Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5398

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200101736/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200101736/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Aalburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2001 hebben verweerders met toepassing van artikel 5 van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer een nadere eis gewijzigd met betrekking tot het [vergunninghouder] op het adres [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 2 maart 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 juni 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Mariaheide, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. G. Verweij en drs. J.L.A.M. van Zuijlen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. L.F.J. Graaff, advocaat te Breda, als partij daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet voor inrichtingen, behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, van deze wet is aangewezen, behoudens in gevallen waarin de bij die algemene maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting. Het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) is een krachtens artikel 8.40, eerste lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur. Het Besluit is op 1 oktober 2000 in werking getreden.

2.2. Appellant heeft aangevoerd dat het Besluit niet op de inrichting van toepassing is, zodat verweerders niet bevoegd waren tot het stellen van nadere eisen op grond van artikel 5 van het Besluit.

Op grond van de stukken moet worden vastgesteld dat, gelet op de artikelen 2 en 3 van het Besluit, het Besluit van toepassing is. In zoverre faalt het beroep.

2.3. In artikel 5, aanhef en onder a, van het Besluit is, voorzover hier van belang, bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, trilling, energie, afvalstoffen, afvalwater, lucht, verlichting, veiligheid, opslag en bodembescherming, voorzover dat in hoofdstuk 4 van de bijlage is aangegeven.

In voorschrift 4.1.1 van de bijlage bij het Besluit is, voorzover hier van belang, bepaald dat in gevallen waarin de opgenomen waarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) en piekniveaus (LAmax), bedoeld in de voorschriften 1.1.1 en 1.1.3, naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden kan vaststellen die lager of hoger zijn dan de opgenomen waarden, bedoeld in de voorschriften 1.1.1 en 1.1.3.

In voorschrift 4.1.4 is bepaald dat het bevoegd gezag een nadere eis kan stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en gedragsregels die in acht moeten worden genomen, teneinde te bereiken dat aan paragraaf 1.1 en de voorschriften 4.1.1 of 4.1.3 wordt voldaan.

2.4. Voor de onderhavige inrichting is bij besluit van 2 april 1996 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend. Ingevolge artikel 7, eerste lid, in samenhang met artikel 5, eerste lid, onder a, van het Besluit blijven onder meer de aan die revisievergunning verbonden geluidsgrenswaarden als nadere eis voor de inrichting gelden. Deze grenswaarden zijn neergelegd in vergunningvoorschrift 2.1 waarin, voorzover hier van belang, is bepaald dat de geluidbelasting vanwege de inrichting niet meer mag bedragen dan 45, 40 en 35 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In maart 2000 is een aanvraag ingediend om een vergunning voor het veranderen van de inrichting, welke aanvraag op 16 oktober 2000 is aangevuld met een akoestisch rapport. Verweerders hebben deze aanvraag aangemerkt als een melding in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Besluit. De verandering ziet op het vervallen van de activiteiten met betrekking tot onderhoudswerkzaamheden aan bedrijfstransportmiddelen, de oliegestookte kachel en het gebruik van de huisbrandolietank. Voorts behelst de verandering een toename van het aantal transportbewegingen en een uitbreiding van de periode waarin wordt geladen en gelost.

2.5. Bij het thans bestreden besluit hebben verweerders, voorzover hier van belang, besloten een nadere eis op te leggen voor de duur van 2,5 jaar na het onherroepelijk worden van dit besluit, overeenkomstig de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden. Voorts zijn aan het bestreden besluit enkele nadere eisen verbonden als bedoeld in voorschrift 4.1.4 van de bijlage bij het Besluit. Eén en ander moet, blijkens de stukken, gedurende de nachtperiode tussen 05.00 en 07.00 uur leiden tot een geluidbelasting van 41 dB(A) op de gevels van woningen van derden.

2.6. Voorzover appellant aanvoert dat uit het bestreden besluit niet duidelijk blijkt wanneer de termijn na afloop waarvan de gestelde nadere eis komt te vervallen begint, merkt de Afdeling op dat blijkens het dictum de termijn begint op het moment dat het bestreden besluit onherroepelijk is geworden, derhalve vanaf het moment dat daartegen geen gewone rechtsmiddelen meer kunnen worden ingesteld. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Volgens appellant hebben verweerders ten onrechte geen nadere eisen gesteld ten aanzien van lichthinder en bodemverontreiniging. Verder had volgens appellant rekening moeten worden gehouden met de omstandigheid dat de inrichting zal worden verplaatst.

De Afdeling overweegt dat deze gronden, wat hiervan verder zij, niet zijn gericht tegen het thans ter beoordeling staande besluit en derhalve niet kunnen leiden tot de vernietiging daarvan. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.8. Appellant voert verder, kort weergegeven, aan dat hij geluidsoverlast zal ondervinden vanwege de bij het bestreden besluit toegestane activiteiten gedurende de nachtperiode. Door de bij de nadere eis opgelegde voorschriften wordt volgens hem de overlast onvoldoende beperkt.

2.8.1. De Afdeling stelt vast dat verweerders in het bestreden besluit hebben volstaan met het overnemen van de aanvraag om vergunning en het – bij nadere eis – opleggen van gedragsvoorschriften als bedoeld in voorschrift 4.1.4 van de bijlage bij het Besluit. Verweerders hebben nagelaten de als nadere eis geldende geluidsgrenswaarde voor de nachtperiode, zoals neergelegd in vergunningvoorschrift 2.1 uit de revisievergunning van 2 april 1996, te wijzigen of in te trekken. In zoverre verdraagt het bestreden besluit zich niet met artikel 7, eerste lid, in samenhang met artikel 5, eerste lid, onder a, en voorschrift 4.1.1 van de bijlage bij het Besluit. Nu verweerders voorts bij het bestreden besluit voor een deel van de nachtperiode activiteiten hebben toegestaan waardoor de in vergunningvoorschrift 2.1 gestelde geluidsgrenswaarde wordt overschreden, is het niet duidelijk waaraan de inrichting moet voldoen en verdraagt het bestreden besluit zich evenmin met de rechtszekerheid.

Gelet op het voorgaande is het beroep op dit punt gegrond.

2.8.2. De Afdeling overweegt overigens nog dat niet is gebleken dat niet kan worden voldaan aan de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis, dat het warmdraaien van vrachtauto’s niet langer mag duren dan voor het leveren van de benodigde remlucht en hydraulische druk noodzakelijk is, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het niet kan worden nageleefd. Voorzover deze beroepsgrond ziet op het nalevingsgedrag van de drijver van de inrichting, heeft deze geen betrekking op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en kan om die reden niet leiden tot vernietiging daarvan.

2.9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.10. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Aalburg van 13 februari 2001;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Aalburg in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Aalburg te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Aalburg aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.C. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Prins

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

180-355.