Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5410

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200103099/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103099/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. Stichting Belangen Rillaersebaan-West, gevestigd te Goirle,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Tilburg, op voorstel van burgemeester en wethouders van 29 mei 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Surfplas".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 8 mei 2001, nummer 713.247, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 22 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2001, appellant sub 2 bij brief van 14 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2001, appellante sub 3 bij brief van 25 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2001, en appellant sub 4 bij brief van 2 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2001, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 27 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 september 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. E.A.M. Leenaerts, gemachtigde, appellante sub 3, vertegenwoordigd door [voorzitter], appellant sub 4, in persoon en vertegenwoordigd door mr. J.H. Rodenburg, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door P.H.G.M. Jansen, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraden van Tilburg en Goirle, vertegenwoordigd door mr. L.M. van Grinsven, respectievelijk A.J.M. van Son, ambtenaren der gemeente daar gehoord.

Appellant sub 2 is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt de vestiging van bedrijven, de bouw van woningen en het realiseren van een ecologische zone mogelijk in een gebied van ongeveer 71 hectare ten noorden van Goirle en ten zuiden van Tilburg. Verweerders hebben bij het bestreden besluit het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellante sub 3 heeft aangevoerd dat tijdens de tervisieligging van het ontwerp-plan ten onrechte niet het Stedenbouwkundig Masterplan (verder: SMP), waarop het bestemmingsplan is gebaseerd, ter visie lag. Appellante acht dit bezwaarlijk omdat hierdoor niet kon worden nagegaan in hoeverre in het bestemmingsplan de uitgangspunten van het SMP in acht zijn genomen.

2.3.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling het volgende gebleken.

Ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan bestond wel een ontwerp van het SMP, maar niet is gebleken dat toen niet (desgevraagd) van dit ontwerp kennis genomen kon worden. Voorts heeft het SMP samen met het vastgestelde bestemmingsplan in de fase waarin bedenkingen konden worden ingediend ter visie gelegen. Mitsdien heeft de mogelijkheid bestaan om gedurende de planprocedure de verhouding tussen bestemmingen en SMP aan de orde te stellen.

De Afdeling ziet onder deze omstandigheden geen grond om te oordelen dat enig voorschrift terzake van de procedure van de totstandkoming van het bestemmingsplan is geschonden. Appellante heeft overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat zij in haar belangen is geschaad.

2.4. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren aan dat het plan ten onrechte is goedgekeurd voorzover niet-agrarische bestemmingen zijn gegeven aan voor hun agrarische bedrijven in gebruik zijnde gronden. [Appellant sub 1] acht dit bezwaarlijk omdat dit ertoe zal leiden dat hij zijn agrarische bedrijf zal moeten beëindigen. [Appellant sub 1] heeft gesteld dat hij het houden van pony’s zal moeten beëindigen. [Appellant sub 2] heeft als bezwaar aangevoerd dat de betrokken gronden onmisbaar zijn voor zijn buiten het plangebied gevestigde bedrijf. Appellanten vinden een en ander des te bezwaarlijker nu onduidelijkheden bestaan over de realisering van het plan omdat daarbij twee gemeentes zijn betrokken.

2.4.1. De raad heeft aan de in het geding zijnde gronden van appellanten sub 1 de bestemmingen “Bedrijfsdoeleinden uit te werken door burgemeester en wethouders (B(UW I), B(UW II)”, “Woondoeleinden uit te werken door burgemeester en wethouders (W (UW)” en de aanduidingen “ecologische zone” en “open plekken” toegekend. Aan de gronden van appellant sub 2 zijn de bestemming “Bedrijfsdoeleinden uit te werken door burgemeester en wethouders B(UW III)” en de aanduiding “akoestisch af te schermen gebied” toegekend. Het plan voorziet niet in de handhaving van de agrarische bedrijvigheden van appellanten.

Blijkens de stukken vloeit een en ander voort uit de behoefte van de gemeente Tilburg aan bedrijfsterreinen en de behoefte van de gemeente Goirle aan woningbouwlocaties.

2.4.2. Verweerders hebben geen reden gezien deze gedeeltes van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben daarbij gewezen op het belang bij het realiseren van de bestemmingen. Daarbij hebben zij ten aanzien van de gronden van appellanten sub 1 en sub 2 overwogen dat deze zodanig zijn gelegen dat zij in de ruimtelijke opzet van het bestemmingsplan niet kunnen worden gemist.

2.4.3. Gezien de stukken is de Afdeling van oordeel dat aannemelijk is dat gewichtige belangen bestaan om in het onderhavige gebied de voorziene woningbouw en bedrijfsterreinen tot ontwikkeling te brengen en derhalve aan de betrokken gronden genoemde bestemmingen te geven. Het bieden van de mogelijkheid tot voortzetting van het door appellanten gewenste gebruik van hun gronden zou daarbij op wezenlijke bezwaren stuiten.

De Afdeling ziet voorts, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding te veronderstellen dat de uitvoering van het bestemmingsplan niet binnen afzienbare termijn een aanvang zal nemen. Naar aanleiding van hetgeen appellanten hebben aangevoerd wijst de Afdeling er hierbij op dat per 1 januari 2001 tussen de gemeentes Tilburg en Goirle een grenswijziging heeft plaatsgevonden. De uitvoering van het gedeelte van het plan dat in bedrijventerrein voorziet zal door de gemeente Tilburg geschieden en van het gedeelte dat in woningbouw voorziet door de gemeente Goirle.

De Afdeling overweegt verder dat niet in geschil is dat het plan voor appellanten de door hen aangegeven gevolgen zal hebben. Deze gevolgen moeten voor met name [appellant sub 1] als ingrijpend worden aangemerkt. Het gemeentebestuur en verweerders hebben dit onderkend, doch de bezwaren voor appellanten van minder gewicht geacht dan de met het plan gediende belangen. De Afdeling ziet geen grond om te oordelen dat het gemeentebestuur en verweerders niet in redelijkheid tot deze afweging hebben kunnen komen.

2.5. Appellanten sub 3 en sub 4 voeren aan het plan ten onrechte is goedgekeurd voor zover de mogelijkheid wordt gegeven bedrijven tegenover de woonhuizen, welke zich ten zuiden van de Rillaersebaan bevinden, te realiseren. Zij stellen dat hierdoor het vrije uitzicht vanuit deze woonhuizen zal worden weggenomen en dat gezien de aard van de voorziene bedrijven en de toegelaten bebouwingshoogte visuele hinder zal ontstaan. Voorts stellen appellanten dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de verkeersintensiteit op de Rillaersebaan en naar de daarmee samenhangende geluidhinder voor genoemde woonhuizen en aantasting van de luchtkwaliteit.

2.5.1. De gemeenteraad heeft de door appellanten bedoelde gronden tot bedrijfsterrein bestemd omdat deze, mede door de ligging ten opzichte van uitvalswegen, bij uitstek geschikt zijn voor de vestiging van de voorziene kleinschalige, hoogwaardige bedrijven. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de in het plan vervatte voorschriften voor de vestiging van de bedrijven, aan de bezwaren van appellanten geen overwegende betekenis kan worden toegekend. Hij heeft daarbij tevens overwogen dat, gezien de in acht te nemen afstanden tussen bedrijven en woningen, en de toegelaten categorieën van bedrijven, niet gevreesd hoeft te worden voor hinder en overlast van deze bedrijven.

De gemeenteraad heeft er voorts op gewezen dat de bedrijfsterreinen zullen worden ontsloten op de Turnhoutsebaan en dat het plan derhalve geen wezenlijke gevolgen zal hebben voor de verkeersintensiteit op de Rillaersebaan ter hoogte van de door appellanten bedoelde woningen. Gelet hierop is het, aldus de gemeenteraad, niet nodig bevonden om onderzoek naar de geluidhinder voor deze woningen vanwege het verkeer of naar de luchtkwaliteit te verrichten.

2.5.2. Verweerders hebben geen reden gezien om de door appellanten bestreden plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben de overwegingen van de gemeenteraad ondersteund en ten aanzien van de bezwaren van appellanten nog overwogen dat hun woonsituatie wat betreft het uitzicht weliswaar ingrijpend zal veranderen, maar dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat behouden zal blijven.

2.5.3. Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, maakt het plan vestiging van bedrijven behorende tot categorie 2 van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”(1999) (verder: de Brochure) en bedrijfsbebouwing met een hoogte van 8 meter mogelijk tot op een afstand van 60 à 70 meter van de grenzen van de woonpercelen langs de Rillaersebaan. Vestiging van bedrijven behorende tot categorie 3 van de Brochure en bedrijfsbebouwing met een hoogte van 12 meter is mogelijk tot op een afstand van 100 à 110 meter van deze percelen. In artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften is bepaald dat bij de uitwerking van de desbetreffende bestemming als uitgangspunt geldt dat de nadruk ligt op representatieve bedrijvigheid zonder vanaf de openbare weg zichtbare opslag. Uit het deskundigenbericht blijkt verder dat zich aan weerszijden van de Rillaersebaan brede groenstroken met begroeiing bevinden die het zicht vanuit de betrokken woningen op het voorziene bedrijfsterrein goeddeels wegnemen.

De Afdeling acht niet onaannemelijk dat de aanleg van het bedrijfsterrein een negatieve invloed zal hebben op de kwaliteit van de omgeving van en het uitzicht vanuit de betrokken woningen. Gelet op de hiervoor aangegeven voorwaarden die het plan met betrekking tot deze bedrijven stelt en de feitelijke situatie ter plaatse, acht de Afdeling evenwel niet aannemelijk dat sprake zal zijn van onaanvaardbare hinder ten gevolge van de vestiging van bedrijven op de genoemde afstanden. De bezwaren zijn niet zo ernstig dat niet in redelijkheid aan de met de aanleg van het bedrijventerrein gediende belangen meer gewicht kon worden toegekend.

2.5.4. Aangaande de bezwaren met betrekking tot het verkeer op de Rillaersebaan overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens de planvoorschriften dient, wat betreft de ontsluiting van de voorziene bedrijfsterreinen, het plan aldus te worden uitgewerkt dat de ontsluiting voor het autoverkeer zal plaatsvinden op de Turnhoutsebaan. Voor het betoog van appellanten dat niet is gewaarborgd dat de bedrijfsterreinen op deze wijze ontsloten zullen worden heeft de Afdeling geen grond kunnen vinden. De in het plan voorziene woonbuurt zal worden ontsloten op de Rillaersebaan.

In het deskundigenbericht is ten aanzien van de verkeersintensiteit op de Rillaersebaan als conclusie vermeld dat deze weliswaar zal toenemen, doch dat dit niet in hoofdzaak is te wijten aan de ontwikkeling van het onderhavige bestemmingsplan. Deze conclusie is gebaseerd op voormeld feit dat volgens het plan de verkeersontsluiting van de bedrijfsterreinen op de Turnhoutsebaan zal plaatsvinden en voorts op een rapport van een door DHV Milieu en Infrastructuur BV verricht onderzoek naar de verkeersafwikkeling in het gebied Surfplas-Boschkens-Bakertand. De Afdeling ziet geen reden om bovenstaande conclusie in twijfel te trekken. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, noch hetgeen overigens uit de stukken is gebleken, biedt daartoe aanknopingspunten.

Op grond van het bovenstaande komt de Afdeling tot het oordeel dat niet aannemelijk is dat het plan de verkeersintensiteit op de Rillaersebaan ter hoogte van de betrokken woningen en daarmee de geluidshinder voor die woningen en de luchtkwaliteit ter plaatse wezenlijk zal beïnvloeden.

Dit in aanmerking genomen bestaat voorts geen grond om te oordelen dat er ten onrechte van is afgezien om met betrekking tot dit plan onderzoek naar deze aspecten te verrichten.

Overigens merkt de Afdeling op dat ten behoeve van het deskundigenbericht door het gemeentebestuur van Tilburg een berekening is gemaakt betreffende de bijdrage aan de luchtverontreiniging door het verkeer over de Rillaersebaan. In het deskundigenbericht is op basis hiervan de conclusie getrokken dat van een onaanvaardbare luchtverontreiniging geen sprake zal zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie.

2.6. De Afdeling komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. De Rooy

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

59-411.