Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5377

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200004024/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 358

Uitspraak

200004024/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 11 juli 2000 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 1998 hebben burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellanten vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan voor het afmeren van een woonschip aan het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 december 1998 hebben zij het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 11 juli 2000, verzonden op 17 juli 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 5 oktober 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn op 27 maart 2002 van de kant van appellanten nadere stukken ontvangen. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2002, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. M.J. Meijer, advocaat te Haarlem, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door N.J.M. Röling en L.M.H.W. Fassotte-Bams, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat het afmeren van een woonschip aan het perceel ingevolge artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 19, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Vinkeveen-Noord” strijdig is met dat plan.

2.2. In artikel 33 van de voorschriften zijn overgangsbepalingen opgenomen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel mogen bouwwerken en gronden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan op andere wijze in gebruik zijn dan in dit plan is bepaald, onverminderd het bepaalde in enig wettelijk voorschrift, als zodanig in gebruik blijven; het is verboden de bestaande afwijking op enigerlei wijze, ook naar de aard te vergroten of te verzwaren.

Ingevolge het vierde lid is het verboden, indien het in het vorige lid bedoelde gebruik gedurende een ononderbroken tijdvak van tenminste drie jaar is gestaakt, dit gebruik te hervatten, tenzij het bewoning betreft van een als woonhuis gebruikt gebouw.

Ingevolge het zesde lid verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling ten behoeve van een ander gebruik, dan uit hoofde van het bepaalde in het derde en vierde lid is toegestaan, indien strikte toepassing van deze voorschriften leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2.3. Burgemeester en wethouders hebben een verzoek van appellanten om hun vergunning te verlenen voor het innemen van een ligplaats met een woonschip aan het perceel opgevat als tevens inhoudend een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan. Het geschil betreft de afwijzing van dat verzoek.

Aan die afwijzing, zoals die is gehandhaafd in bezwaar, ligt de overweging ten grondslag dat deze locatie gedurende een ononderbroken tijdvak van meer dan drie jaar niet is gebruikt als ligplaats voor een woonschip, dat het afmeren van een woonschip, als waarvoor vergunning is verzocht, in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan en evenmin mogelijk op grond van het overgangsrecht en dat het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet mogelijk is, aangezien voor het perceel een voorbereidingsbesluit geldt, noch een ontwerp van herziening ter inzage is gelegd.

2.4. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders onvoldoende onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden hebben verricht. Voorts heeft de rechtbank volgens hen miskend dat geen sprake is van een uitsterfbeleid en dat, zo daarvan wel sprake is, dat beleid niet consequent is toegepast en afbreuk is gedaan aan het uitgangspunt van de overgangsbepalingen van1981. Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat gebruik kon worden gemaakt van voormeld zesde lid, van artikel 33 van de planvoorschriften.

2.5. Het betoog van appellanten slaagt niet.

De rechtbank heeft met juistheid in de stukken geen grond gevonden voor het oordeel dat burgemeester en wethouders onvoldoende onderzoek naar de feiten hebben verricht.

Zij heeft evenzeer met juistheid overwogen dat burgemeester en wethouders niet hebben hoeven aannemen dat, voorafgaande aan het verzoek, een ononderbroken periode van drie jaren valt aan te wijzen, waarin gebruik is gemaakt van een woonschip aanliggend aan het perceel en dat zij in dat verband betekenis hebben mogen toekennen aan het feit dat het schip geruime tijd op het land is ingegraven geweest en in ieder geval sinds 1995 geen bovenbouw meer heeft, zodat het vanaf die tijd ook niet langer voor bewoning kon worden gebruikt.

2.6. Appellanten hebben voorts betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het beoogde gebruik onder het overgangsrecht valt, omdat bij het van kracht worden van het bestemmingsplan in 1981 sprake was van met de bestemming “Agrarische doeleinden III” strijdig gebruik voor het aanmeren van woonschepen.

Ook dit betoog, wat overigens van de betekenis ervan zij, faalt, omdat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het gaat om het gebruik van het aan het perceel grenzende water, dat volgens het bestemmingsplan de bestemming “Water” heeft.

2.7. Het betoog van appellanten dat de rechtbank de betekenis van het zesde lid van artikel 33 van de bestemmingsplanvoorschriften heeft miskend, slaagt evenmin.

Volgens vaste rechtspraak is het verlenen van een vrijstelling, als daar voorzien, eerst mogelijk, indien zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan objectief bezien niet meer mogelijk is. Niet gebleken is dat het perceel niet overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, zodat reeds daarom geen vrijstelling, als daar bedoeld, kon worden verleend. Dat burgemeester en wethouders in feite niet het beleid voeren woonschepen, die in het gebied van de gemeente De Ronde Venen als zodanig niet zijn bestemd, niet toe te staan, dan wel te laten “uitsterven”, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt.

2.8. De rechtbank heeft, anders dan appellanten betogen, tenslotte evenzeer terecht overwogen dat burgemeester en wethouders genoegzaam hebben weerlegd dat het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel is geschonden. De woonarken op de percelen l[locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] zijn niet op één lijn te stellen met het woonschip van appellanten, omdat op die schepen het overgangsrecht van toepassing is. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat burgemeester en wethouders ten tijde van belang toezegging hebben gedaan dat het aanmeren van een nieuw woonschip zou worden toegestaan, al dan niet door het verlenen van vrijstelling.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Koning

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

221-97/383.