Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200201486/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201486/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de gemeenteraad van De Lier, op voorstel van burgemeester en wethouders van 19 juni 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Leehove 2000".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 22 januari 2002, DRGG/ARB/01/6300A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 mei 2002 hebben verweerders meegedeeld geen verweerschrift uit te brengen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door M. Piccardt, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van De Lier, vertegenwoordigd door H.A. van der Meer en H. Dijkstra. Appellant is ter zitting niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van het bedrijventerrein Leehove ten zuidwesten van de Leeweg. Als gevolg hiervan zijn de woningen in het plangebied niet overeenkomstig het huidige gebruik bestemd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellant kan zich niet verenigen met de goedkeuring van het plan. Volgens hem kan het bedrijventerrein ook worden ontwikkeld met behoud van de woningen aan de Leeweg, waaronder zijn woning.

2.4. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het handhaven van de woningen te veel nadelen met zich brengt. Verweerders zijn van mening dat de verschillende belangen zorgvuldig zijn afgewogen en hebben het plan goedgekeurd.

2.5. Uit de stukken komt naar voren dat bij de voorbereiding van het plan vijf verschillende locaties voor de vestiging van een bedrijventerrein zijn onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat de locatie aan de Leeweg de meest geschikte is. Tevens is een planeconomische verkenning uitgevoerd. Daarbij zijn een model met en een model zonder handhaving van de woningen aan de Leeweg onderzocht. Het model zonder handhaving van de woningen aan de Leeweg is aan het plan ten grondslag gelegd. Bij deze keuze is gewicht toegekend aan de belemmering die de woningen aan de Leeweg voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein vormen en aan de aantasting van het woonklimaat van die woningen door de aanleg van het bedrijventerrein. Daarnaast is in aanmerking genomen dat een meerderheid van de bewoners van de woningen aan de Leeweg zich kan verenigen met amovering van hun woningen.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat verweerders in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, niet hebben kunnen instemmen met deze keuze die aan het plan ten grondslag is gelegd. Gelet hierop hebben zij aan het belang van appellant bij behoud van zijn woning geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen.

2.6. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Neuwahl

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

280-410.