Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200104896/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 404 met annotatie van A.R. Neerhof
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104896/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. burgemeester en wethouders van Gorssel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Topwood B.V., gevestigd te Almen,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 21 augustus 2001 in de gedingen tussen:

1. [verzoekers], wonend te [woonplaats],

2. appellanten sub 2,

3. de inspecteur van de Ruimtelijke Ordening, regio Oost, gevestigd te Arnhem

en

appellanten sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 1999 hebben appellanten sub 1 (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellanten sub 2 (hierna: Topwood) toestemming verleend tot het aanleggen van een weg, parallel aan de Scheggertdijk, vanaf de Wagenvoortsdijk tot het bedrijfsterrein van Topwood aan de Scheggertdijk 7 te Almen.

Bij besluit van 27 oktober 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [verzoeker] en [verzoeker] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en tevens medegedeeld de weg te zullen blijven gedogen. Dit besluit en het advies van de commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften van 12 september 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij besluit van 16 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders op zijn verzoek om handhaving van het bestemmingsplan de Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening, regio Oost, (hierna: de inspecteur) medegedeeld de ontsluitingsweg te gedogen.

Bij besluit van 14 december 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door de inspecteur gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie van bezwaar- en beroepschriften van 14 november 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 augustus 2001, verzonden op 22 augustus 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 27 oktober 2000 door [verzoeker] en verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op het gedogen van de aanleg van de weg parallel aan de Scheggertdijk en dat besluit in zoverre vernietigd, bepaald dat burgemeester en wethouders opnieuw beslissen op de bezwaren gericht tegen het besluit van 8 juli 1999 met inachtneming van de uitspraak, het beroep van Topwood overigens ongegrond verklaard en het beroep van de inspecteur tegen het besluit van 14 december 2000 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders een nieuw besluit nemen op het bezwaar van 19 juli 2000. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 28 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2001, en Topwood bij brief van 3 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. Burgemeester en wethouders hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 5 november 2001. Topwood heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 2 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 december 2001 heeft Topwood een memorie ingediend.

Bij brief van 19 december 2001 heeft de inspecteur een memorie ingediend.

Bij brief van 20 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.

Bij brief van 3 mei 2002 hebben burgemeester en wethouders een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door G. Raaben, ambtenaar van de gemeente, Topwood, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en bijgestaan door mr. drs. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en de inspecteur, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is gehoord [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De toestemming van burgemeester en wethouders de ontsluitingsweg aan te leggen is ingegeven door de volgens Topwood en burgemeester en wethouders verkeersonveilige situatie ter plaatse, die wordt veroorzaakt door het zowel overdag als ’s nachts parkeren van een groot aantal vrachtwagens langs de Scheggertdijk te Almen.

2.2. De gronden waarop de ontsluitingsweg is gelegen hebben ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied deels de bestemming “Agrarisch gebied met visueel-ruimtelijke en/of cultuurhistorische en/of ecologische waarden” met de nadere aanduiding “N(b): de bescherming van landschapswaarden alsmede het agrarisch bedrijf; bos, houtwallen, struwelen, weg- en erfbeplanting” en deels de bestemming “Bos: de houtoogst, extensieve dagrecreatie alsmede de bescherming van landschapswaarden”.

Ingevolge artikel 5, aanhef, is de grond met de bestemming “Agrarisch gebied met visueel-ruimtelijke en/of cultuurhistorische en/of ecologische waarden” in de N-variant bestemd voor:

- bescherming van landschapswaarden

- grondgebonden agrarische bedrijven en niet-grondgebonden agrarische bedrijven, voorzover deze aanwezig zijn ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het plan.

Ingevolge het eerste lid is het verboden in deze bestemming de onbebouwde grond en de opstallen in strijd met de bestemming te gebruiken. Ingevolge het zesde lid, onder e, is het verboden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning wegen, paden en parkeergelegenheden aan te leggen en te verharden en andere oppervlakteverhardingen in de v-categorieën aan te leggen.

Ingevolge artikel 7, aanhef, van de planvoorschriften is de grond met de bestemming “Bos” bestemd voor de houtoogst, extensieve dagrecreatie, alsmede de bescherming van landschapswaarden. Ingevolge het eerste lid is het verboden in deze bestemming de onbebouwde grond en de opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming. Ingevolge het zesde lid is het onder meer verboden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren en wegen, paden en parkeergelegenheden aan te leggen en te verharden en andere oppervlakteverhardingen aan te leggen. Ingevolge het zevende lid mag alleen en moet een aanlegvergunning worden geweigerd, indien door de uitvoering van het ander-werk, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschaps- en recreatieve waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

2.3. De aanleg van de ontsluitingsweg is in strijd met zowel de bestemming “Bos” als de bestemming “Agrarisch gebied met visueel-ruimtelijke en/of cultuurhistorische en/of ecologische waarden”.

2.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat nu de aanleg van de weg niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, de door burgemeester en wethouders bij brief van 8 juli 1999 aan Topwood gegeven toestemming de ontsluitingsweg niettemin aan te leggen, niet anders kan worden gezien dan als een gedoogbesluit. De Afdeling kan burgemeester en wethouders derhalve niet volgen in hun stelling dat, nu er geen publiekrechtelijke grondslag valt aan te wijzen op grond waarvan de weg zou mogen worden aangelegd, geen sprake kan zijn van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien dat het niet opkomen tegen de brief van 27 april 2000 waarbij burgemeester en wethouders hebben gereageerd op het verzoek van [verzoeker] en [verzoeker] van 3 april 2000 om handhavend op te treden tegen het zonder vergunning aanleggen van een weg parallel aan de Scheggertdijk, in de weg zou staan aan de inhoudelijke behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 1999, waarbij burgemeester en wethouders Topwood toestemming hebben verleend tot het aanleggen van een weg, en van het beroep tegen het besluit op bezwaar van 27 oktober 2000, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 1999 weliswaar gegrond is verklaard, maar het besluit de weg te gedogen is gehandhaafd. Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bezwaarschrift van 27 maart 2000, gericht tegen het besluit van 8 juli 1999, verschoonbaar te laat is ingediend.

Dat de inspecteur niet is opgekomen tegen het besluit van 8 juli 1999, is evenmin een beletsel voor de ontvankelijkheid van zijn bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2000, waarbij zijn verzoek om handhaving is afgewezen.

Voor de stelling van Topwood dat sprake is van een bijzondere omstandigheid om niettemin het beroep op dit punt hierom niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren, bestaat geen grondslag.

2.6. Indien door belanghebbende derden uitdrukkelijk is verzocht om op te treden tegen een illegale situatie, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Een gedoogbesluit staat niet in de weg aan de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om op te treden tegen een illegale situatie.

2.7. Een bijzonder geval om van handhavend optreden tegen een illegale situatie af te zien, kan onder meer worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie. Topwood betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat van een dergelijk bijzonder geval sprake is.

Burgemeester en wethouders zijn niet voornemens gebleken de voor de ontsluitingsweg op grond van artikel 7, zesde lid, van de planvoorschriften vereiste aanlegvergunning te verlenen voorzover de ontsluitingsweg is gelegen op gronden met de bestemming “Bos” en evenmin een procedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het gebruik van de gronden met de bestemming “Agrarisch gebied met visueel-ruimtelijke en/of cultuurhistorische en/of ecologische waarden” te volgen, zodat de illegale situatie blijft bestaan tot het moment dat een nieuw bestemmingsplan in de aanleg van de ontsluitingsweg voorziet. Gelet op de brief van 24 november 1999 van de dienst Ruimte, Economie en Welzijn van de provincie Gelderland, geschreven in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 over het voorontwerpbestemmingsplan waarin wordt voorzien in een uitbreiding van Topwood, bestaat onvoldoende zekerheid omtrent het opnemen van de ontsluitingsweg in een nieuw bestemmingsplan. Zoals de rechtbank heeft overwogen staat in genoemde brief vermeld dat de ontsluitingsweg in ieder geval niet is opgenomen in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan en derhalve niet binnen dat plan kan worden gerealiseerd. Dat in de brief aandachtspunten zijn opgenomen voor het geval het wel de bedoeling is de weg aan te leggen, zegt niets over de inpassing in een toekomstig bestemmingsplan. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat geen sprake is van een concreet zicht op legalisering van de illegale situatie.

2.8. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de stelling dat de aanleg van de ontsluitingsweg een slechts geringe inbreuk op het planologische regime betekent niet houdbaar is. De ontsluitingsweg is voornamelijk bedoeld om gebruikt te worden als parkeervoorziening voor op het lossen wachtende vrachtwagens. Dit gebruik staat in nauw verband met de functie van het bedrijfsterrein van Topwood en is daarom, anders dan appellanten kennelijk stellen, niet te vergelijken met het gebruik ten behoeve van de ter plaatse geldende bestemmingen.

2.9. Ook als de verkeersveiligheid ter plaatse zou zijn gediend met de aanleg van de ontsluitingsweg is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat dit niet meebrengt dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan van handhaving moet worden afgezien.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt burgemeester en wethouders van Gorssel in de door [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Gorssel te worden betaald aan [verzoeker].

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

17-378.