Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5394

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200201705/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201705/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "Vladeko B.V." en [appellant], beide gevestigd te Ridderkerk,

en

burgemeester en wethouders van Ridderkerk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2001 hebben verweerders krachtens artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht appellanten een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van voorschriften, verbonden aan een bij besluit van 1 mei 2000 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor een inrichting op het adres [locatie].

Bij besluit van 11 februari 2002 hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 22 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 mei 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, en [gemachtigden],

en verweerders, vertegenwoordigd door F.C. Polet en E. Blanche Koelsmid, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts zijn daar [partijen a], in persoon en bijgestaan door mr. A.A. Marcus, advocaat te Rotterdam, [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [partijen b], in persoon, en [partij c], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij uitspraak van heden, nummer 200003069/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer sedert 1 december 1998 op de inrichting van toepassing is. Dit brengt mee dat met ingang van die datum voor het in werking hebben van de inrichting geen krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning is vereist.

Gezien het voorgaande is het niet voldoen aan de bij besluit van 1 mei 2000 krachtens de Wet milieubeheer voor de inrichting verleende vergunning verbonden voorschriften niet in strijd met de Wet milieubeheer. Verweerders waren daarom niet gerechtigd bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen vanwege het niet voldoen aan deze vergunning.

2.2. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het primaire besluit van 21 september 2001 moet worden herroepen. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.3. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Ridderkerk van 11 februari 2002, kenmerk 2001/11111-MBW;

III. herroept het besluit van burgemeester en wethouders van Ridderkerk van 21 september 2001, kenmerk 01-09174-MBW-Is;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Ridderkerk in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Ridderkerk te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Ridderkerk aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Havik, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Havik

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

262.