Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5366

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200104172/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104172/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 10 juli 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Mierlo.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 7 november 2000 en 19 december 2000 hebben burgemeester en wethouders van Mierlo (hierna: burgemeester en wethouders) met toepassing van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan de naamloze vennootschap Regionale Afvalverwerkingsmaatschappij Zuidoost-Brabant te Nuenen (hierna: RAZOB) vrijstellingen en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een uitzichtspunt en een natuur-/wildpark met de daarbij behorende voorzieningen op het perceel Heideschoor 24 te Mierlo.

Bij besluiten van 6 februari 2001 en 6 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders de daartegen door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten en de adviezen van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van Mierlo van 5 en 21 februari 2001, waarnaar in de besluiten wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juli 2001, verzonden op 13 juli 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd en appellant alsnog niet ontvankelijk verklaard in de door hem ingediende bezwaren. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 9 januari 2002 heeft RAZOB een schriftelijke reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H.W. van den Reek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is RAZOB, vertegenwoordigd door mr. R. Stiekema, advocaat te Eindhoven, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij de vermelde verlening van vrijstelling en bouwvergunning aan RAZOB.

2.2. Ingevolge genoemde bepaling wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat, nu de woning van appellant is gelegen op circa 1 kilometer ten opzichte van het natuurpark en op circa 1,5 kilometer ten opzichte van het uitzichtpunt, zijn belang zich niet onderscheidt van het belang van anderen en daarom niet rechtstreeks is betrokken bij de besluiten tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning.

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het natuur-/wildpark een onderdeel vormt van een totaalplan, dat het gehele gebied tussen de gemeentes Nuenen en Mierlo beslaat en waarvoor een bestemmingsplan in voorbereiding is. Volgens appellant zal het totaalplan grote gevolgen hebben voor zijn melkveebedrijf. Hij betoogt dat zijn belang is gelegen in de kansen om het totaalplan met succes aan te vechten. Hij vreest dat deze worden verkleind als de afzonderlijke plangedeeltes nu reeds middels de zelfstandige projectprocedure van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden gerealiseerd. De Afdeling is van oordeel dat uit de onderhavige besluiten niet de door appellant gevreesde gevolgen, wat daar verder van zij, voortvloeien. Voor de realisering van (andere onderdelen van) vermeld totaalplan zijn nadere besluiten vereist, waartegen appellant mogelijkerwijs wel rechtsmiddelen kan aanwenden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

27-422.