Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5446

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200200238/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/249

Uitspraak

200200238/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 7 december 2001 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Financiƫn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2000 heeft de Staatssecretaris van Financiƫn (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van appellante om verstrekking van informatie afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2000 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 december 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 maart 2002 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend en stukken overgelegd ten aanzien waarvan hij om geheimhouding ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft verzocht. Appellant heeft aan de Afdeling toestemming verleend om mede op basis van de geheime stukken uitspraak te doen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.J. Vetter, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.Th.W. van Ravenstein, mr. R.M. Rijsbaarman en P.N. Polderman, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep is het geschil beperkt tot het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de in bezwaar gehandhaafde weigering om inzage te verlenen in de stukken betreffende de door de Europese Commissie verzonden AM (Assistence Mutuelle)-melding 58/92 en betreffende het verslag van de ad hoc bijeenkomst in Brussel in maart 1994. De staatssecretaris heeft zich bij de beslissing op het bezwaar primair op het standpunt gesteld dat Verordening (EEG) nr. 1468/81, thans Verordening (EG).nr. 515/97) van de Raad van 13 maart 1997, aan de inwilliging van het verzoek van appellante ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) in de weg staat. De rechtbank heeft, gelet daarop, overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemene belang van geheimhouding zwaarder dient te wegen dan het individuele belang van openbaarmaking, zodat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Wob zich tegen openbaarmaking van de stukken verzet.

2.2. De documenten waarom is gevraagd zijn door de Europese Commissie aan de staatssecretaris ter beschikking gesteld op basis van artikel 19 van de Verordening (EEG) nr. 1468/81 (thans artikel 45 van Verordening (EG).nr. 515/97), betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de douane - en landbouwvoorschriften.

Ingevolge het eerste lid van artikel 19, dat in artikel 45 nagenoeg ongewijzigd is overgenomen, zijn de krachtens deze verordeningen in welke vorm dan ook verstrekte gegevens vertrouwelijk. Zij vallen onder het beroepsgeheim en genieten de bescherming waarin voor soortgelijke gegevens wordt voorzien door de nationale wet van de ontvangende Lid-Staat en door de overeenkomstige bepalingen die voor communautaire instanties gelden.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens mogen met name niet worden doorgegeven aan andere personen dan die welke, in de Lid-Staten of binnen de Instellingen van de Gemeenschap, uit hoofde van hun functie, daarvan kennis dienen te nemen. Zij mogen evenmin worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin deze verordening voorziet, behalve met de uitdrukkelijke toestemming van de autoriteit die ze heeft verstrekt en voor zover die bekendmaking of dat gebruik niet in strijd is met bepalingen in de Lid-Staat waar de autoriteit die ze heeft ontvangen, is gevestigd.

2.3. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris zich, reeds gelet op deze communautaire geheimhoudingsbepalingen, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verstrekking van de gevraagde stukken moest worden geweigerd. Aan de gehanteerde weigeringsgronden ingevolge de Wob behoeft daarom niet te worden toegekomen. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot het juiste oordeel gekomen.

2.4. Appellante heeft voorts, ter onderbouwing van haar verzoek om openbaarmaking, gewezen op drie Europese arresten waarin onder meer de toegang tot documenten aan de orde is geweest, te weten het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-61/98 van 7 september 1999 en de arresten van het Gerecht van eerste aanleg in de zaak T-92/98, van 7 december 1999 en de (gevoegd behandelde) zaak

T-186/97 van 10 mei 2002. De door appellante aangehaalde passages uit genoemde arresten geven de Afdeling evenwel geen aanleiding tot een ander oordeel. Die arresten betreffen de openbaarheid van gegevens die zich bij de instellingen van de Europese Unie bevinden, in verband met het gebruik van deze gegevens bij het nemen van besluiten door die instellingen zelf. Op grond daarvan kan dan ook niet worden staande gehouden dat in het onderhavige geval geen strikte naleving van voornoemde communautaire geheimhoudingsbepalingen zou zijn vereist.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop zij berust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

91-367.