Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200105661/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105661/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2001 heeft de gemeenteraad van Den Haag, op voorstel van burgemeester en wethouders van 6 februari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Vogelwijk, eerste herziening".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 18 september 2001, DRGG/ARB/01/2201A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 14 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 15 november 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 maart 2002 hebben verweerders meegedeeld dat het ingediende beroepschrift geen aanleiding geeft voor het indienen van een verweerschrift.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar appellanten, in de persoon van [appellant] en vergezeld door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Den Haag, vertegenwoordigd door mr. J.H. Potter. Verweerders zijn ter zitting niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Deze herziening van het bestemmingsplan “Vogelwijk” heeft betrekking op een strook grond van ongeveer 65 m2 ter hoogte van het perceel Leeuweriklaan 11. Met de herziening wordt op de plankaart de bestemming “Verblijfstraat“ veranderd in de bestemming “Wonen”. Hiermee wordt een deel van het trottoir betrokken bij de tuin van de woning aan de Leeuweriklaan 11.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten kunnen zich niet verenigen met de goedkeuring van het plan. Zij betogen dat afwijken van een recent bestemmingsplan zonder klemmende redenen in strijd is met de rechtszekerheid en dat de gemeenteraad misbruik maakt van zijn bevoegdheid een bestemmingsplan vast te stellen. Zij zijn van mening dat de vergroting van de tuin ter plaatse afbreuk doet aan de architectonische stijlelementen van de Vogelwijk en dat van de herziening ongewenste precedentwerking zal uitgaan.

2.4. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat van aantasting van de ruimtelijke structuur geen sprake is en dat voor precedentwerking niet behoeft te worden gevreesd. Verweerders hebben geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en hebben het bestemmingsplan goedgekeurd.

2.5. Met dit bestemmingsplan maakt de gemeenteraad gebruik van de hem op grond van artikel 10 van de WRO autonoom toekomende bevoegdheid om een bestemmingsplan vast te stellen. In dit geval wordt deze bevoegdheid aangewend om de bestemming van de grond in overeenstemming te brengen met het feitelijk gebruik. Van deze bevoegdheid kan ook gebruik worden gemaakt indien het geldende bestemmingsplan nog geen tien jaar van kracht is. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat uit de uitspraak van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 1995, no. R03.91.5332, (AB 1996/41) blijkt dat er klemmende redenen moeten zijn om af te wijken van een recent bestemmingsplan, merkt de Afdeling op dat het in die zaak ging om de motivering van de urgentie in het kader van een anticipatieprocedure ingevolge artikel 19 van de WRO, zoals dit destijds luidde. Een dergelijke procedure is thans niet aan de orde.

Voorts is niet gebleken dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend, dan wel anderszins misbruik heeft gemaakt van de aan hem toekomende bevoegdheden.

2.5.1. Ter onderbouwing van hun stelling, dat de stedenbouwkundige structuur wordt aangetast, hebben appellanten in juni 2000 door architectenbureau ir. J.S. de Boer onderzoek laten verrichten. De conclusie van dit onderzoek luidt, dat aantasting van de karakteristieke en beeldbepalende elementen van de wijk niet wenselijk is. De vorm, het materiaalgebruik en het verloop van de oorspronkelijke erfafscheiding (de zogeheten bajonetvorm) zijn volgens dit onderzoek zulke elementen.

De Afdeling is niettemin van oordeel dat verweerders het standpunt van de gemeenteraad, dat gelet op de ruimtelijk onduidelijke situatie in dit gedeelte van de Vogelwijk geen sprake is van een planmatige verkaveling, niet onjuist hebben hoeven achten. Volgens verweerders wordt de kenmerkende structuur van de Vogelwijk, welke volgens hen bestaat uit onder meer brede lanen met herkenbare zichtassen en pleintjes en plantsoenen met een zeer groene en ruime uitvoering, door de kleinschaligheid van de ingreep voorts niet aangetast. Dit standpunt acht de Afdeling niet onjuist.

2.5.2. Met betrekking tot de door appellanten gevreesde precedentwerking overweegt de Afdeling het volgende. De eigenares van het perceel heeft de betrokken grond in 1997 van de gemeente Den Haag in erfpacht gekregen. Het gemeentebestuur verkeerde, naar later bleek ten onrechte, in de veronderstelling dat het geldende bestemmingsplan “Vogelwijk” uitbreiding van de tuin ter plaatse toestond en heeft dit aan eigenares meegedeeld. De gemeenteraad beoogt nu met deze herziening in dit specifieke geval de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de planologische regeling. Ter zitting is gebleken dat in de directe omgeving slechts één andere terugspringende perceelsgrens voorkomt. Deze inspringing heeft echter zowel wat betreft de lengte als de diepte een andere maat dan de inspringing die aanwezig was aan de voorzijde van de woning aan de Leeuweriklaan 11. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders er in redelijkheid van uit hebben kunnen gaan dat sprake is van een uniek geval waarvan geen precedentwerking uit gaat.

2.5.3. Voorzover appellanten betogen dat door de beplanting met een dichte beukenhaag de zichtlijnen van de zij- en overburen worden beperkt en dat het openbare trottoir te smal wordt, is de Afdeling van oordeel dat verweerders de breedte van het trottoir van 7 meter voldoende hebben kunnen achten en zij aan een beperking van de zichtlijnen, wat daar ook van zij, geen doorslaggevende betekenis hebben hoeven toekennen.

2.6. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002.

280-410.