Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5373

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200200601/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200601/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

burgemeester en wethouders van Barendrecht,

appellanten,

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2001 heeft verweerder goedkeuring onthouden aan het op 16 juli 2001 door de raad van de gemeente Barendrecht vastgestelde Scholenplan 2002-2006 voor het primair onderwijs in Barendrecht (hierna: het plan), waarin een tweede openbare basisschool is opgenomen in de wijk Carnisselande als onderdeel van de zogenoemde Vinex-locatie Midden-IJsselmonde.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 30 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op die dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 maart 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door M.H. Schuurmans, ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.Y. van Hattum, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO) - voorzover thans van belang - kan de bekostiging van een openbare school slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen.

Ingevolge artikel 74, tweede lid, - voorzover thans van belang - behoeft het plan de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de minister) bedoeld in artikel 79.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, gaat een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad dat de opneming in het plan van een of meer openbare scholen bevat, vergezeld van onder meer een prognose van het te verwachten aantal leerlingen.

Ingevolge artikel 75, tweede lid, - voorzover thans van belang - neemt de gemeenteraad een openbare school in het plan op, indien op grond van de bij het voorstel overgelegde gegevens aannemelijk is, dat zij voldoet aan de normen van artikel 77, eerste lid.

Ingevolge artikel 75, derde lid, onder 7, bevat de in het eerste lid bedoelde prognose, indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is, gegevens omtrent het belangstellingspercentage voor de openbare school of scholen binnen de gemeente.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, neemt de gemeenteraad een bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grond van de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat zij binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.

Ingevolge artikel 79, tweede lid, wordt het plan binnen 2 weken na de vaststelling ter goedkeuring aan de minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde verzoeken en de stukken genoemd in het eerste lid. Indien de bij het verzoek gevoegde gegevens onvoldoende zijn om het verzoek te kunnen beoordelen, deelt de minister voor 15 september volgend op de in de eerste volzin bedoelde datum aan burgemeester en wethouders mede dat de gegevens voor 15 oktober daaropvolgend dienen te worden aangevuld. Indien de aanvullende gegevens niet voor 15 oktober zijn verstrekt, wordt het verzoek buiten behandeling gelaten.

Ingevolge artikel 79, vierde lid, onder d, onthoudt de minister zijn goedkeuring voorzover niet is voldaan aan het bij en krachtens deze wet bepaalde met betrekking tot de prognoses.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 79, vierde lid, onder d, van de WPO goedkeuring onthouden aan het plan.

2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat de oorspronkelijk overgelegde prognose weliswaar een rekenmethode bevat die geen recht doet aan de werkelijkheid, maar dat een vervolgens geproduceerde, bijgestelde prognose, die door hen in beroep is overgelegd, wél aan artikel 75, derde lid, van de WPO voldoet. Volgens hen moet het plan op basis daarvan alsnog worden goedgekeurd.

2.3.1. Het betoog faalt. Gelet op de artikelen 75, 77 en 79 van de WPO in hun onderlinge samenhang bezien, was verweerder gehouden om het plan te beoordelen aan de hand van de bij het verzoek van appellanten overgelegde gegevens, die op zichzelf overigens voldoende waren om het verzoek te kunnen beoordelen. Nu - zoals tussen partijen niet in geschil is - de daarbij overgelegde prognose niet voldoet aan het bepaalde in artikel 75, derde lid, van de WPO en verweerder ook nadien niet is gebleken van een bijgestelde, juiste prognose, was hij derhalve evenzeer gehouden om, met toepassing van artikel 79, vierde lid, van de WPO, goedkeuring te onthouden aan het plan, zoals hij bij het bestreden besluit heeft gedaan.

2.3.2. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

-282.