Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5388

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200106344/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200106344/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de raad van de gemeente Rijswijk, thans de raad van de gemeente Den Haag

appellant,

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 1999 heeft appellant (hierna: de raad) een verzoek van de stichting "Stichting Haagse Nutsscholen" (hierna: de stichting) om opname van een algemeen-bijzondere basisschool in het Rijswijkse deel van Ypenburg op het plan van scholen 2000-2003 afgewezen en de vaststelling van dat plan achterwege gelaten.

Bij besluit van 10 maart 2000 heeft verweerder (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de stichting ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, het besluit van de raad vernietigd, voorzover het de afwijzing van het verzoek betreft, en bepaald dat de raad de door de stichting verlangde school opneemt in het plan van scholen 2001-2004.

Bij uitspraak van 4 september 2000, inzake nummer 200002027/1, heeft de Afdeling het daartegen door de raad ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij besluit van 13 december 2001 het door de stichting tegen het besluit van 22 juni 1999 ingestelde administratief beroep wederom gegrond verklaard, dat besluit wederom vernietigd, voorzover het de afwijzing van het verzoek van de stichting betreft, en bepaald dat de raad de door de stichting verlangde school opneemt in het eerstvolgende plan van scholen. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft de raad bij brief van 20 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 maart 2002 heeft de staatssecretaris een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 april 2002 heeft de stichting een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2002, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M.B.A. Alkema, drs. J. Bartelds en mr. drs. A.C.B. van Dam, ambtenaren van de gemeente, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.Y. van Hattum, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. Voorts is de stichting, vertegenwoordigd door [bovenschools directeur], [senior adviseur] van de Vereniging Bijzondere Scholen voor onderwijs op algemene grondslag, en mr. W. Lindeboom, senior juridisch adviseur van dezelfde vereniging, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep strekt zich uit over de vraag of de staatssecretaris, bij het opnieuw op administratief beroep beslissen, voor de gegevens omtrent het belangstellingspercentage voor algemeen-bijzonder basisonderwijs, die de prognose dient te bevatten, terecht de gemeente Voorburg heeft aangemerkt als vergelijkbare gemeente als bedoeld in artikel 76, tweede lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO).

2.1.1. In de naar aanleiding van de genoemde uitspraak van 4 september 2000 genomen beslissing heeft de staatssecretaris - met betrekking tot de vraag of in plaats van de gemeente Voorburg, niet de gemeente Den Haag vergelijkbaar moet worden geacht met de drie, in het voedingsgebied van de gevraagde school gelegen, gemeenten - slechts in algemene bewoordingen overwogen dat van zodanige vergelijkbaarheid geen sprake is. Door hiermee te volstaan heeft de staatssecretaris er ten onrechte geen waarde aan gehecht dat de Afdeling - voor haar in de genoemde uitspraak van 4 september 2000 neergelegde oordeel dat de staatssecretaris had moeten nagaan of de gemeente Voorburg wel als vergelijkbare gemeente kan gelden - in aanmerking heeft genomen dat, wat betreft de verwachte demografische samenstelling van de bevolking van Ypenburg, naar als in de procedure die leidde tot eerdergenoemde uitspraak onbetwist gesteld, moet worden aangenomen, circa 75% daarvan uit de gemeente Den Haag afkomstig zal zijn.

2.1.2. Dusdoende heeft de staatssecretaris ten onrechte geen inzicht verschaft in de betekenis van die instroom voor de te verwachten belangstelling voor algemeen-bijzonder onderwijs in de wijk Ypenburg en het bestreden besluit derhalve, in strijd met artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ondeugdelijk gemotiveerd.

2.2. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.3. Ingevolge de Wet van 12 juli 2001, tot gemeentelijke herindeling van Den Haag en omgeving, Stb. 349, is de wijk Ypenburg thans in de gemeente Den Haag gelegen, wat meebrengt dat het verzoek van de stichting moet worden beoordeeld aan de hand van onderdeel b van artikel 76, tweede lid, van de WPO.

Op grond van de bij het verzoek om goedkeuring overgelegde gegevens moet ervan worden uitgegaan dat de basisgeneratie in het voedingsgebied in het jaar 2005 5.296, en in het jaar 2020 2.956 leerlingen omvat. Met een belangstellingspercentage voor algemeen-bijzonder onderwijs in de gemeente Den Haag van 9% vloeit hieruit voort dat het te verwachten aantal leerlingen voor dat onderwijs in 2005 (5.296 * 9% =) 477, en in 2020 (2.956 * 9% =) 266 bedraagt. Nu de stichtingsnorm voor de gemeente Den Haag - die op basis van artikel 77, vierde lid, van de WPO in acht moet worden genomen - 337 bedraagt, moet worden geoordeeld dat het aantal leerlingen van de school niet gedurende vijftien jaar na een periode van vijf jaar, vanaf de gevraagde ingangsdatum van bekostiging, met die stichtingsnorm zal overeenkomen. Reeds hierom heeft de raad het verzoek van de stichting terecht afgewezen en moet het administratief beroep ongegrond worden verklaard.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 13 december 2001, Cfi/FJZ-2001/77733 M;

III. verklaart het door de stichting "Stichting Haagse Nutsscholen" tegen het besluit van 22 juni 1999 ingestelde administratief beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) aan de raad van de gemeente Den Haag het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

-282.