Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200105655/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105655/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], te [woonplaats] en

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Woudenberg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2001, kenmerk 00.15516, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning gedeeltelijk geweigerd en gedeeltelijk verleend voor het veranderen van een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit aangehechte besluit is op 3 oktober 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 14 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn van appellanten en verweerders nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door S. van der Hoek en S. Jong, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten hun beroep ingetrokken voorzover het is gericht tegen de beoordeling van de bestaande rechten.

2.2. Ingevolge artikel 5 van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet) geldt voor een veehouderij waarvoor op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, een onherroepelijke vergunning gold,

- behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 6 - als waarde voor de ammoniakdepositie: de waarde van de depositie die op die datum ingevolge die vergunning ten hoogste was toegestaan. Indien deze waarde minder bedraagt dan 15 mol, geldt als waarde ten hoogste 15 mol.

Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in het plan worden bepaald dat voor veehouderijen een daarbij aangegeven hogere waarde geldt dan ingevolge de artikelen 4 tot en met 6 van de wet is toegestaan, indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij, door intrekking of wijziging van de vergunning voor die veehouderij met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan op verzoek van degene die veehouderij drijft, zodanig vermindert dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (hierna: de Uitvoeringsregeling) worden in afwijking van artikel 2 niet als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt bossen, natuurterreinen en landschapselementen waarvan de aanleg of begrenzing heeft plaatsgevonden na 1 mei 1988.

2.3. Appellanten hebben betoogd dat verweerders ten onrechte zijn uitgegaan van een afstand van 200 meter tot het dichtstbij de inrichting gelegen voor verzuring gevoelige gebied, aangezien rekening moet worden gehouden met een op kortere afstand gelegen uitloper van dit gebied.

2.3.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de uitloper geen deel uitmaakt van het dichtstbij de inrichting gelegen voor verzuring gevoelige gebied, aangezien de uitloper wordt gescheiden van het voor verzuring gevoelige gebied door een verbindingsstrook die na 1 mei 1988 is aangelegd. In dit verband hebben verweerders gewezen op een brief van het waterschap Vallei en Eem.

2.3.2. Niet in geschil is dat de vergunning slechts kan worden verleend met toepassing van artikel 5 in samenhang met artikel 8, vierde lid, van de Interimwet en dat de op grond van deze artikelen toegestane ammoniakdepositie niet wordt overschreden indien de afstand tot het dichtstbij de inrichting gelegen voor verzuring gevoelige gebied 200 meter bedraagt. Verder is niet in geschil dat de door appellanten bedoelde uitloper als zodanig niet kan worden aangemerkt als voor verzuring gevoelig gebied.

2.3.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat de verbindingsstrook tussen het dichtstbij de inrichting gelegen voor verzuring gevoelige gebied en de uitloper is aangelegd na 1 mei 1988. Deze verbindingsstrook kan derhalve ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling niet worden aangemerkt als voor verzuring gevoelig gebied dat bescherming behoeft op grond van de Interimwet. Gelet hierop hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat de uitloper geen deel uitmaakt van het voor verzuring gevoelige gebied en dat moet worden uitgegaan van een afstand van 200 meter tot het dichtstbijgelegen gebied. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4. Appellanten hebben betoogd dat het bestreden besluit in strijd met het ammoniakreductieplan van de Gelderse Vallei (hierna: het ARP) tot stand is gekomen.

2.4.1. Verweerders hebben, na een positief advies van de commissie maatwerk, toepassing gegeven aan de in het ARP beschreven maatwerkbeoordeling. In hoofdstuk 4 van het ARP is een aantal algemene voorwaarden geformuleerd waaraan een aanvraag bij maatwerkbeoordeling moet voldoen. Het betreffende bedrijf dient onder meer een bedrijfsplan te overleggen, waarin is aangegeven op welke wijze wordt voorkomen dat er op termijn een 'te saneren situatie' gaat ontstaan. Voorts dient als onderbouwing voor een overschrijding van de in het ARP opgenomen signaleringsgrenswaarden voor iedere situatie een zogenaamde 'omgevingsanalyse' van de inrichting waarvoor een milieuvergunning wordt gevraagd te worden gemaakt.

2.4.2. De Afdeling constateert op grond van de stukken dat bij de aanvraag geen bedrijfsplan en omgevingsanalyse als bedoeld in hoofdstuk 4 van het ARP zijn overgelegd. Nu verweerders desondanks toepassing hebben gegeven aan de in het ARP beschreven maatwerkbeoordeling, hebben zij in zoverre gehandeld in strijd met het ARP.

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Woudenberg van 17 september 2001, kenmerk 00.15516;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Woudenberg in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Woudenberg te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Woudenberg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

159-399.