Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200106262/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106262/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Ermelo,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2001, kenmerk 0119686, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veehouderij gelegen aan de [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 8 november 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 19 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 mei 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. D.L. Bolleboom en C. Akkerman, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon aanwezig en bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 1.455 mestkalveren van 0 tot 8 maanden.

Ten behoeve van de inrichting is eerder bij besluit van 28 oktober 1994 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 1.055 vleeskalveren van 0 tot 8 maanden.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de beroepsgrond dat de in het ter plaatse geldende ammoniakreductieplan opgenomen passage betreffende de signaliseringswaarde van 600 mol - die bepalend is voor de vraag of bij de aanvraag om milieuvergunning een bedrijfsmilieuplan moet worden gevoegd - leidt tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid, niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. In de bedenkingen wordt slechts ingegaan op (de inhoud van) het bij de aanvraag gevoegde bedrijfsmilieuplan. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in het plan worden bepaald dat voor veehouderijen een daarbij aangegeven hogere waarde geldt dan ingevolge de artikelen 4 tot en met 6 van de wet is toegestaan, indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij, door intrekking of wijziging van de vergunning voor die veehouderij met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan op verzoek van degene die die veehouderij drijft, zodanig vermindert dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt.

De gemeente Ermelo maakt gebruik van een door de gemeenteraad vastgesteld en door gedeputeerde staten van Gelderland goedgekeurd ammoniakreductieplan, het ammoniakreductieplan “Agrarische Enclave Uddel-Elspeet-Garderen-Speuld” (hierna: het ARP-AE); dat is een plan als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet.

In paragraaf 7.2 van het ARP-AE wordt vermeld dat voorkomen moet worden dat als gevolg van bedrijfsveranderingen nieuwe knelpunten ontstaan. Om deze reden is in het ARP-AE een signaliseringswaarde van 600 mol op het dichtstbijzijnde voor verzuring gevoelig gebied opgenomen. Bij overschrijding van deze waarde zal extra aandacht besteed moeten worden aan de mogelijkheden om de ammoniakemissie van het betrokken bedrijf te reduceren. In deze situaties zal er maatwerk geleverd moeten worden. De vergunningaanvrager zal een, door een onafhankelijke deskundige opgesteld, bedrijfsmilieuplan moeten overleggen. Dit plan zal wegen aan moeten geven waarlangs, binnen een te bepalen periode, naar een lager emissie-niveau dient te worden gewerkt volgens het ALARA-principe. Indien een dergelijk plan in een situatie als genoemd niet bij de aanvraag is gevoegd, kan het bevoegd gezag de aanvraag niet-ontvankelijk verklaren.

In paragraaf 7.3 van het ARP-AE is bepaald dat bij toepassing van de saldomethode een korting van 50% wordt toegepast op de te verplaatsen emissie. Voorts is in het ARP-AE vermeld dat voor vleeskalveren een korting van 25% geldt, tot voor vleeskalveren een emissie-arm stalsysteem voorhanden is. Zodra er een emissie-arm stalsysteem is, geldt, aldus het ARP-AE, ook voor kalveren een korting van 50%.

2.4. Appellante vreest voor een toename van de ammoniakdepositie op het dichtstbijzijnde voor verzuring gevoelige heidegebied. Zij betoogt dat gezien de ligging van het onderhavige bedrijf ten opzichte van dit gebied de laagst mogelijke waarde voor de ammoniakdepositie moet worden nagestreefd. Zij voert hiertoe aan dat het ARP-AE in strijd is met de Interimwet, omdat hierin verschillende reductiepercentages zijn opgenomen afhankelijk van de diersoort ten behoeve waarvan toepassing wordt gegeven aan de saldomethode. Verweerders hebben daarom naar de mening van appellante ten onrechte een salderingskorting van 25% in plaats van 50% toegepast.

2.4.1. Vaststaat dat verweerders bij het verlenen van de gevraagde vergunning de saldomethode als bedoeld in paragraaf 7.3 van het ARP-AE hebben toegepast. In het onderhavige geval dient de vraag te worden beantwoord of de in het ARP-AE opgenomen saldomethode in strijd is met het in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet opgenomen doel dat bij toepassing van een saldomethode de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeente of gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeente of gemeenten daalt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 22 mei 2002, no. 200001930/1 (aangehecht), overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de in het ARP-AE neergelegde regeling van de saldomethode is aan te merken als een met het recht strijdige implementatie van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet. De Afdeling ziet in het onderhavige geval geen grond voor een ander oordeel. Weliswaar verzet de Interimwet zich, zoals appellante stelt, er tegen dat in een ammoniakreductieplan een regeling wordt getroffen waarbij omstandigheden die geen verband houden met het bereiken van de doelstellingen van die wet bepalend zijn voor de vaststelling van de waarde van de ammoniakdepositie, maar blijkens het ARP-AE berust het gemaakte onderscheid op de beschikbare technische middelen om tot een reductie van de ammoniakemissie te komen. Dit is een onderscheid dat verband houdt met de doelstelling van de wet. Mitsdien is het gemaakte onderscheid verenigbaar met de Interimwet. Het beroep op dit punt treft geen doel.

2.4.2. Niet in geschil is dat het veebestand dat op grond van de bij het bestreden besluit verleende revisievergunning mag worden gehouden een ammoniakemissie veroorzaakt van 3.637,5 kg. De ammoniakemissie neemt ten opzichte van de onderliggende vergunning toe met 1000 kg en de ammoniakdepositie neemt toe van 1.028, 63 naar 1.418,63 mol per hectare per jaar. Blijkens het bestreden besluit hebben verweerders zich ten behoeve van de uitbreiding van het veebestand van de onderhavige inrichting gebaseerd op de overname van de ammoniakemissie van 1.405,0 kg, waarvan 1000 kg zal worden aangewend, en een ammoniakdepositie van 1.095,9 mol per hectare per jaar, die ingevolge de gedeeltelijke intrekking van de vergunning van de veehouderij gelegen aan de Einderweg 3 te Uddel mogelijk kan worden gemaakt. In het onderhavige geval is er blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting binnen het plangebied van het ARP-AE sprake van een emissie- en depositiewinst van respectievelijk 29% en 33,2%. Gelet op het vorenstaande staat vast dat bij toepassing van de in het ARP-AE opgenomen saldomethode de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeente of gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeente of gemeenten daalt, zodat aan de doelstelling van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet wordt voldaan. Dit beroepsonderdeel faalt derhalve.

2.5. Appellante stelt voorts dat het bedrijfsmilieuplan, zoals bedoeld in paragraaf 7.2 van het ARP-AE, onvoldoende informatie bevat over de mogelijkheden tot het nemen van maatregelen om de ammoniakemissie als gevolg van de onderhavige inrichting te beperken. Zij is daarom van mening dat verweerders de aanvraag niet-ontvankelijk hadden moeten verklaren. Appellante betoogt vervolgens dat de in het bedrijfsmilieuplan opgenomen maatregel ontoereikend is. Zij voert hiertoe onder andere aan dat met de maatregel slechts een extra emissiereductie van 4% wordt bereikt en dat er diverse emissiearme stalsystemen in ontwikkeling zijn.

2.5.1. Verweerders hebben betoogd dat in het opgestelde bedrijfsmilieuplan een afweging is gemaakt tussen het aankopen van ammoniakrechten, het aanpassen van de bedrijfsvoering door het veranderen van het stalsysteem en het verplaatsen van de emissiepunten. In het bedrijfsmilieuplan is gekozen voor de mogelijkheid tot aankoop van extra ammoniakrechten omdat er voor vleeskalveren nog geen erkende emissiearme stalsystemen beschikbaar zijn en het verplaatsen van het emissiepunt op onderhavige locatie geen oplossing biedt.

2.5.2. Vaststaat dat bij de onderhavige aanvraag om milieuvergunning een bedrijfsmilieuplan, opgesteld door DLV Bouw- Adviesbureau B.V., als bedoeld in paragraaf 7.2 van het ARP-AE is gevoegd. In genoemd bedrijfsmilieuplan zijn wegen aangegeven waarlangs, binnen een te bepalen periode, naar een lager emissieniveau wordt toegewerkt. Hetgeen appellante heeft aangevoerd leidt, gezien het vorenstaande, niet tot het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

In het bedrijfsmilieuplan is als maatregel om tot emissiereductie te komen de aankoop van emissierechten aanbevolen. Om aan het vereiste van paragraaf 7.2 van het ARP-AE te voldoen zijn er meer ammoniakrechten aangekocht dan noodzakelijk is, zodat door toepassing van de in het bedrijfsmilieuplan opgenomen maatregel een extra emissiewinst van 4% wordt behaald. De totale emissiereductie binnen het plangebied van het ARP-AE bedraagt als gevolg van deze maatregel 29%. Tijdens het verhandelde ter zitting is gebleken dat vergunninghouder ten tijde van de aanvraag om onderhavige milieuvergunning niet meer ammoniakrechten heeft kunnen aankopen om tot een hogere emissiewinst te komen omdat op dat moment weinig ammoniakrechten in het onderhavige plangebied beschikbaar waren. Voorts is zowel uit de stukken als het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat voor vleeskalveren thans geen Groen Label-stalsystemen voorhanden zijn. Verder leidt een verplaatsing van het emissiepunt, blijkens het verhandelde ter zitting, tot een toename van de depositie op het ten noordoosten van het bedrijf gelegen voor verzuring gevoelige gebied. Nu met de aangekochte emissierechten een extra emissiereductie binnen het plangebied van het ARP-AE wordt bewerkstelligd, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet in strijd met artikel 8 van de Interimwet in samenhang gelezen met paragraaf 7.2 van het ARP-AE tot stand is gekomen. In hetgeen appellante overigens nog heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6. Het beroep is – voorzover ontvankelijk - ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het betreft de grond dat de in het ter plaatse geldende ammoniakreductieplan opgenomen passage ten aanzien van de signaliseringswaarde van 600 mol leidt tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Den Broeder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

187-374.