Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200103934/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2002/550
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103934/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 juli 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Oss.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Oss de bij besluit van 23 juli 1980 aan [vergunninghouders] verleende bouwvergunning voor de bouw van een fokvarkensstal op het perceel [locatie] te [plaats], ingetrokken.

Bij besluit van 4 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 juli 2001, verzonden op 6 juli 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 september 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. C.J.A.M. van der Meijden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Burgemeester en wethouders hebben bij besluit van 11 januari 2000 met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 4.1 van de gemeentelijke bouwverordening, de vergunning voor de bouw van een fokvarkensstal, verleend bij besluit van 23 juli 1980, ingetrokken, waarbij zij hebben overwogen dat de planologische inzichten ten aanzien van het betrokken perceel in de loop der jaren zijn gewijzigd.

2.2. De Afdeling gaat er, hoewel de door burgemeester en wethouders bij de verlening in 1996 van de bouwvergunning voor een kalverenopvangcentrum gehanteerde terminologie tot een andere opvatting aanleiding zou kunnen geven, in het navolgende van uit, dat de in geding zijnde vergunning voor een fokvarkensstal niet reeds is komen te vervallen als gevolg van de verlening van de vergunning voor een kalverenopvangcentrum.

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er geen sprake is van gewijzigde planologische inzichten bij het gemeentebestuur. Appellant heeft daartoe gewezen op de inspanningen die van de zijde van het gemeentebestuur zijn verricht om ter plaatse een bouwblok voor agrarische activiteiten te realiseren.

Dit betoog faalt. Uit de stukken is gebleken dat ten tijde van de verlening van de bouwvergunning het betrokken perceel in het bestemmingsplan “Buitengebied” was aangemerkt als “Agrarisch bouwblok”. In het daaropvolgende bestemmingsplan “Buitengebied, Herziening 1988” is deze bestemming gewijzigd in de bestemming “Agrarisch kernrandgebied”. Op gronden met deze bestemming is de bouw van een fokvarkensstal niet toegestaan. Dat burgemeester en wethouders nadien twee maal met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling hebben verleend van het bestemmingsplan doet daaraan niet af, nu zij dit alleen hebben gedaan met het oog op de bouw van een kalverenopvangcentrum. Ook het feit dat in het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied” aan het perceel de bestemming “Semi- en niet agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “Veehandelsbedrijf” is toegekend doet aan het vorenstaande niet af, nu de bouw van een fokvarkensstal ook binnen deze bestemming niet past.

2.4. Appellant betoogt voorts dat hij gestart is met de bouw van een fokvarkensstal en dat de rechtbank er bij haar oordeel ten onrechte van uit is gegaan dat het niet onaannemelijk is dat er gebouwd wordt ten behoeve van een kalverenopvangcentrum.

Dit betoog slaagt evenmin. Gebleken is dat burgemeester en wethouders al sinds 1995 met appellant in overleg waren om op het perceel een kalverenopvangcentrum te vestigen en dat zij bij besluit van 20 september 1996 een “gewijzigde” bouwvergunning hebben afgegeven voor een kalverenopvangcentrum. Die bouwvergunning is eerst op 6 december 1996, dus nadat appellant op 3 oktober 1996 was begonnen met bouwen, geschorst en bij besluit van 18 februari 1997 herroepen. De Afdeling is gelet daarop met de rechtbank van oordeel dat het standpunt van burgemeester en wethouders dat appellant op 3 oktober 1996 een aanvang heeft gemaakt met werkzaamheden die vallen onder de op 20 september 1996 verleende bouwvergunning, niet onaannemelijk is. Dat het gemeentebestuur voorafgaand aan de start van de bouwactiviteiten het bouwwerk heeft uitgezet, maakt dit niet anders, nu dit eveneens is gebeurd met het oog op de op dat moment geldende vergunning verleend bij besluit van 20 september 1996. Ook de niet nader onderbouwde stellingen van appellant dat er pas toen een nijpend ruimtegebrek op de ouderlijke boerderij was en dat vanwege bedrijfseconomische en gezondheidsredenen de bouw van de fokvarkensstal niet eerder in de rede lag, doen daaraan niet af.

2.5. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat burgemeester en wethouders aan het in de wijziging van de planologische situatie gelegen belang bij intrekking van de bouwvergunning niet in redelijkheid een groter gewicht konden toekennen dan aan het belang van appellant bij handhaving van de vergunning.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

58-378-398.