.

2.27.10. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich, gelet op het vorenstaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten gevolge van de ingreep in de provinciale ecologische hoofdstructuur een natuurontwikkelingsgebied met een oppervlakte van 215 hectare en een bos ter grootte van tenminste 10 hectare zal moeten worden gecompenseerd.

Niet in geding is dat het plandeel met de bestemming “Natuurgebied”, grenzend aan het plandeel met de bestemming “Woongebied I”, waar de compensatie is voorzien, een oppervlakte heeft van 350 hectare.

Blijkens de plantoelichting zal in dit gebied een natuurontwikkelingsgebied met een oppervlakte van 215 hectare worden verwezenlijkt en zal ter plaatse tevens 15 hectare worden benut voor de aanplant van bomen.

2.27.11. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de als natuurgebied op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor natuurgebied, inclusief water met een overwegende natuurfunctie, bos, riet- en moerasland, alsmede dagrecreatie en parkeervoorzieningen ten behoeve van dagrecreanten.

Ingevolge artikel 7, tweede lid (beschrijving in hoofdlijnen), onder a, van de planvoorschriften streven de gemeenten binnen de bestemming naar de aanleg van zoveel mogelijk openbaar toegankelijke bossen en natuurgebieden.

Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de planvoorschriften geldt ten aanzien van de in de bestemming begrepen gronden dat zij slechts mogen worden gebruikt overeenkomstig de in het eerste lid omschreven doeleinden.

2.27.12. Naar het oordeel van de Afdeling maken de hiervoor weergegeven bepalingen de compensatie mogelijk zoals die blijkens de plantoelichting wordt beoogd. Gelet hierop hebben verweerders de compensatie in kwantitatieve zin afdoende kunnen achten.

Voorts ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de stuwwal Oostereinde dezelfde potentiële ecologische waarden heeft als de stuwwal Ekamp. Gelet hierop hebben verweerders de compensatie ook in kwalitatieve zin afdoende kunnen achten.

2.27.13. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat verweerders zich wat betreft het plandeel met de bestemming “Natuurgebied” niet in redelijkheid hebben kunnen beperken tot het onthouden van goedkeuring aan de aanduiding “grens wijzigingsbevoegdheid A” en artikel 7, negende lid, van de planvoorschriften waarin, voor zover van belang, is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de bestemming “Natuurgebied” binnen de op de plankaart aangegeven “grens wijzigingsbevoegdheid A” te wijzigen ten behoeve van de bouw van 80 woningen ten behoeve van extensief wonen.

2.27.14. Het beroep van [appellant sub 17] is ongegrond. Het beroep van

[appellant sub 13] is in zoverre ongegrond.

Stichting Het Groninger Landschap

2.28. De Stichting Het Groninger Landschap heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening, voor zover daarin de bestemming “Wegverkeer” is toegekend aan een deel van de Hora Siccamaweg en aan een gedeelte van de Rijslaan.

2.28.1. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van de partiële herziening in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze plandelen goedgekeurd.

2.28.2. Zoals hiervoor, bij de behandeling van het beroep van appellante tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan is overwogen, is ter zitting is gebleken dat appellante, het gemeentebestuur en verweerders gesprekken voeren over de bezwaren van appellante die betrekking hebben op de infrastructuur in het westelijke deel van het plangebied. Voorts is ter zitting namens appellante verklaard dat haar bezwaren niet meer zijn gericht tegen de bestemming “Wegverkeer” voor de betrokken plandelen, maar betrekking hebben op de verkeersmaatregelen die naar haar mening ten behoeve van deze wegen zullen worden genomen, waaronder het

terugbrengen van de maximumsnelheid van 80 naar 60 kilometer per uur.

De Afdeling overweegt dat de partiële herziening aan het treffen van de door appellante gewenste verkeersmaatregelen niet in de weg staat. Het al dan niet nemen van deze maatregelen en de inhoud van eventueel te treffen voorzieningen staan in deze procedure betreffende de goedkeuring van een partiële herziening evenwel niet ter beoordeling.

2.28.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de partiële herziening in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening.

2.28.4. Het beroep van de Stichting Het Groninger Landschap is ongegrond.

PKF/Post

2.29. PKF/Post kan zich niet met de goedkeuring van de partiële herziening verenigen, aangezien zij vreest voor belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijfsvoering wegens de voorziene bouw van woningen in de nabijheid van het productiebedrijf.

2.29.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de woningbouwmogelijkheden waarvoor appellante vreest niet zijn opgenomen in de partiële herziening. Deze gronden, waaraan de bestemming “Woongebied II” is toegekend, zijn opgenomen in het uitwerkingsplan.

Gelet hierop heeft appellante ter zitting betoogd dat haar beroep moet worden opgevat als te zijn gericht tegen het wel in de partiële herziening opgenomen plandeel met de bestemming “Merengebied”, aangezien vanwege de zogenoemde dragende kracht van het water de geluidsoverlast bij de in het uitwerkingsplan opgenomen woningen zal toenemen en zodoende haar ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijfsvoering zullen worden beperkt. De Afdeling volgt deze stelling van appellante niet. Zij overweegt daartoe dat voor de geluidsoverlast van het bedrijf de bestaande woningen bepalend zijn, die op veel kortere afstand van het productiebedrijf zijn gelegen dan de voorziene woningen.

2.29.2. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de partiële herziening in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening.

2.29.3. Het beroep van PKF/Post is in zoverre ongegrond.

[appellanten sub 10]

2.30. [appellanten sub 10] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening voor zover daarin de bestemming “Recreatiegebied” is toegekend aan gronden schuin tegenover hun woning. Zij kunnen zich er niet mee verenigen dat artikel 8, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften ter plaatse door middel van een wijzigingsbevoegdheid horeca en detailhandel mogelijk maakt. Primair achten zij de noordrand van het toekomstige meer ongeschikt voor deze ontwikkelingen. Subsidiair menen zij dat de voorziene oppervlakte te ruim is en stellen zich op het standpunt dat de afstand van de bebouwing ten dienste van deze bestemming die het plan mogelijk maakt tot hun woning te gering is.

2.30.1. Verweerders kunnen zich verenigen met de recreatieve voorzieningen die de partiële herziening ter plaatse door middel van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk maakt.

Niettemin hebben zij goedkeuring onthouden aan artikel 8, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften, omdat daarin naar hun mening ten onrechte voorschriften ontbreken omtrent de maximale bouwhoogte, de afstand tussen bebouwing en het uitzicht op de Huningaweg.

2.30.2. Ingevolge artikel 8, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming te wijzigen ten behoeve van de vestiging van ten hoogste 3 op de recreatiefunctie van de Blauwe Stad gerichte horecabedrijven en op 3 op de recreatiefunctie van de Blauwe Stad gerichte detailhandelsbedrijven. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

1. Wat betreft horeca zal het moeten gaan om horecabedrijven met een hotelfunctie met een maximaal bedrijfsvloeroppervlak van 1000 m² per bedrijf, café-restaurants en restaurants met maximaal 500 m² bedrijfsvloeroppervlak per bedrijf en om kiosken ten behoeve van de verkoop van ijs en aanverwante artikelen.

2. Wat betreft detailhandel zal het moeten gaan om bedrijven met een omvang van maximaal 500 m² bedrijfsvloeroppervlak per bedrijf.

3. Tussen de bebouwing van een horeca- of detailhandelsbedrijf en bestaande woningen en bedrijfspercelen moet een afstand van minimaal 50 m in acht worden genomen.

2.30.3. De Afdeling stelt vast dat verweerders goedkeuring hebben onthouden aan artikel 8, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften, de bepaling waartegen de bezwaren van appellanten zijn gericht. In zoverre is derhalve aan de bezwaren van appellanten tegemoet gekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter behalve deze onthouding van goedkeuring evenzeer de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. De Afdeling vat het beroep van appellanten aldus op dat zij zich ertegen keren dat aan de onthouding van goedkeuring, onder ongegrondverklaring van de overige bedenkingen, uitsluitend de hiervoor genoemde opvatting ten grondslag is gelegd.

2.30.4. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat de op de recreatiefunctie gerichte horeca- en detailhandelsbedrijven passen binnen de doelstellingen van het plan en de aantrekkelijkheid van het gebied verhogen.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de noordelijke zijde van het toekomstige meer ongeschikt is voor deze mogelijkheden. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat beperkingen zijn gesteld aan de aard van de bedrijven, zodat bijvoorbeeld discotheken ter plaatse niet zijn toegestaan. Daarnaast heeft de Afdeling in de beschouwingen betrokken dat ingevolge de publicatie “Bedrijven en milieuzonering”, die is uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de minimale afstand die dient te worden aangehouden tussen de horeca- en detailhandelsbedrijven die het plan mogelijk maakt en bestaande woningen en bedrijfspercelen 50 meter bedraagt. Hoewel deze afstanden indicatief van aard zijn, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat verweerders niet hebben kunnen instemmen met de minimumafstand van 50 meter die is opgenomen in artikel 8, zevende lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften. Tenslotte heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat verweerders goedkeuring hebben onthouden aan artikel 8, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften omdat in die bepaling bepaalde voorschriften ontbreken.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders de voorziene oppervlakte ten behoeve van de bebouwing in redelijkheid niet aanvaardbaar hebben kunnen achten.

2.30.5. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de partiële herziening in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening.

2.30.6. Het beroep van [appellanten sub 10] is ongegrond.

Belangenvereniging Nieuweweg

2.31. De Belangenvereniging Nieuweweg heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de plandelen met de bestemming “Natuurgebied” met de aanduiding “dijk en talud” en aan het plandeel met de bestemming “Recreatiegebied” met de aanduiding “dijk en talud”. Zij wensen een verlaging van het waterpeil, zodat vanuit de Nieuweweg vanaf ooghoogte over de voorziene dijk gekeken kan worden.

2.31.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben de partiële herziening in zoverre goedgekeurd.

2.31.2. Ingevolge artikel 3 (beschrijving in hoofdlijnen), tweede lid, eerste volzin, vierde gedachtestreepje, van de planvoorschriften, wordt een zodanig waterpeil nagestreefd dat overlast voor omliggende gebieden wordt beperkt en de hoogte van de kaden en dijken zoveel mogelijk wordt beperkt.

2.31.3. Uit de stukken komt naar voren dat is gekozen voor een waterpeil van –0,65, hetgeen een dijkhoogte van + 0,35 NAP met zich brengt. Aan de noordzijde van het voorziene meer zijn kades niet noodzakelijk, terwijl de dijken aan de landzijde 2,5 tot 3 meter hoog zullen moeten zijn.

Verweerders hebben overwogen dat de wens van appellanten neerkomt op een verlaging van de hoogte van de dijk van 20 centimeter. Niet is gebleken dat dit onjuist is. Volgens verweerders zal deze verlaging ruimtelijk gezien weinig rendement opleveren. Doordat de dijk is voorzien op geruime afstand van de woningen aan de Nieuweweg zal een verlaging van het dijklichaam met 20 centimeter nauwelijks waarneembaar zijn vanaf deze woningen. Daarnaast hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat verlaging van het waterpeil te grote financiële consequenties heeft voor het plan. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van verweerders onjuist is. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gekozen waterpeil aanvaardbaar is.

2.31.4. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de partiële herziening in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening.

2.31.5. Het beroep van de Belangenvereniging Nieuweweg is in zoverre ongegrond.

[appellanten sub 1]

2.32. [appellanten sub 1] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening, voor zover daarin de bestemming “Natuurgebied” en de aanduiding “dijk en talud” is toegekend aan de [locatie] te [plaats]. Op deze gronden, die zijn gelegen aan de rand van het toekomstige meer, wensen zij een woning te bouwen. Zij stellen dat de gemeente de verwachting heeft gewekt dat planologische medewerking zou worden verleend.

2.32.1. Het gemeentebestuur heeft aangegeven dat geen medewerking wordt verleend aan incidentele woningbouw in het gebied van de Blauwe Stad. De enige uitzondering die op die regel wordt gemaakt is de bouw van vervangende woningen langs de Groeveweg voor bewoners van wie de woning moet worden gesloopt om het bestemmingsplan te kunnen realiseren.

2.32.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd.

2.32.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, eerste volzin, vierde gedachtestreepje, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart als natuurgebied aangegeven gronden voor zover aangeduid met “dijk en talud” aangewezen voor de aanleg van dijken en taluds.

Vast staat derhalve dat het plan ter plaatse de bouw van een woning niet mogelijk maakt.

2.32.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen instemmen met de gemeentelijke keuze om geen incidentele woningbouw toe te staan. Niet is gebleken van omstandigheden die wat betreft appellante een uitzondering op dit uitgangspunt zouden rechtvaardigen.

Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen welke door niet ter zake beslissingsbevoegden zijn gedaan. De beslissingsbevoegdheid ter zake van de vaststelling van bestemmingsplannen berust niet bij individuele ambtenaren of bestuurders, door wie toezeggingen zouden zijn gedaan, doch bij de gemeenteraad. Daar komt nog bij dat de inzichten met betrekking tot hetgeen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is geboden in de loop der tijden kunnen wijzigen.

Niet is gebleken dat toezeggingen door de gemeenteraad zijn gedaan die in rechte gehonoreerd zouden moeten worden.

2.32.5. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening.

2.32.6. Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

J.F. Boven

2.33. [appellant sub 14] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening, voor zover daarin de bestemming “Merengebied” is toegekend aan zijn gronden aan de [locatie 2] en [locatie 3]. Hij kan zich er niet mee verenigen dat deze gronden niet een bestemming overeenkomstig het huidige gebruik hebben gekregen.

2.33.1. Het gemeentebestuur is van mening dat handhaving van de boerderij aan de [locatie 3] en het woonhuis en land aan de [locatie 2] niet mogelijk is.

2.33.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben de partiële herziening in zoverre goedgekeurd.

2.33.3. Ten aanzien van de stelling van appellant dat in het bestemmingsplan aan zijn gronden nog wel een bestemming conform het huidige gebruik was toegekend overweegt de Afdeling dat aan een geldend bestemmingsplan in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen kunnen steeds andere bestemmingen en voorschriften in een plan worden opgenomen.

2.33.4. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid bij afweging van de betrokken belangen goedkeuring hebben kunnen verlenen aan het plandeel met de bestemming “Merengebied”, voor zover dat betrekking heeft op de gronden van appellant aan de [locatie 2] en [locatie 3]. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat is gebleken dat ter plaatse een unieke schaal van het water kan worden geïntroduceerd die elders niet mogelijk is en dat de ruimte die zal ontstaan zeer gunstig is voor de nagestreefde waterkwaliteit, doordat eenvoudige uitwisseling van water kan plaatsvinden tussen de verschillende compartimenten in de Blauwe Stad.

2.33.5. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening.

2.33.6. Het beroep van [appellant sub 14] is ongegrond.

[appellanten sub 16]

2.34. [appellanten sub 16] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming “Wegverkeer”, waardoor een brug wordt mogelijk gemaakt die de beide zijden van de Oostwolderweg met elkaar verbindt. Ter zitting is namens appellanten verklaard dat het bezwaar betrekking heeft op de omstandigheid dit aspect aan inspraak is onttrokken.

2.34.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd.

2.34.2. De Afdeling stelt vast dat appellanten bezwaar maken tegen de vaststelling van het bestemmingsplan in afwijking van het ontwerp, nu met betrekking tot het betrokken planonderdeel geen inspraak mogelijk is geweest.

Voorop staat dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan afwijken van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn, dat sprake is van een ander plan, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw doorlopen te worden. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor.

2.34.3. Het beroep van [appellanten sub 16]is ongegrond.

[appellanten sub 18]

2.35. [appellanten sub 18] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de partiële herziening voor zover daarin de aanduiding “ontsluiting” is toegekend aan het plandeel met de bestemming “Woongebied I” dat is gelegen tussen het toekomstige kanaal en hun woning.

2.35.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben de partiële herziening in zoverre goedgekeurd.

2.35.2. In het bestreden besluit hebben verweerders naar aanleiding van de bedenkingen van appellanten overwogen dat het verkeer voor de woning van appellanten weliswaar zal toenemen, maar dat de toename naar verwachting binnen de wettelijke normen blijft. Uit het besluit blijkt evenwel niet dat zij zijn nagegaan waar appellanten wonen en tegen welke ontsluitingsweg hun bezwaren zijn gericht. Ter zitting is namens verweerders bevestigd dat zij deze aspecten bij de voorbereiding van hun besluit niet zijn nagegaan.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.35.3. Het beroep van [appellanten sub 18] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding “ontsluiting” die is toegekend aan het plandeel met de bestemming “Woongebied I”, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.35.4. Ter zitting is namens het gemeentebestuur verklaard dat het gedeelte van de voorziene ontsluitingsweg waartegen de bezwaren van appellanten zijn gericht niet zal worden aangelegd. Voorts is ter zitting naar voren gekomen dat partijen het erover eens zijn dat bedoelde aanduiding “ontsluiting” in zoverre ten onrechte op de plankaart is opgenomen.

Gelet hierop ziet de Afdeling, nu niet is gebleken dat hierdoor belangen worden geschaad, tevens aanleiding zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan deze aanduiding.

Proceskostenveroordeling

2.36. Verweerders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellanten sub 7] en [appellanten sub 18] Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] voor zover het betreft de beroepsgronden gericht tegen twee plandelen met de bestemming “Gemengde doeleinden “Blauwe Stad” (uit te werken ex artikel 11 W.R.O.)” en de aanduiding “woongebied met randmeren” (de percelen kadastraal bekend gemeente Beerta, sectie […], nos. […], […] en […] en sectie […], no. […]) en tegen het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” met de aanduiding “Aw”, waar na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de aanleg van een waterweg mogelijk is, niet-ontvankelijk;

III. verklaart het beroep van de Nieuwe Communistische Partij Nederland niet ontvankelijk;

IV. verklaart het beroep van [appellanten sub 18]geheel en het beroep van [appellanten sub 7] tegen het besluit tot goedkeuring van de partiële herziening gedeeltelijk gegrond;

V. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Groningen tot goedkeuring van de partiële herziening van 10 juli 2001, Nr. 2001-2.602/28/A.13, RBB, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. het noordelijk gelegen plandeel met de bestemming “Woongebied I” en de aanduiding “jachthaven”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

b. de aanduiding “ontsluiting” die is toegekend aan het plandeel met de bestemming “Woongebied I”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

VI. onthoudt goedkeuring aan de onder IV.a. en IV.b. vermelde onderdelen van het plan;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de onder IV.a. en IV.b. vermelde onderdelen van het plan;

VIII. verklaart het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ontvankelijk, de beroepen van [appellanten sub 7] voor het overige, en het beroep van de [appellanten sub 1] tegen het besluit tot goedkeuring van de partiële herziening en de beroepen van de [appellanten sub 3], de Stichting het Groninger Landschap, [appellant sub 5], [appellant sub 6], PKF/Post,

[appellanten sub 10], de Belangenvereniging Nieuweweg, [appellant sub 12], [appellanten sub 13], [appellant sub 14], de Ondernemersvereniging Oostwold, [appellanten sub 16] en [appellant sub 17] geheel ongegrond;

IX. veroordeelt gedeputeerde staten van Groningen in de door

[appellanten sub 18] en [appellanten sub 7] in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 189,48; dit bedrag dient door de provincie Groningen als volgt te worden betaald: aan [appellanten sub 18] € 53,90 en aan [appellanten sub 7] € 135,58;

X. gelast dat de provincie Groningen aan [appellanten sub 18] en aan [appellanten sub 7], afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Neuwahl

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

280.