Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200103185/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103185/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 17 mei 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 1999 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Veere (hierna: burgemeester en wethouders) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die wet luidde tot 3 april 2001 (hierna: de WRO), vrijstelling en tevens bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghoudster) voor het oprichten van een bedrijvenverzamelgebouw op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Veere, kern Meliskerke, sectie […], no. […] (ged.).

Bij besluit van 9 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van 4 november 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 mei 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ingekomen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2002, waar [1 appellant] in persoon, bijgestaan door mr. H. Mink, advocaat te Oost-Souburg, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J. den Boer, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft een loods voor opslag van vloerbedekking en zonwering ten behoeve van het stofferingsbedrijf van [partij]. Vaststaat dat vrijstelling - als bedoeld in artikel 19 van de WRO - van het ter plaatse geldende bestemmingsplan was vereist om bouwvergunning te kunnen verlenen voor de loods. De gemeenteraad van Veere heeft voor dit perceel een voorbereidingsbesluit genomen, dat in werking trad op 26 juni 1999, en gedeputeerde staten van Zeeland hebben voor het bouwplan bij besluit van 20 mei 1999 een verklaring van geen bezwaar verleend. Aan de wettelijk gestelde eisen voor het toepassen van de anticipatieprocedure was dan ook voldaan.

2.2. De beslissing om al dan niet te anticiperen dient te berusten op een afweging van het belang van onmiddellijke uitvoering van het bouwplan tegen het belang dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure wordt afgewacht. Daarbij is de te verlangen mate van spoedeisendheid afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het geldende planologische regime alsmede van de uitstraling die het project op de omgeving heeft. Naarmate de ingreep in het ter plaatse bestaande planologische regime groter is, dienen hogere eisen te worden gesteld ten aanzien van de mate van uitwerking van het toekomstige planologische kader en de mate van spoedeisendheid van het bouwplan.

2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat hun belangen door burgemeester en wethouders onvoldoende zijn betrokken bij de verlening van de vrijstelling en de bouwvergunning. De gronden van het hoger beroep betreffen de parkeermogelijkheden, die volgens appellanten bij realisering van het bouwplan onvoldoende zullen zijn voor hun bedrijfsgebouwen, de onduidelijkheid omtrent de aard van het bedrijf dat zich in de loods zal gaan vestigen en voorts de motivering met betrekking tot welstandsaspecten.

2.4. Het planologische kader waaraan burgemeester en wethouders bij de bestreden beslissing hebben getoetst, wordt gevormd door een voorbereidingsbesluit en een ten behoeve van het in procedure brengen van een ontwerp-bestemmingsplan in concept opgestelde “Notitie bedrijfsterreinen”. Nu op het bedrijventerrein al een aantal bedrijven is gevestigd en het bouwplan wat de maatvoering betreft niet (aanzienlijk) afwijkt van de reeds bestaande bebouwing, is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een zodanige inbreuk op het geldende planologische regime dat de beschikbare informatie omtrent het toekomstige planologisch kader geen basis kon vormen voor het verlenen van de onderhavige vrijstelling. Daarbij is in aanmerking genomen dat blijkens de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, het bouwplan in verband met de bedrijfsvoering van [partij] de nodige urgentie heeft.

2.5. Voorts is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat geen reden bestaat om aan te nemen dat sprake zal zijn van onaanvaardbare parkeerproblemen. Het bouwplan zoals dit bij burgemeester en wethouders is ingediend beoogt het oprichten van een loods die volgens de bouwaanvraag geheel wordt gebruikt voor opslag van vloerbedekking en zonwering. Gelet op het beoogde gebruik van de loods, de beschikbare ruimte op het perceel en de omstandigheid dat het bedrijventerrein opnieuw moet worden ontsloten, waarbij ook de verplaatsing van parkeerplaatsen zal worden geregeld, heeft de rechtbank terecht niet aannemelijk geacht dat het bouwplan tot onaanvaardbare verhoging van de parkeerdruk zal leiden.

2.6. Appellanten hebben aangevoerd dat in de loods naast de opslag van [partij] thans tevens een caravanstalling en een loodgietersbedrijf gevestigd zijn. Dienaangaande is de Afdeling, evenals de rechtbank, van oordeel dat uitgegaan moet worden van het voorgenomen gebruik. Niet is gebleken dat burgemeester en wethouders er rekening mee moesten houden dat de loods voor een ander doel zou worden gebruikt dan in de aanvraag om bouwvergunning is vermeld. De met toepassing van artikel 19 van de WRO verleende vrijstelling ziet ook alleen op dit gebruik. Ter zitting hebben burgemeester en wethouders dienaangaande opgemerkt dat [partij] voor een ander gebruik van de loods een nieuwe vrijstelling behoeft.

2.7. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het advies van de welstandscommissie van 18 augustus 1999 een deugdelijke grondslag biedt voor het oordeel van burgemeester en wethouders dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het tegenadvies van [architect] is pas na het bestreden besluit door appellanten - ter zitting bij de rechtbank – overgelegd, zodat de rechtbank daarmee terecht geen rekening heeft gehouden. Gelet voorts op het feit dat het bouwplan de oprichting van een loods betreft hebben burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat – anders dan in het door appellanten overgelegde rapport als uitgangspunt is genomen - met betrekking tot de aan de bouw te stellen eisen niet kan worden gesproken van een met de door appellanten opgerichte bebouwing op één lijn te stellen geval, aangezien appellanten naast bedrijfsbebouwing tevens een woning op het terrein hebben gerealiseerd.

2.8. Het vorenstaande leidt de Afdeling tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid vrijstelling en bouwvergunning hebben kunnen verlenen voor het bouwplan.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Korthals Altes, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Korthals Altes w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

47-406.