Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200200035/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200035/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 21 november 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (hierna: burgemeester en wethouders) appellant gelast, onder aanzegging van bestuursdwang, binnen zes weken na datering van de lastgeving het op het perceel [locatie] te [plaats] opgerichte tuinschuurtje te verwijderen.

Bij besluit van 11 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 14 juni 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 november 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2002, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. ing. A. Schmitz en R. Oosterhuis, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het geschil betreft de bouw van een tuinschuurtje met een bruto-inhoud van 11 m3.

2.2. Het tuinschuurtje is zonder de daartoe op grond van artikel 40 van de Woningwet vereiste bouwvergunning opgericht. Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd handhavend op te treden tegen de illegale situatie.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.

2.4. Appellant betoogt dat legalisering van het tuinschuurtje mogelijk is. Voorts handhaaft hij zijn standpunt dat namens burgemeester en wethouders toestemming is gegeven voor de bouw van het tuinschuurtje en ook dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.5. Het perceel is in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Molenland II” bestemd als “Woongebied”.

Ingevolge artikel 4A, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor ”woongebied” aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden met de daarvoor noodzakelijke bouwwerken met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften mag op gronden met voornoemde bestemming uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd uitwerkingsplan van burgemeester en wethouders.

2.6. Vast staat dat een uitwerkingsplan ontbreekt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat op de in geding zijnde plaats ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften, een bouwverbod geldt. De bouw van het tuinschuurtje is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Daarom kan slechts bouwvergunning worden verleend met vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Anders dan de rechtbank heeft overwogen gold het bestemmingsplan “Algemene bijgebouwenregeling”, dat op 31 augustus 2000 door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd, ten tijde van de beslissing op bezwaar van 11 juli 2000 nog niet. Burgemeester en wethouders hanteerden toen nog de Algemene bijbouwregeling als richtlijn voor het verlenen van vrijstelling voor het bouwen van bij woningen behorende bouwwerken.

In hoofdstuk 2.3 van de Algemene bijbouwregeling is bepaald dat de gewenste openheid van voor- en zijtuinen niet wezenlijk wordt aangetast, als de bebouwde oppervlakte beperkt blijft tot ten hoogste 1 vierkante meter en de hoogte maximaal 1,5 meter bedraagt. De afmetingen van het tuinschuurtje – dat een oppervlakte heeft van 6 vierkante meter en een hoogte van 2,25 meter - voldoen niet aan de normen van deze regeling.

De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het tuinschuurtje niet middels vrijstelling voor legalisering in aanmerking komt.

2.7. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot toezeggingen namens burgemeester en wethouders vormt geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan had behoren te worden afgezien van handhavend optreden. Aan een mondelinge mededeling van een buitendienstmedewerker van de gemeente, voorzover al gedaan, kan immers geen rechtens te honoreren vertrouwen worden ontleend.

Appellant heeft geen concrete gevallen genoemd zodat reeds om die reden het beroep op het gelijkheidsbeginsel geen doel kan treffen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Wilbers-Taselaar

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

71-394.