Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5383

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200104829/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104829/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante B.V.], wonend c.q. gevestigd te [woonplaats/plaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 17 augustus 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Eibergen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van Eibergen (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een verkooppunt motorbrandstoffen met een tankshop aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 26 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [Autobedrijf] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van Adviescommissie Recht en Burger van 27 februari 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 augustus 2001, verzonden op 22 augustus 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de president) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellante B.V.] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit voor zover daarbij haar bezwaar ongegrond is verklaard vernietigd, het namens haar ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 21 januari 2002 is een reactie ontvangen van [vergunninghouder].

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H. Heideveld, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is gehoord [vergunninghouder]. Appellanten zijn niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit.

2.2. Appellanten betogen dat de president heeft miskend dat de handelsnaam [Autobedrijf] ziet op de activiteiten van [appellante B.V.] èn van [appellant] in persoon en daardoor ten onrechte [appellant] in persoon niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2.1. Het bezwaarschrift van 30 november 2000 is ingediend “Namens [Autobedrijf] ….., waarvan [appellant] de directeur is, en ook als zodanig optreedt ten deze …..”. Met de president is de Afdeling van oordeel dat dit bezwaarschrift geacht moet worden uitsluitend namens [appellante B.V.] en niet (mede) namens [appellant] in persoon te zijn ingediend. Zoals appellanten zelf hebben gesteld, vindt [auto/garagebedrijf] haar juridische grondslag in [appellante B.V.], waarvan [appellant] een der directeuren is. [Appellant] in persoon daarentegen exploiteert ter plaatse een tankstation en is eigenaar van de onroerende zaken [locatie].

2.2.2. Op grond van het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de president terecht heeft geoordeeld dat daar [appellant] in persoon geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit d.d. 21 november 2000, hij, gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, niet kon worden ontvangen in zijn beroep tegen het bestreden besluit.

2.2.3. Ten aanzien van [appellante B.V.] is de Afdeling met de president van oordeel dat zij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Het primaire besluit d.d. 21 november 2000 betreft de verlening van een bouwvergunning met vrijstelling voor de oprichting van een tankstation met tankshop. Nu [appellante B.V.] geen tankstation exploiteert, maar een autobedrijf (verkoop en reparatie), is haar belang niet rechtstreeks bij dit besluit betrokken. Gelet hierop heeft de president terecht geoordeeld dat burgemeester en wethouders het bezwaarschrift van [appellante B.V.] niet-ontvankelijk hadden moeten verklaren. Nu zij dit hebben nagelaten, heeft de president terecht het bestreden besluit in zoverre vernietigd.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.A. de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. De Wit

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

141-380.