Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200104616/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104616/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 1998 heeft de gemeenteraad van Schijndel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 27 januari 1998, vastgesteld het bestemmingsplan "Centrum".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Bij besluit van 29 september 1998, nr. 194372, hebben verweerders beslist over de goedkeuring van dit plan.

Bij uitspraak van 30 november 2000, in zaak nr. E01.98.0631, is dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Bij besluit van 3 juli 2001, nr. 765841, hebben verweerders, voor zover nodig, opnieuw beslist over de goedkeuring van dit plan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 14 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2002, waar zijn verschenen van de zijde van appellanten [naam], [naam] en [naam], bijgestaan door mr. N.S. Commijs, advocaat te Utrecht, van de zijde van verweerders, mr. P. van Driel-Faasen, ambtenaar van de provincie, en van de zijde van het gemeentebestuur G. Waals, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Bij het bestreden besluit hebben verweerders goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” betreffende het perceel [locatie]. Ingevolge deze bestemming is de woning [locatie] als zodanig bestemd. De bijbehorende gronden mogen niet met woningen worden bebouwd. Verweerders overwegen nadrukkelijk dat de gemeente ter voldoening aan haar verplichting ex artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het perceel een wijzigingsbevoegdheid dient op te nemen naar wonen, die is gekoppeld aan stringente criteria waarbij in ieder geval moet zijn opgenomen dat de woningen dienen te passen in zowel het gemeentelijke als het provinciale verstedelijkingsbeleid.

2.3.1. Appellanten kunnen op zich instemmen met de onthouding van goedkeuring aan dit plandeel, doch zij kunnen zich er niet mee verenigen dat daarbij is bepaald dat in het op de voet van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op te stellen bestemmingsplan woningbouw op het desbetreffende perceel eerst door toepassing van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk dient te zijn. Zij stellen in dit verband dat het voorgaande bestemmingsplan wel een directe bouwtitel bood. Voorts wijzen zij erop dat in het ontwerp-bestemmingsplan wel de door hen gewenste bouwmogelijkheid was opgenomen.

2.3.2. Verweerders hebben goedkeuring aan het plandeel onthouden omdat zij vanuit stedenbouwkundige optiek geen bezwaren hebben tegen woningbouw op het perceel. Gelet op hun verstedelijkingsbeleid, zoals verwoord in het streekplan, achten zij het opnemen van een directe bouwtitel voor woningen op het perceel evenwel niet aanvaardbaar.

Ten aanzien van hun verstedelijkingsbeleid overwegen verweerders dat zij, teneinde dit te doen slagen, een terughoudend woningbouwbeleid voeren in de gemeenten met een lagere groeiklasse die zijn gelegen buiten de stadsregio’s. Schijndel is ingevolge het streekplan ingedeeld in groeiklasse 3. Dit brengt met zich dat er slechts gebouwd mag worden voor de opvang van de eigen woningbehoefte waarbij wordt uitgegaan van een migratiesaldo gelijk aan nul. Teneinde sturing te kunnen geven aan dit verstedelijkingsbeleid stellen verweerders regelmatig maximale bouwindicaties vast per gemeente. Verweerders verwachten dat de gemeenten, rekening houdend met deze maximale bouwindicaties, een evenwichtig bouwprogramma opstellen teneinde de voortgang van de woningbouw in een gemeente te verzekeren. Uitgaande van de door verweerders in 2000 vastgestelde planningsaantallen mag de gemeente Schijndel in de periode 2000-2005 410 woningen bouwen en in de periode 2005-2010 295 woningen. Per 1 januari 2000 was binnen de bestaande plannen een restcapaciteit van 719 woningen aanwezig, zodat voldoende bouwmogelijkheden aanwezig zijn om tot 2010 in de woningbehoefte te kunnen voorzien. Voorts heeft de gemeente een woningbouwprogramma opgesteld waarin zij de prioriteiten van de verschillende bouwlocaties heeft aangegeven, rekening houdend met haar kwalitatieve woningbouwtaak. Gelet hierop achten verweerders het aanvaardbaar dat de gemeenteraad er voor heeft gekozen om op het perceel [locatie] geen bouwmogelijkheid op te nemen.

Hiertegenover staat, aldus verweerders, het belang van appellanten. Voorts is het beleid van verweerders primair gericht op het benutten van inbreidingslocaties boven het benutten van een uitbreidingslocatie. Vanuit die optiek achten verweerders het wenselijk dat, voorzover dit past binnen het gemeentelijke en provinciale verstedelijkingsbeleid, de onderhavige locatie benut kan worden voor woningbouw. In zoverre achten verweerders de bedenkingen van appellanten gegrond. Gelet echter op de bestaande restcapaciteiten en het woningbouwprogramma is het wel noodzakelijk dat er vanuit de gemeente sturing kan worden gegeven aan het benutten van deze locatie. Verweerders achten een wijzigingsbevoegdheid daartoe het aangewezen middel.

2.3.3. De Afdeling acht het standpunt van verweerders niet onredelijk.

De vrees van appellanten dat aan de wijzigingsbevoegdheid geen toepassing zal worden gegeven omdat het gemeentebestuur, gegeven de beschikbare capaciteiten, om hem moverende redenen de voorkeur zal geven aan bebouwing van andere percelen dan dat van appellanten, is niet bij voorbaat zonder grond. De omstandigheid dat tegen bebouwing van het perceel van appellanten uit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren bestaan brengt echter niet op voorhand met zich dat die bebouwing ook moet worden toegestaan, gelet op de beleidsvrijheid die het gemeentebestuur bij de verdeling van bouwlocaties toekomt. Dat het vorige bestemmingsplan de gewenste bouwmogelijkheid wel bood, maakt het voorgaande niet anders, nu aan een bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Overigens is de stelling van verweerders, dat als gevolg van met toepassing van de anticipatieprocedure gerealiseerde bebouwing nabij het perceel van appellanten er geen reële bouwmogelijkheden resten, juist gebleken.

Voorts is het juist dat het bestemmingsplan wat het perceel van appellanten betreft gewijzigd is vastgesteld. Het staat de gemeenteraad echter vrij zulks te doen. Van rechtens te honoreren verwachtingen is niet gebleken.

2.3.4. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen overwegen dat de gemeente ter voldoening aan haar verplichting ex artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het perceel een wijzigingsbevoegdheid dient op te nemen naar wonen, die is gekoppeld aan stringente criteria waarbij in ieder geval moet zijn opgenomen dat de woningen dienen te passen in zowel het gemeentelijke als het provinciale verstedelijkingsbeleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Dit onderdeel van het beroep is mitsdien ongegrond.

2.4. Appellanten keren zich voorts tegen de goedkeuring van drie plandelen die woonbebouwing mogelijk maken. Zij voeren aan dat deze plandelen uit een oogpunt van een goed woon- en leefmilieu te dicht bij het perceel [locatie 1], waar [partij appellanten] een slachterij en rokerij exploiteert, zijn gelegen en derhalve beperkingen opleggen aan de bedrijfsactiviteiten.

2.4.1. Aan het plandeel betreffende het perceel [locatie 1] hebben verweerders bij hun besluit van 29 september 1998 goedkeuring onthouden omdat dit niet voorziet in handhaving van de slachterij/rokerij.

2.4.2. Verweerders hebben in hun thans bestreden besluit overwogen dat in de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 1999 voor een slachterij de ten minste aan te houden afstand maximaal 100 meter bedraagt. Gelet op de feitelijke situatie en op de gestelde geur- en geluidnormen in de verleende milieuvergunning achter zij echter een geringere afstand aanvaardbaar. Omdat het een ambachtelijk en kleinschalig bedrijf betreft achten verweerders het redelijk om twee afstandsstappen lager aan te houden, hetgeen een aan te houden afstand van ten minste 30 meter betekent.

Ook indien slechts één afstandsstap lager wordt aangehouden, hetgeen een aan te houden afstand van ten minste 50 meter betekent, is de geprojecteerde woningbouw aanvaardbaar, gelet op de afstand tussen de bestaande bebouwing van de slachterij/rokerij en de bebouwingsgrens van het dichtstbij gelegen plandeel met de bestemming “Woondoeleinden”. Verweerders achten het aanvaardbaar om van de bestaande toestand uit te gaan, nu het bedrijf in de directe omgeving van woningen ligt. Vanuit milieuhygiënische optiek is het niet aannemelijk dat een substantiële uitbreiding van de hinder veroorzakende activiteiten kan plaatsvinden.

Tegen het oprichten van een wasgelegenheid van wagens of een nieuwe stal aan de achterzijde van het perceel [locatie 1] bestaat naar de mening van verweerders vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaar omdat de afstand tussen deze bebouwing en de dichtstbijzijnde geprojecteerde woningen ongeveer 40 meter bedraagt.

2.4.3. Eén van de bestreden plandelen heeft de bestemming “Woondoeleinden” en ligt aan de Pompstraat. Hier is woningbouw mogelijk in ten minste één en ten hoogste anderhalve bouwlaag. De afstand tussen de bebouwingszone van dit plandeel en de grens van het perceel [locatie 1] bedraagt ongeveer 70 meter. Een tweede bestreden plandeel heeft de bestemming “Centrumvoorzieningen” met de nadere aanduiding “percelen als bedoeld in artikel 5.1.3, onder a” en ligt aan de Kloosterstaat, op de hoek van de geprojecteerde weg langs het klooster. Ingevolge artikel 5.1.3, onder a, van de planvoorschriften dient de woonfunctie met name op de verdieping te worden instandgehouden en versterkt. De afstand tussen de bebouwingszone van dit plandeel en de grens van het perceel [locatie 1] bedraagt ongeveer 60 meter.

In het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 12 juli 1999 in de zaak nr. F01.99.0021 wordt als maatgevende, uit een oogpunt van geurhinder aan te houden afstand tussen de uitmondingen van de rookkasten en de toekomstige woningen 50 m genoemd. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan deze plandelen.

Dit beroepsonderdeel is derhalve in zoverre ongegrond.

2.4.4. Het derde hier aan de orde zijnde plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” maakt woningbouw mogelijk in ten minste drie en ten hoogste vier bouwlagen. De afstand tussen de bebouwingszone van dit plandeel en de op de plankaart aangeduide bebouwingsgrens ter plaatse van het bedrijfsperceel bedraagt ongeveer 40 meter. Gelet op het hiervoor genoemde deskundigenbericht is deze afstand uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening te gering. Weliswaar bedraagt de afstand tussen de bestaande rookkanalen en de bebouwingszone thans ongeveer 50 meter, doch een eventuele verplaatsing van bedrijfsactiviteiten in de richting van voornoemde bebouwingszone moet niet uitgesloten worden geacht. Verweerders hebben zich mitsdien niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerders, door dit plandeel goed te keuren, hebben gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Dit beroepsonderdeel is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij aan dit plandeel goedkeuring is verleend. Voorts ziet de Afdeling aanleiding zelf voorziend goedkeuring aan dit plandeel te onthouden.

2.5. Verweerders dienen op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 juli 2001, nr. 765841, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” dat nader is aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II bedoelde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 766,99, waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. De Groot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

210.