Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5379

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200104252/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104252/2.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2001, kenmerk Wm nr. 57-01, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een vleeskuikenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Rosmalen, sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 15 juli 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 23 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van verweerders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. van den Eertwegh, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord vergunninghouder in persoon en bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellant de beroepsgrond met betrekking tot het opstellen van een milieu-effectrapportage ingetrokken.

2.2. Bij het bestreden besluit hebben verweerders vergunning verleend voor het houden van 84.500 vleeskuikens.

2.3. Appellant betoogt dat vergunninghouder geen beroep kan doen op voor de inrichting geldende bestaande rechten. De ten behoeve van de onderhavige inrichting verleende milieuvergunning van 24 oktober 2000, welke beoogde de onderliggende Hinderwetvergunning van 2 juni 1988 te vervangen, was ingetrokken. Deze vergunning was evenwel onherroepelijk geworden nadat appellant het door hem tegen dat vergunningbesluit ingestelde beroep had ingetrokken, aldus appellant.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer vervangt een met toepassing van dit artikel verleende vergunning met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder voor de inrichting of met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen daarvan verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende vergunning onherroepelijk wordt.

2.3.2. Bij besluit van 24 oktober 2000 is aan vergunninghouder een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 84.500 vleeskuikens. Bij besluit van 15 mei 2001, dat in werking is getreden en onherroepelijk is geworden op 3 juli 2001, is dit besluit ingetrokken. Appellant had beroep ingesteld tegen het besluit van 24 oktober 2000. Dit beroep heeft hij ingetrokken bij brief van 28 juni 2001, derhalve een aantal dagen voor het in werking treden en onherroepelijk worden van het intrekkingsbesluit van 15 mei 2001.

De Afdeling overweegt dat met de regeling in artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer wordt beoogd te voorkomen dat tegelijkertijd een revisievergunning en een eerder verleende vergunning gelden. Doordat is bepaald dat de eerdere vergunningen pas vervallen op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de revisievergunning, wordt voorkomen dat de eerder verleende vergunningen vervallen vooraleer vaststaat dat de vervangende vergunning in stand zal blijven. In de regel heeft intrekking van het beroep dan ook als gevolg dat de revisievergunning onherroepelijk wordt en zij de onderliggende vergunning vervangt. In het onderhavige geval vond de intrekking van het beroep tegen de revisievergunning van 24 oktober 2000 plaats in het vooruitzicht van het onherroepelijk worden van het besluit tot intrekking van diezelfde vergunning, hetgeen echter pas enkele dagen nadien een feit werd. Onder deze omstandigheden is het in strijd met de strekking van artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer om aan te nemen dat de onderliggende vergunning vervallen zou zijn.

Uit het voorgaande volgt dat de Afdeling het standpunt van appellant, dat verweerders er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bestaande rechten golden, niet deelt.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellant betoogt dat de inrichting te veel geluidhinder zal veroorzaken.

2.5.1. Verweerders hebben voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna te noemen: de Handreiking) gehanteerd. Daarbij hebben zij, bij gebreke van een gemeentelijke nota industrielawaai, aansluiting gezocht bij de systematiek van de circulaire Industrielawaai.

In paragraaf 4 van de Handreiking staat dat voor bestaande inrichtingen gelegen in landelijk gebied, zoals de onderhavige inrichting, richtwaarden gelden van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Dit begrip wordt gedefinieerd als de hoogste waarde van het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van de zogenaamde ‘niet-omgevingseigen bronnen’ en het optredende equivalente geluidniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen, minus 10 dB. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen, zo staat in de Handreiking.

2.5.2. In vergunningvoorschrift F.1. is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de geluidsbronnen van de inrichting, welke vallen onder de representatieve bedrijfssituatie (RBS) niet meer mag bedragen dan de in de onderstaande tabel 1 genoemde waarden ter plaatse van de bijbehorende immissiepunten (in de in die tabel aangegeven perioden).

In tabel 1 zijn, voorzover thans relevant, voor het LAr, LT op de bedrijfswoning aan de Blokkenweg 1 grenswaarden opgenomen van 42 dB(A), 37 dB(A) en 36 dB(A) en op de bedrijfswoning aan de [locatie 1] van 38 dB(A), 34 dB(A) en 33 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.5.3. Gegeven de geluidgrenswaarden opgenomen in tabel 1 van de vergunningvoorschriften worden de in de Handreiking gegeven richtwaarden op de bedrijfswoningen aan de [locatie 2] en aan de [locatie 1] overschreden. Blijkens het bij het bestreden besluit gevoegde akoestisch rapport van Cauberg-Huygen is het L95 bepalend voor het referentieniveau van het omgevingsgeluid en bedraagt het L95 op genoemde bedrijfswoningen 44 dB(A), 37 dB(A) en 31 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Nog daargelaten of het betoog van appellant terzake juist is dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet op de juiste wijze is bepaald, ligt de geluidruimte voor de vergunde activiteiten in de nachtperiode respectievelijk 5 dB(A) en 2 dB(A) hoger dan het L95 op deze bedrijfswoningen.

Gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 7 december 2001, dat is uitgebracht in het kader van het door appellant ingediende verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot het bestreden besluit alsmede op het verhandelde ter zitting, wordt deze overschrijding veroorzaakt door het in werking zijn van de ventilatoren. In het deskundigenbericht staat dat het mogelijk is geluidwerende maatregelen te treffen aan de ventilatoren ter beperking van de geluidhinder hiervan. Verweerders hebben bovendien in hun nadere memorie gesteld, en daarbij hebben zij gewezen op een nader akoestisch onderzoek van Cauberg-Huygen, dat het mogelijk is om de ventilatoren zodanig op te stellen dat van een overschrijding van het L95 van het omgevingsgeluid niet langer sprake is. In dat geval hoeft volgens verweerders niet te worden gevreesd voor onaanvaardbare geluidhinder vanwege de inrichting.

Gelet hierop hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom, in het kader van de door hen uitgevoerde bestuurlijke afweging, de overschrijding van het L95 van het omgevingsgeluid toelaatbaar moet worden geacht. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Verweerders dienen een nieuw besluit te nemen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.7. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 9 juli 2001, kenmerk Wm nr. 57-01;

III. draagt burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch op binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente 's-Hertogenbosch te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Breda, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Breda

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

310.