Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200102356/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 43

Uitspraak

200102356/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Someren,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 21 maart 2001 in het geding tussen:

[aanvrager vergunning], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 1999 hebben appellanten geweigerd [aanvrager vergunning] vergunning te verlenen voor de bouw van een garage/berging op het perceel kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 16 maart 2000 hebben appellanten het daartegen door

[aanvrager vergunning] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 maart 2001, verzonden op 30 maart 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [aanvrager vergunning] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en burgemeester en

wethouders opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 mei 2001, bij de rechtbank ingekomen op 25 mei 2001, heeft [aanvrager vergunning] beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar. Bij brief van 19 juni 2001 heeft de rechtbank dit beroepschrift ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

Bij brief van 12 september 2001 heeft [aanvrager vergunning] een memorie van antwoord op het hoger beroep ingediend.

Bij brief van 18 september 2001 hebben appellanten een memorie

van antwoord op het beroep van [aanvrager vergunning] van 22 mei 2001

ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door H.M.A. van der Linden, ambtenaar

der gemeente, en [aanvrager vergunning], in persoon en bijgestaan door

[gemachtigde] zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van het hoger beroep van appellanten overweegt de Afdeling als volgt.

2.2. Ingevolge artikel 3.2.10 van het bestemmingsplan

‘Buitengebied 1998’ (hierna: het plan) van de gemeente Someren gelden bij het verlenen van vrijstelling voor vergroting van de inhoud van de woning en/of de oppervlakte aan bijgebouwen, de volgende voorwaarden:

- voor zover de oppervlakte van (voormalige) bedrijfsgebouwen of bijgebouwen de voorgeschreven 75 m2 aan bijgebouwen bij woningen te boven gaat mogen deze, tot maximaal 10% van die overmaat (uitgedrukt in m2 en met inachtname van hierna genoemde maxima), eenmalig vervangen worden door nieuwe bebouwing in de vorm van extra vergroting van de woning (uitgedrukt in m2 woonlaag) en/of vergroting van de bijgebouwen (uitgedrukt in m2);

- de woning mag worden vergroot tot niet meer dan 900 m3;

- de vergroting van de woning mag niet leiden tot of gecombineerd worden

met woning- of boerderijsplitsing;

- als er sprake is van een (woon)boerderij mag de inhoud van het bestaande

hoofdgebouw van de boerderij niet worden vergroot en mag uitsluitend de oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot, zoals hierna aangegeven;

- de oppervlakte aan bijgebouwen mag worden vergroot tot maximaal 150 m2;

- vergroting van de woning en bijgebouwen mag, binnen de grenzen van de

eerst genoemde voorwaarde, met elkaar gecombineerd worden;

- de overige aanwezige bijgebouwen, voor zover die het op grond van

voornoemde punten toegelaten maximum aan bijgebouwen overschrijden, moeten volledig afgebroken worden.

2.3. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat artikel 3.2.10 van het plan geen aparte regeling voor enerzijds woningen (eerste gedachtestreepje) en anderzijds woonboerderijen (vierde gedachtestreepje) inhoudt.

2.3.1. De voorschriften bij het vierde en vijfde gedachtestreepje van artikel 3.2.10 van het plan staan, mede gelet op de bij het plan behorende toelichting op dit artikel, niet op zichzelf, maar vormen voor een specifiek type van woningen, te weten woonboerderijen, een nadere uitwerking van het voorschrift bij het eerste gedachtestreepje, geldend voor woningen in het algemeen, met inbegrip van woonboerderijen. Zij dienen te worden gelezen in relatie tot het voorschrift bij het eerste gedachtestreepje. Juiste lezing van het eerste, vierde en vijfde gedachtestreepje, in onderlinge samenhang bezien, brengt mee dat, indien de berekening conform het eerste gedachtestreepje van bij een woonboerderij toegestane nieuwe bebouwing zou leiden tot een hoger totaaloppervlak dan 150 m2, deze daartoe wordt gemaximeerd. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat voor woonboerderijen een ruimere bebouwingsregeling geldt dan voor woningen, niet zijnde woonboerderijen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.5. De Afdeling zal voorts doen wat de rechtbank zou behoren te doen ten aanzien van het beroep van [aanvrager vergunning] tegen het besluit van

16 maart 2000.

2.6. Burgemeester en wethouders hebben zich op goede gronden op het juiste standpunt gesteld dat op grond van het bepaalde in artikel 3.2.10 van het plan in het onderhavige geval slechts vrijstelling kan worden verleend voor het vergroten van het oppervlak aan bijgebouwen tot maximaal 81,5 m2, zijnde 75 m2 van de bestaande garage plus 10% van de overmaat van het bijgebouw van 65 m2, zodat het onderhavige bouwplan niet voor het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 3.2.10 in aanmerking kan komen.

2.7. De stelling van [aanvrager vergunning] dat de verplichting als bedoeld in artikel 3.2.10 van het plan om een bouwwerk dat zijn eigendom is en dat ook met vergunning en overeenkomstig het bestemmingsplan is gebouwd af te breken om voor de vrijstelling in aanmerking te komen, in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, faalt.

Burgemeester en wethouders hebben terecht overwogen dat [aanvrager vergunning] niet verplicht wordt een bouwwerk af te breken. Van ontnemen van zijn eigendom is dan ook geen sprake. Voorts kan gelet op de tekst van genoemd artikel niet staande worden gehouden dat artikel 3.2.10 van het plan in strijd met dit artikel is.

Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die voor burgemeester en wethouders aanleiding hadden behoren te zijn vrijstelling te verlenen.

2.8. Burgemeester en wethouders hebben de gevraagde bouwvergunning dan ook terecht geweigerd.

Het beroep van [aanvrager vergunning] tegen het besluit van 16 maart 2000 is ongegrond.

2.9. Ten aanzien van het beroep van [aanvrager vergunning] van 22 mei 2001 overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. De Afdeling ziet hierin aanleiding onder een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb mede te verstaan het niet tijdig nemen van een nieuw besluit na vernietiging door de eerste rechter van de oorspronkelijke beslissing op bezwaar. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank het beroepschrift van [aanvrager vergunning] van 22 mei 2001 derhalve terecht naar de Afdeling doorgezonden.

2.10. Burgemeester en wethouders konden, nu de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond heeft verklaard, niet meer op het door [aanvrager vergunning] ingediende bezwaarschrift beslissen. Dit betekent dat geen sprake is van het ten onrechte uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 21 maart 2001, AWB 00/3063 WW;

III. verklaart het door [aanvrager vergunning] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 16 maart 2000 ongegrond;

IV. verklaart het beroep van [aanvrager vergunning] van 22 mei 2001 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Boot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

202.