Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5419

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200200145/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200145/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

erven van [appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 17 december 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Zaltbommel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 1998 hebben burgemeester en wethouders van Zaltbommel (hierna: burgemeester en wethouders) [vergunninghouder] onder toepassing van bestuursdwang aangeschreven de door hem geplaatste loods op het perceel [locatie], af te breken.

Bij besluit van 19 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [vergunninghouder] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de bezwaar- en beroepschriftencommissie van 25 januari 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 december 2001, verzonden op 17 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [vergunninghouder] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [erven] en bijgestaan door mevrouw mr. J.H. Hartman, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door F.H.P. Mellink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat voor de oprichting van een loods op het onderhavige perceel nimmer bouwvergunning is verleend.

2.2. Appellanten hebben – mede aan de hand van ter zitting getoonde luchtfoto’s - betoogd dat reeds sinds 1978 ter plaatse een (gedeelte van een) loods aanwezig was die door de jaren heen is verwoest en in 1996 geheel is herbouwd. Zij menen dat zij op grond van het overgangsrecht in het bestemmingsplan bevoegd waren de loods zonder bouwvergunning geheel te vernieuwen.

2.3. Dit betoog van appellanten faalt. Zoals de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie, terecht heeft overwogen blijft hetgeen zonder de vereiste bouwvergunning is opgericht, ook onder het overgangsrecht, illegaal zolang niet alsnog bouwvergunning is verleend. Appellanten kunnen aan het overgangsrecht derhalve geen rechten op behoud van de loods ontlenen.

2.4. Nu geen bouwvergunning is afgegeven, heeft de rechtbank derhalve terecht geoordeeld dat burgemeester en wethouders bevoegd waren tot toepassing van bestuursdwang over te gaan.

2.5. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verwacht dat het afziet van handhavend optreden.

2.6. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisatie. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Oost en Zuid” rust op de grond waarop de loods is gesitueerd de bestemming “agrarisch gebied”. Ingevolge de planvoorschriften mogen agrarische bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven agrarische bouwpercelen worden gebouwd. Niet in geschil is dat op de kaart ter plaatse geen agrarisch bouwperceel staat aangegeven. Aan het overgangsrecht kunnen appellanten evenmin aanspraak ontlenen op het verkrijgen van een bouwvergunning, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. De loods is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Weliswaar voorziet het bestemmingsplan in een wijzigingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders om een agrarisch bouwperceel ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf toe te kennen, doch de Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen, zoals door appellanten ter zitting overigens ook is erkend, dat in het onderhavige geval geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Burgemeester en wethouders hebben dan ook toepassing van voornoemde wijzigingsbevoegdheid niet in overweging hoeven nemen. De omstandigheid dat appellanten thans de mogelijkheid onderzoeken om het onderhavige perceel te verkopen aan een agrariër die ter plaatse een volwaardig agrarisch bedrijf zou willen exploiteren, maakt dit niet anders.

2.7. Voorts deelt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat de weigering van burgemeester en wethouders om ten behoeve van de loods vrijstelling te verlenen op grond van artikel 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, niet onredelijk is te achten. Legalisering van de loods behoort derhalve niet tot de mogelijkheden.

2.8. Appellanten hebben aangevoerd dat vóór de herbouw van de schuur in 1996 gedurende vele jaren een gedeelte van een loods aanwezig is geweest, waardoor bij hen het vertrouwen is gewekt dat niet tegen de onderhavige loods zou worden opgetreden. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat burgemeester en wethouders niet gedurende een dusdanig lange periode de aanwezigheid van de thans aanwezige loods hebben gedoogd, dat zij thans in redelijkheid daar tegen niet meer zouden kunnen optreden. De omstandigheid dat volgens appellanten vóór 1996 reeds een gedeelte van een loods aanwezig was, leidt, wat daar overigens ook van zij, niet tot een ander oordeel.

Ook overigens is de Afdeling niet gebleken van bijzondere omstandigheden die burgemeester en wethouders tot het afzien van handhavend optreden hadden moeten nopen.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.A. de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. De Wit

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

141-380.