Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200102824/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:6
Algemene wet bestuursrecht 6:3
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102824/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 19 april 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij brief van 6 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellant medegedeeld dat zij de termijn, waarbinnen zij op de aanvraag, om het als beschermd monument aangewezen pand aan de [locatie] samen te voegen en te wijzigen, beslissen, met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Wet) met zes maanden verlengen.

Bij besluit van 24 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de ambtelijke commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 29 juni 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 19 april 2001, verzonden op 24 april 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de president) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 september 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2002, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. S.H. Spoormans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) staat, indien een advies niet tijdig wordt uitgebracht, het enkele ontbreken daarvan niet in de weg aan het nemen van het besluit.

Ingevolge artikel 6:3 van de Awb is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Wet - voorzover hier van belang - beslissen burgemeester en wethouders in ieder geval binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag.

Ingevolge 16, vierde lid, kunnen burgemeester en wethouders, indien daartoe naar hun oordeel gegronde redenen bestaan, de in het derde lid bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden verlengen, mits zij de aanvrager daarvan kennisgeven binnen de in het derde lid bedoelde termijn.

Ingevolge artikel 16, vijfde lid, wordt de vergunning geacht te zijn verleend, indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het derde of vierde lid.

2.2. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de president over de gehandhaafde mededeling van burgemeester en wethouders dat zij de termijn, waarbinnen op de aanvraag om een monumentenvergunning wordt beslist, met zes maanden verlengen. Volgens appellant hebben burgemeester en wethouders de beslistermijn ten onrechte verlengd en hij stelt vertragingsschade te hebben geleden als gevolg van die verlenging.

2.3. Van het besluit van burgemeester en wethouders om de termijn met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de Wet te verlengen, dient de aanvrager in kennis te worden gesteld binnen zes maanden na indiening van de aanvraag. Appellant heeft zijn aanvraag op 12 juli 1999 ingediend en burgemeester en wethouders hebben hem op 6 januari 2000, derhalve tijdig, op de hoogte gesteld van de verlenging. Dat appellant door het verlengingsbesluit later over een vergunning zou beschikken dan het geval zou zijn geweest, indien dat besluit achterwege was gebleven, betekent in een geval als dit niet dat appellant geheel los van die vergunning rechtstreeks in zijn belang is getroffen. Wanneer het bevoegde orgaan moet vaststellen dat het, om welke reden dan ook, niet meer mogelijk is een aanvraag tijdig af te doen, dient het, gelet op doel en strekking van de Wet, tot aanhouding te besluiten, tenzij buiten twijfel is dat de door de Wet beschermde belangen zich niet verzetten tegen het ontstaan van een vergunning ingevolge artikel 16, vijfde lid. Dat het enkele ontbreken van het advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg volgens artikel 3:6, tweede lid, van de Awb niet in de weg stond aan het nemen van een besluit bracht niet mee dat burgemeester en wethouders tot inwilliging van de aanvraag verplicht waren.

De aanhoudingsbeslissing is niet te scheiden van de beslissing op de aanvraag van een vergunning. Het belang van appellant bij het besluit van 6 januari 2000 is dan ook niet los te zien van zijn belang bij de vergunning.

2.4. De president heeft miskend dat burgemeester en wethouders het bezwaar ten onrechte hebben ontvangen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen door het bij haar ingestelde beroep alsnog gegrond te verklaren, het besluit van 24 juli 2000 te vernietigen en het tegen de verdagingsbeslissing van 6 januari 2000 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De stelling van appellant dat hij door de verdagingsbeslissing van burgemeester en wethouders schade heeft geleden, kan niet, zoals hij heeft verzocht, tot toepassing van artikel 8:73 van de Awb leiden.

2.6. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de rechtbank te Groningen van 19 april 2001, AWB 00/769 BESLU V01 en AWB 01/83 BESLU V01;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Groningen van 24 juli 2000, BD 00.58798;

V. verklaart het tegen de verdagingsbeslissing van 6 januari 2000 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VIII. veroordeelt burgemeester en wethouders van Groningen in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 135,61; het dient door de gemeente Groningen aan hem te worden betaald;

IX. gelast dat de gemeente Groningen aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (in totaal € 256,39) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

-282.