Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5375

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200004314/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200004314/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1]wonend te [woonplaats]

2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], allen wonend te [woonplaats],

4. burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum,

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2000, kenmerk MW/MVA, CC 6433, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het innemen, tijdelijk opslaan, sorteren en bewerken van steenachtige, houtachtige (A- en B-hout), grondachtige en ferro en non-ferro materialen (lees: ferro en non-ferro metalen) alsmede gemengd bouw- en sloopafval op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Meerlo-Wanssum, kadastraal bekend gemeente Meerlo, sectie […], nummer […] (gedeeltelijk). Dit aangehechte besluit is op 3 augustus 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 8 september 2000, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2000, appellanten sub 2 bij brief van 10 september 2000, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2000, appellanten sub 3 bij brief van 11 september 2000, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2000, en appellanten sub 4 bij brief van 11 september 2000, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2000, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 november 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 juli 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2002, waar zijn verschenen appellant sub 1, vertegenwoordigd door gemachtigde, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door gemachtigde, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door gemachtigde, appellanten sub 4, vertegenwoordigd door W.J.G.M. Gossens, ambtenaar van de gemeente, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.G. Werkhoven en ing. J.M.M.D. Poelen, beiden ambtenaar van de provincie. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [gemachtigde] en [gemachtigde].

De [vergunninghouder] heeft ter zitting een akoestisch rapport overgelegd van de HMB groep te Maasbree van 21 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Appellanten sub 1 en 4 hebben bij brieven van respectievelijk 11 en 18 april 2002 hierop gereageerd.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant sub 1 heeft de gronden inzake de doelmatigheid, het gevaar van besmetting van de sproeiwaterleidingen met de legionellabacterie, de vermogens van de geluidbronnen in de inrichting en voorschrift 5.3 niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Appellanten sub 3 hebben de gronden inzake het afvalwater en de bodemverontreiniging, de strijd met het bestemmingsplan, de trillinghinder, de afwezigheid van vertrouwen in de persoon van de drijver van de inrichting en de inzet van de mobiele puinbreker niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Met betrekking tot appellanten sub 1 en 3 is het bepaalde onder b en c niet van toepassing. De onderdelen van het beroep van appellanten sub 4 inzake het onjuist en onvolledig beeld van de vergunningaanvraag, de doelmatigheid, de trillinghinder, het ontbreken van een definitie van A- en B-hout en het ontbreken van voorschrift 3.9 vinden niet hun grondslag in het door hen uitgebrachte advies over het ontwerp van het besluit. Met betrekking tot deze appellanten is het bepaalde onder a en c niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1, 3 en 4 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van appellanten sub 1, 3 en 4 in zoverre niet-ontvankelijk zijn.

2.2. Appellanten sub 4 hebben aangevoerd dat verweerders de vergunningaanvraag ten onrechte niet onverwijld aan hen hebben toegezonden, maar eerst op hun verzoek. Voorts hebben appellanten sub 3 en 4 aangevoerd dat er ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden tussen appellanten sub 4 en verweerders voordat het ontwerp-besluit ter inzage werd gelegd.

Ingevolge artikel 3:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zendt het bevoegd gezag na ontvangst van de vergunningaanvraag onverwijld een exemplaar van de vergunningaanvraag en de daarbij behorende stukken aan de betrokken andere bestuursorganen. Verweerders hebben niet onmiddellijk een afschrift van de vergunningaanvraag en de daarbij behorende stukken aan appellanten sub 4 toegestuurd. Aangezien verweerders dit naderhand wel hebben gedaan ziet de Afdeling aanleiding het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren.

Voorts bestaat er geen wettelijke plicht voor verweerders om voorafgaande aan het ter inzage leggen van het ontwerp-besluit overleg te voeren met appellanten sub 4.

Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.3. Appellanten sub 1 en 4 hebben aangevoerd dat de onderhavige inrichting één inrichting vormt met de naastgelegen tegelhandel van het bedrijf genaamd [partij].

2.3.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is een inrichting elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Bij algemene maatregel van bestuur worden ingevolge het derde lid van dit artikel categorieën van inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, wordt elders in de Wet milieubeheer en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan een inrichting behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot dezelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.3.2. Vast staat dat de tegelhandel van [partij] in de onmiddellijke nabijheid ligt van de onderhavige inrichting. Tevens is ter zitting gebleken dat [naam] eigenaar is van de grond die vergunninghoudster en de tegelhandel van [partij] van hem huren. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting worden de bedrijven echter gedreven door afzonderlijke vennootschappen. Voorts zijn de activiteiten gescheiden en staan de personeelsleden op verschillende loonlijsten. Daarnaast is er geen gezamenlijke receptie, is de toevoer van gas, elektriciteit en water gescheiden en vindt het parkeren gescheiden plaats. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat tussen de inrichting van vergunninghoudster en de tegelhandel van [partij] niet zodanige functionele, technische of organisatorische bindingen bestaan als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer dat sprake is van één inrichting. De beroepen van appellanten sub 1 en 4 zijn in zoverre ongegrond.

2.4. Appellant sub 2 heeft aangevoerd dat niet duidelijk is of de weg die staat aangegeven op de bij de vergunningaanvraag behorende tekening zal worden aangelegd en of verweerders dit aspect bij de vergunningverlening hadden moeten betrekken.

Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet vaststond of deze weg wel zou worden aangelegd en zo ja, wat het exacte tracé zou worden. De plannen met betrekking tot de weg waren nog in studie. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders terecht het standpunt hebben ingenomen dat op dat moment geen sprake was van redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.8, onder c, van de Wet milieubeheer, die zij bij hun beslissing hadden behoren te betrekken. Dit beroepsonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag.

2.5. Appellanten sub 4 hebben aangevoerd dat het niet duidelijk is waar de diverse geluidbronnen op het terrein zullen staan. De Afdeling is evenwel van oordeel dat zulks duidelijk blijkt uit de tekeningen die onderdeel uitmaken van het akoestisch rapport en de vergunningaanvraag en die ter zitting door verweerders nader zijn toegelicht. Dit beroepsonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag.

2.6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, moeten aan de vergunning de voorschriften worden verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met de doelmatige verwijdering van afvalstoffen.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder doelmatige verwijdering van afvalstoffen verstaan: zodanige verwijdering van afvalstoffen dat in ieder geval:

a. de continuïteit van de verwijdering wordt gewaarborgd;

b. de afvalstoffen met inachtneming van artikel 10.1 op effectieve en efficiënte wijze worden verwijderd;

c. de capaciteit aan afvalverwijderingsinrichtingen is afgestemd op het aanbod aan te verwijderen afvalstoffen;

d. een onevenwichtige spreiding van afvalverwijderingsinrichtingen wordt voorkomen, en

e. een effectief toezicht op de verwijdering mogelijk is.

Ingevolge artikel 8.8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan.

2.7. Appellanten sub 3 en 4 hebben aangevoerd dat de inrichting visuele hinder veroorzaakt als gevolg van de opslag van het in de inrichting aanwezige puin. Zij betogen dat ook een opslaghoogte van 6 meter, zoals verweerders kennelijk voor ogen staat, visuele hinder zal veroorzaken.

De vraag of sprake is van visuele hinder komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Verweerders hebben zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat, aangezien de maximale opslaghoogte in de voorschriften is beperkt tot 6 meter, voor visuele hinder niet behoeft te worden gevreesd. Zij hebben hierbij opgemerkt dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan onder meer een bouwhoogte van 18 meter voor schoorstenen, silo’s en overige bouwwerken, een hoogte van 8 meter voor gebouwen en een hoogte van 6 meter voor dienstwoningen toestaat.

Gelet op hetgeen op grond van het bestemmingsplan mogelijk is en gelet op de afstand van de onderhavige opslag tot de dichtstbijzijnde woningen is de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat bij een maximale opslaghoogte van 6 meter geen sprake is van onaanvaardbare visuele hinder. Verweerders hebben echter het voorschrift waarnaar in de considerans wordt verwezen en waarin de maximale opslaghoogte zou zijn beperkt tot 6 meter, abusievelijk niet aan de vergunning verbonden. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen, zodat deze beroepsgronden doel treffen.

2.8. Appellanten sub 1, 2 en 4 hebben aangevoerd stofoverlast te zullen ondervinden van de activiteiten in de inrichting. Appellanten zijn van mening dat de aan de vergunning verbonden voorschriften met betrekking tot stofhinder te algemeen van aard zijn. Bovendien hebben verweerders volgens hen onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de afstand van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woningen betrekkelijk kort is. Appellanten hebben in dit verband tevens gesteld dat deze voorschriften niet toereikend zijn, omdat de puinbreker overal op het terrein van de inrichting zal kunnen staan.

2.8.1. Ter voorkoming dan wel beperking van stofoverlast hebben verweerders de voorschriften 4.1 en 4.2 aan het bestreden besluit verbonden.

Voorschrift 4.1 bepaalt dat, indien verstuiving of stofverspreiding ten gevolge van opslagen, activiteiten en/of processen kan ontstaan of ontstaat, dit middels besproeien en/of afdekking of anderszins voorkomen of opgeheven dient te worden.

In voorschrift 4.2 zijn diverse voorzieningen voorgeschreven teneinde hinderlijke verspreiding van stof buiten de inrichting te voorkomen.

2.8.2. Verweerders hebben zich bij het vaststellen van deze voorschriften gebaseerd op de Nederlands Emissie Richtlijnen (hierna: de NER). Uitgangspunt van de NER is dat aan de bron geen visueel waarneembare stofverspreiding mag optreden. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat, aangezien vergunninghoudster overeenkomstig de NER ingevolge voorschrift 4.2 verplicht is voorzieningen te treffen, zoals het sproeien, het schoonvegen van het terrein van de inrichting en andere voorzieningen om verspreiding van zand, stof of ander fijnkorrelig materiaal buiten de inrichting te voorkomen, stofemissies niet zullen optreden. Mede gelet op het ter zake uitgebrachte deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de voorschriften 4.1 en 4.2 toereikend zijn om stofhinder ten gevolge van opslag te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Dit beroepsonderdeel slaagt derhalve niet.

2.8.3. Voorzover de bezwaren van appellanten sub 1, 2 en 4 betrekking hebben op de door hen gevreesde stofoverlast tijdens het laden en lossen van de vrachtwagens, is de Afdeling, gelet op de korte afstand van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woningen en mede gelet op het deskundigenbericht, van oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de voorschriften 4.1 en 4.2 toereikend zijn om deze overlast te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Deze voorschriften zijn in zoverre derhalve in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. De beroepen van appellanten sub 1, 2 en 4 zijn in zoverre gegrond.

2.9. Appellant sub 2 heeft aangevoerd dat binnen een straal van 25 kilometer rond de inrichting reeds vijf puinbrekers in werking zijn. Volgens hem is in dit gebied niet voldoende puin aanwezig en zal puin moeten worden geïmporteerd.

2.9.1. De Afdeling stelt voorop dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat het in de inrichting verwerkte hout en ferro- en non-ferrometaal deel uitmaken van het eveneens in de inrichting verwerkte bouw- en sloopafval.

2.9.2. Bij de invulling van de hun toekomende beoordelingsvrijheid hebben verweerders, ter beoordeling van de doelmatigheid, het Milieubeleidsplan Limburg 1995-1998, zoals gewijzigd op 23 mei 1997, tot uitgangspunt genomen. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de nadelige gevolgen voor de doelmatige verwijdering van bouw- en sloopafval, met name de deelaspecten capaciteit en spreiding, door het verlenen van de onderhavige vergunning voldoende worden voorkomen dan wel beperkt.

Voorop moet worden gesteld dat artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer meebrengt dat het bevoegd gezag bij de beoordeling van de doelmatigheid in ieder geval is gehouden te toetsen aan de in die bepaling genoemde deelaspecten, waaronder de aspecten capaciteit en spreiding. Dit betekent evenwel niet dat de toets aan deze deelaspecten voor alle afvalverwijderingsinrichtingen en onder alle omstandigheden met dezelfde intensiteit behoeft te worden uitgevoerd. De verschillende deelaspecten van het doelmatigheidscriterium zijn, ook blijkens de parlementaire geschiedenis (kamerstukken 1988/89, 21 246 nr. 3, p. 25 en p. 28), onlosmakelijk met elkaar verbonden en behoeven voor de diverse afvalstoffen en afvalstromen en naar gelang de omstandigheden meer of minder uitwerking, afhankelijk van de aard en samenstelling van de afvalstoffen, de bestaande verwijderingsmogelijkheden, het patroon van verwijderingsmogelijkheden en de invloed van het aspect doelmatigheid van de verwijdering van de afvalstoffen op de totale bescherming van het milieu.

Voorzover het de verwijdering van bouw- en sloopafval betreft, ligt aan het door verweerders gehanteerde Milieubeleidsplan Limburg 1995-1998, zoals gewijzigd op 23 mei 1997, onder meer ten grondslag de omstandigheid dat er voor dit afval inmiddels een adequate verwijderingstructuur bestaat. Tegelijk is het, aldus dit milieubeleidsplan, vanwege het fluctuerende karakter van het aanbod van bouw- en sloopafval, de inzet van mobiele puinbrekers, alsmede vanwege het 'opengaan' van de provinciale grenzen voor de verwijdering van bouw- en sloopafval nauwelijks mogelijk de beschikbare capaciteit aan bouw- en sloopafvalverwijderingsinrichtingen en het aanbod aan bouw- en sloopafval voor een bepaalde regio precies vast te stellen en op elkaar af te stemmen. In dit milieubeleidsplan wordt aangenomen dat door het functioneren van het marktmechanisme de capaciteit aan bouw- en sloopafvalverwijderingsinrichtingen normaliter voldoende wordt afgestemd op het aanbod aan bouw- en sloopafval en een onevenwichtige spreiding van deze inrichtingen wordt voorkomen, waarbij door het stellen van eisen aan de verwijdering een hoogwaardige verwijderingscapaciteit kan worden verzekerd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er in de regio Noord-Limburg weliswaar sprake is van overcapaciteit, maar dat de verwijderingstructuur voor bouw- en sloopafval goed functioneert. Niet is gebleken dat er reden is om aan te nemen dat de marktsituatie door de bij het bestreden besluit vergunde uitbreiding wordt verstoord. Gelet hierop hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de continuïteit van de verwijdering van bouw- en sloopafval niet in gevaar komt.

Gegeven de wijze waarop verweerders invulling geven aan de hun toekomende beoordelingsvrijheid hebben zij zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat de vergunning niet om redenen van doelmatigheid behoefde te worden geweigerd.

Het beroep van appellant sub 2 is in zoverre ongegrond.

2.9.3. Ten aanzien van het op- en overslaan van grond is in het hiervoor genoemde milieubeleidsplan bepaald dat de projectgebonden tijdelijke opslag van verontreinigde grond mogelijk is onder een aantal voorwaarden. Er moet in elk geval duidelijkheid bestaan over de noodzaak en de tijdelijkheid. Voorts dient de opslag onder milieuhygiënisch verantwoorde condities plaats te vinden. Verweerders hebben zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in de provincie Limburg een grote behoefte bestaat aan structurele locaties voor tijdelijke opslag van deze grond. Derhalve zal het opzetten van een netwerk van grondbanken voor nuttig toepasbare licht verontreinigde grond worden gestimuleerd. Onder deze omstandigheden hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de tijdelijke op- en overslag in de onderhavige inrichting doelmatig is.

Het beroep van appellant sub 2 is ook in zoverre ongegrond.

2.10. Alle appellanten hebben aangevoerd dat afvalwater in de bodem zal geraken en aldus bodemverontreiniging zal veroorzaken. De aan de vergunning verbonden voorschriften kunnen dit volgens hen niet voorkomen dan wel voldoende beperken.

2.10.1. Verweerders hebben in hoofdstuk 3.0 van de vergunningvoorschriften bepalingen opgenomen omtrent het voorkomen en het ongedaan van bodemverontreiniging.

Ingevolge voorschrift 3.5 dienen de terreingedeelten waarop activiteiten plaatsvinden die risico voor bodemverontreiniging opleveren, inclusief de bijbehorende afvoergoten, te zijn voorzien van een vloeistofdichte verharding dan wel voorziening.

In voorschrift 3.6 is een aantal controlemaatregelen met betrekking tot vloeistofdichte vloeren en verhardingen opgenomen. In dit voorschrift is het volgende bepaald.

a. Vloeistofdichte vloeren/verhardingen moeten tenminste éénmaal per jaar door of namens KIWA of een andere door de Raad voor Certificatie erkende certificatie-instelling worden gecontroleerd op afschot en scheuren of andere gebreken die afbreuk doen aan de vloeistofdichtheid; hierbij kan worden volstaan met een visuele controle.

b. Beschadigingen aan de vloeistofdichte vloeren/verhardingen moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld door een bedrijf dat hiertoe is erkend door KIWA of een andere door de Raad voor de Certificatie erkende certificatie-instelling.

c. Indien er een redelijk vermoeden bestaat dat een vloer/verharding niet vloeistofdicht is, kan de directeur bij nadere eis bepalen dat een aanvullende controle wordt uitgevoerd. Hiertoe dienen per 1000 m² vloeroppervlak drie kernen te worden geboord en onderzocht op het poriënvolume (in geval van asfaltverharding) of op waterindringing conform de proef beschreven in de norm ISO/DIS 7031. De resultaten van het onderzoek dienen aan de directeur te worden overgelegd.

2.10.2. Verweerders hebben zich bij het vaststellen van deze voorschriften gebaseerd op de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (hierna: de NRB). In het bestreden besluit hebben verweerders vermeld dat de voorzieningen in de inrichting voldoen aan de NRB. In verband hiermee hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn om de door appellanten gevreesde overlast te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

2.10.3. Gelet op de in voorschrift 3.5 voorgeschreven voorzieningen en de in voorschrift 3.6 neergelegde controlebepalingen is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de door appellanten gestelde bodemverontreiniging wordt voorkomen dan wel mogelijk wordt beperkt. De beroepen treffen in zoverre geen doel.

2.10.4. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte het in de considerans van de vergunning genoemde voorschrift 3.9 niet aan de vergunning hebben verbonden. Verweerders hebben erkend dat dit voorschrift, op grond waarvan aanvullende maatregelen kunnen worden voorgeschreven inzake het buiten de inrichting geraken van bedrijfsafvalwater, per abuis niet aan de vergunning is verbonden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, zodat deze beroepsgronden slagen.

2.10.5. Appellant sub 1 heeft aangevoerd dat aan het bestreden besluit ten onrechte geen voorschriften zijn verbonden zoals omschreven in het Lozingenbesluit bodembescherming. Dergelijke voorschriften zijn volgens hem nodig, aangezien vanwege de besproeiing van het opgeslagen puin grote hoeveelheden afvalwater in de bodem worden geloosd.

In de vergunningaanvraag is niet verzocht om afvalwater definitief in de grond te brengen of te doen brengen in de zin van het Lozingenbesluit bodembescherming, zodat deze activiteit niet is en ook niet kan worden vergund. Het betoog terzake kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep van appellant sub 1 is in zoverre dan ook ongegrond.

2.11. Appellant sub 3 heeft aangevoerd dat door de toename van het aantal vrachtwagens in de Spoorstraat, de verkeersveiligheid in gevaar zal komen.

De verkeersveiligheid vormt geen belang dat in de Wet milieubeheer bescherming heeft gevonden, zodat hetgeen dienaangaande is aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Overigens kunnen, indien de verkeersveiligheid in geding is, maatregelen in het kader van de wegenverkeerswetgeving worden getroffen. De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.12. Alle appellanten hebben aangevoerd geluidhinder te zullen ondervinden van het in werking zijn van de inrichting.

2.12.1. Ingevolge voorschrift 5.1, voorzover hier van belang, mag het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de inrichting op een hoogte van 1,5 meter niet meer bedragen dan respectievelijk 49, 46, 50 en 41 dB(A) gedurende de dagperiode (07.00-19.00 uur) ter plaatse van de in figuur A aangegeven immissiepunten 2, 5, 10 en 11.

Ingevolge voorschrift 5.2, voorzover hier van belang, mag het maximale geluidniveau (Lmax) veroorzaakt door de inrichting op een hoogte van 1,5 meter niet meer bedragen dan respectievelijk 62, 64, 68 en 61 dB(A) gedurende de dagperiode (07.00-19.00 uur) ter plaatse van de immissiepunten 2, 5, 10 en 11. Deze waarden gelden niet voor het rijden van vrachtwagens op het inrichtingsterrein. Bovendien geldt de grenswaarden voor immissiepunt 10 niet voor het sorteren van metaal. Voor deze activiteiten mag het maximale geluidniveau (Lmax) niet meer dan 72 dB(A) bedragen.

Ingevolge voorschrift 5.3 mogen twaalf keer per jaar transportbewegingen met behulp van vrachtwagens, het laden en lossen van vrachtwagens, brekeractiviteiten met de steenbreker, het sorteren van metaal en hout en shovelactiviteiten gedurende de avondperiode plaatsvinden. Hierbij gelden de grenswaarden zoals vermeld in voorschrift 5.1 en 5.2.

Ingevolge voorschrift 5.5 moeten geluidmetingen en/of –berekeningen alsmede de beoordeling van de resultaten geschieden overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (HMRI)” van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

2.12.2. Voorzover de beroepen betrekking hebben op de aan de vergunning verbonden grenswaarden voor het equivalente geluidniveau hebben verweerders bij het vaststellen van deze waarden hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening toegepast. Verweerders zijn hierbij uitgegaan van de streefwaarden voor een woonwijk in een stad, dat wil zeggen van een etmaalwaarde van 50 dB(A). Aangezien de inrichting zich aan de rand van de bebouwde kom van Tienray bevindt aan een drukke doorgaande weg en een meting van het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de gevels van de tegenover de inrichting aan deze weg staande woningen hebben uitgewezen dat daar een referentieniveau heerst van 52 dB(A), hebben verweerders deze streefwaarden in redelijkheid als uitgangspunt kunnen hanteren.

Aangezien de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau overeenkomen met deze streefwaarden, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze waarden een toereikend beschermingsniveau bieden.

Verweerders hebben in het bestreden besluit gesteld dat, wanneer in de inrichting een aantal geluidreducerende maatregelen is getroffen, aan de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau kan worden voldaan. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan waar de geluidwal op het terrein van de inrichting zal worden aangelegd en waar de puinbreker zal worden geplaatst. Onder deze omstandigheden hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat deze geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Weliswaar zal volgens meting en/of berekening op referentiepunt 11 deze grenswaarde met 1 dB(A) worden overschreden, maar deze overschrijding kan worden toegerekend aan meet- en rekenonnauwkeurigheden. Daarbij neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat uit het op 21 maart 2002 opgestelde akoestisch rapport van de HMBgroep is gebleken dat aan de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau kan worden voldaan. Dat in dit rapport gebruik is gemaakt van een berekening in plaats van een meting is niet ongebruikelijk en acht de Afdeling, anders dan appellanten sub 4 hebben aangevoerd, niet onzorgvuldig.

Deze beroepsonderdelen slagen niet.

2.12.3. De grenswaarden voor het piekgeluidniveau komen overeen met hetgeen in de circulaire Industrielawaai wordt voorgeschreven. Deze waarden zijn bovendien, naar uit het akoestisch rapport is gebleken, noodzakelijk voor het in werking zijn van de inrichting. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze grenswaarden een toereikend beschermingsniveau bieden.

De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.12.4. Voorzover de beroepen van appellanten betrekking hebben op geluidoverlast die zij vrezen te ondervinden van de op het terrein van de inrichting rijdende vrachtwagens, overweegt de Afdeling dat het in het algemeen toelaatbaar is, indien het niet mogelijk is door het treffen van maatregelen aan de gestelde grenswaarden te voldoen, met betrekking tot de door transportbewegingen en daarmee gepaard gaande laad- en losbewegingen veroorzaakte piekgeluiden, gedurende de dagperiode een uitzondering te maken van de gestelde geluidgrenswaarden voor piekgeluidniveau's. In een dergelijk geval waarborgen de gestelde voorschriften voor het equivalente geluidniveau voldoende dat de uitgezonderde piekgeluiden een incidenteel karakter behouden. Bij een regelmatige overschrijding van de piekgeluiden zal immers al snel overschrijding van de voor het equivalente geluidniveau gestelde voorschriften plaatsvinden.

In voorschrift 5.2 hebben verweerders bepaald dat de grenswaarden voor het piekgeluidniveau niet gelden voor het rijden van vrachtwagens op het inrichtingsterrein en dat de grenswaarde voor immissiepunt 10 niet geldt voor het sorteren van metaal. Aangezien voorts is bepaald dat voor deze activiteiten het maximale geluidniveau (Lmax) niet meer mag bedragen dan 72 dB(A), leidt de Afdeling uit deze bepaling af dat voor zowel het rijden van vrachtwagens op het terrein van de inrichting als het sorteren van metaal als hiervoor omschreven een grenswaarde voor het piekgeluidniveau geldt van 72 dB(A). In de considerans van de vergunning hebben verweerders evenwel gesteld dat voor het rijden van vrachtwagens op het terrein van de inrichting geen grenswaarden voor het piekgeluidniveau gelden, omdat deze grenswaarden op referentiepunt 2 altijd zullen worden overschreden. Hieruit leidt de Afdeling dat verweerders kennelijk niet beoogd hebben voor het rijden van vrachtwagens op het terrein van de inrichting gedurende de dagperiode grenswaarden voor het piekgeluidniveau te stellen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat voorschrift 5.2, voorzover het de twee na laatste en laatste volzin betreft, niet duidelijk is. Dit voorschrift is in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, zodat de beroepen in zoverre doel treffen.

2.12.5. Voorzover de beroepen betrekking hebben op voorschrift 5.3, overweegt de Afdeling dat gedurende maximaal twaalf keer per jaar een aantal specifieke activiteiten in de inrichting plaatsvindt. Het in werking zijn van de inrichting heeft een incidenteel karakter. Voorts worden door vergunninghoudster alle redelijkerwijs van haar te verlangen geluidreducerende voorzieningen getroffen en dient het in werking zijn van de inrichting gedurende de avondperiode vooraf te worden gemeld aan verweerders en door vergunninghoudster naar datum te worden geregistreerd. Onder deze omstandigheden hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 5.3 een toereikend beschermingsniveau biedt. Voorts heeft vergunninghoudster ter zitting gesteld dat de geluidgrenswaarden die voor de dagperiode zijn vastgesteld tijdens werkzaamheden gedurende de avondperiode niet zullen worden overschreden, aangezien de bedrijfsduur van de in de inrichting aanwezige geluidbronnen gedurende de avondperiode een derde zal bedragen van de bedrijfsduur van deze geluidbronnen gedurende de dagperiode waarvan bij het ten behoeve van de vergunningaanvraag uitgevoerde akoestisch onderzoek is uitgegaan en de avondperiode een derde bedraagt van de dagperiode. Dit blijkt ook uit het hiervoor bedoelde akoestisch rapport van 21 maart 2002. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.12.6. Voorzover appellanten sub 4 hebben gesteld dat in voorschrift 5.5 is verwezen naar de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999”, maar dat in het akoestisch onderzoek gebruik is gemaakt van de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01", overweegt de Afdeling dat verweerders de berekeningen op grond van laatstgenoemde handleiding hebben omgerekend naar de in voorschrift 5.5 genoemde handleiding. Deze nieuwe handleiding ligt ten grondslag aan de vergunningvoorschriften. Onder deze omstandigheden slaagt deze beroepsgrond niet.

2.12.7. Appellanten hebben aangevoerd dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een aantal vrachtwagenbewegingen van 15 in plaats van van een aantal van 30. Hierdoor wordt volgens appellanten de voorkeurswaarde van 50 dB(A) zoals vermeld in de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de circulaire) overschreden.

Verweerders, die evengenoemde circulaire als uitgangspunt hebben genomen, erkennen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van 15 vrachtwagenbewegingen en stellen dat als gevolg hiervan de geluidbelasting vanwege de vrachtwagens 3 dB(A) hoger is, te weten 53 dB(A). Hierdoor wordt de hiervoor bedoelde voorkeurswaarde van 50 dB(A) weliswaar overschreden, maar uit geluidmetingen is gebleken dat de geluidbelasting van het bestaande verkeer op de Spoorstraat 62 dB(A) bedraagt en dat de binnenwaarde van 35 dB(A), uitgaande van een normale gevelwering van 20 dB(A), niet zal worden overschreden.

Uit het deskundigenbericht is gebleken dat meergenoemde voorkeurswaarde ook al zou worden overschreden wanneer zou worden uitgegaan van 15 vrachtwagenbewegingen, namelijk 52 dB(A). Uitgaande van 30 vrachtwagenbewegingen moet volgens het deskundigenbericht rekening worden gehouden met een waarde van 55 dB(A). Voorts is het volgens het deskundigenbericht niet aannemelijk dat de binnenwaarde van 35 dB(A) niet zal worden overschreden. Verweerders hebben ter zitting verklaard dat zij ervan uit zijn gegaan dat wanneer de vrachtwagens de inrichting verlaten, 50% ervan linksaf de Spoorstraat oprijdt en 50% rechtsaf. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerders hiernaar geen nader onderzoek hebben verricht. Nu op grond van de circulaire overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) kan worden toegestaan tot 65 dB(A) indien akoestische maatregelen niet mogelijk zijn en een binnenwaarde van 35 dB(A) wordt gegarandeerd, maar niet is onderzocht of deze binnenwaarde kan worden gegarandeerd, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is voorbereid en derhalve strijdig is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.13. Gezien het vorenstaande treffen de bezwaren inzake de stofhinder van het laden en lossen van de vrachtwagens, de twee na laatste en laatste volzin van voorschrift 5.2, het niet aan de vergunning verbinden van voorschrift 3.9, het niet aan de vergunning verbinden van een voorschrift waarin een opslaghoogte van 6 meter voor puin is vastgesteld en de gestelde strijd met de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" doel. De geluidaspecten zijn in dit geval bepalend voor het antwoord op de vraag of vergunning kan worden verleend. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd. De Afdeling ziet tevens aanleiding op de hierna te melden wijze toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van d Algemene wet bestuursrecht.

2.14. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk voorzover het betreft de doelmatigheid, het gevaar van besmetting van de sproeiwaterleidingen met de legionellabacterie, de vermogens van de geluidbronnen in de inrichting en voorschrift 5.3;

II. verklaart het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk voorzover het betreft het afvalwater en de bodemverontreiniging, de strijd met het bestemmingsplan, de trillinghinder, de afwezigheid van vertrouwen in de persoon van de drijver van de inrichting en de inzet van de mobiele puinbreker;

III. verklaart het beroep van appellanten sub 4 niet-ontvankelijk voorzover het betreft het onjuist en onvolledig beeld van de vergunningaanvraag, de doelmatigheid, de trillinghinder, het ontbreken van een definitie van A- en B-hout en het ontbreken van voorschrift 3.9;

IV. verklaart de beroepen voor het overige gegrond;

V. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 25 juli 2000, kenmerk MW/MVA, CC 6433;

VI. draagt gedeputeerde staten van Limburg op binnen drie maanden na de datum van de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;.

VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 694,48, waarvan een gedeelte groot € 644,37 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 131,79, in de door appellanten sub 3 in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 131,79, en in de door appellant sub 4 in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 131,79;

VIII. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 voor appellant sub 1, € 102,10 voor appellanten sub 2, € 102,10 voor appellanten sub 3 en € 204,20 voor appellant sub 4) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

164.