Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5382

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200105509/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105509/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

om herziening van de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van 15 november 1985, no. R03.84.4637.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 15 november 1985, no. R03.84.4637, heeft de Afdeling rechtspraak het beroep van verzoeker tegen het besluit van burgemeester en wethouders van Eemnes (hierna te noemen: burgemeester en wethouders) van 28 mei 1984 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 6 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2001, heeft verzoeker verzocht die uitspraak te herzien. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 14 januari 2002 heeft verzoeker een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.A. de Bruijn, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij schrijven van 30 november 1983 is verzoeker door burgemeester en wethouders aangeschreven om de werkzaamheden tot het schoonbikken van stenen op het perceel [locatie] te [plaats] te staken en om de aldaar opgeslagen stenen te verwijderen en verwijderd te houden. Bij voornoemde uitspraak van 15 november 1985 heeft de toenmalige Afdeling rechtspraak het beroep van verzoeker tegen de bij het besluit van 28 mei 1984 gehandhaafde aanschrijving, verworpen. De Afdeling rechtspraak heeft daarbij het beroep van verzoeker op overgangsrecht verworpen, aangezien zij niet aangetoond achtte dat het betreffende terrein legaal als stortplaats was gebruikt.

2.2. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij op 30 oktober 2001 contact heeft gezocht met de provincie Utrecht teneinde duidelijkheid over de status en de geschiedenis van het onderhavige terrein te verkrijgen. Naar aanleiding hiervan heeft hij op dezelfde datum van bureau Oranjewoud historische informatie omtrent het perceel ontvangen, bestaande uit drie brieven uit 1965 respectievelijk 1966, een tekening uit 1964 en een verkennend onderzoek uit 1995. Uit deze stukken blijkt naar de mening van verzoeker dat het betreffende terrein vroeger een vuilstort van de gemeente Eemnes is geweest.

2.4. Nog daargelaten of de door verzoeker overgelegde historische informatie, en dan met name de brieven en de tekening uit de jaren 1964-1966, feiten en omstandigheden betreft die hem redelijkerwijs niet vóór de uitspraak van de Afdeling rechtspraak bekend konden zijn, acht de Afdeling met deze informatie niet aangetoond dat, anders dan in de uitspraak van 15 november 1985 is overwogen, het betreffende terrein destijds legaal als stortplaats in gebruik was. Van feiten en omstandigheden die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden, is derhalve geen sprake.

2.5. Gelet op het vorenstaande bevat het verzoek geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek moet worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.A. de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. De Wit

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

141.