Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5352

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
200105855/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105855/1.

Datum uitspraak: 17 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Moerdijk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een hondenkennel gelegen aan de [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 29 oktober 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2002, waar appellante in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door A.J.M. van Hoek, ambtenaar van de gemeente, en R. Vliex, gemachtigde, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord vergunninghouders, in persoon aanwezig en bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders een oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 25 volwassen honden dan wel 20 volwassen honden en 15 pups.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de gronden inzake de wateroverlast in de garages, de kelders en de tuinen als gevolg van het plaatsen van een dierenverblijf respectievelijk het illegaal dempen van sloten niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Ook de gronden inzake schade aan de bestrating als gevolg van het gebruik van de shovel, de wijze van afhandeling van klachten en de controle van de vergunning door verweerders zijn niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellante stelt geluidoverlast van de onderhavige inrichting te ondervinden als gevolg van de constante aanwezigheid van hondengeblaf. Appellante bestrijdt zowel de uitgangspunten als de uitkomsten van het akoestische onderzoek dat is verricht door Greten Raadgevende Ingenieurs van 12 februari 2001 (hierna: het akoestische onderzoek) naar de naleefbaarheid van de gestelde geluidgrenswaarden. Zij stelt voorts dat verweerders ten onrechte hogere maximale geluidgrenswaarden hebben vergund. Verder is appellante van mening dat op de inrichting wel degelijk gebruik wordt gemaakt van een shovel en dat dit gebruik geluidoverlast veroorzaakt.

2.4.1. Verweerders hebben in het verweerschrift betoogd dat uit nader onderzoek is gebleken dat de woning [locatie] op circa 10 meter afstand van de onderhavige inrichting is gelegen in plaats van de in het bestreden besluit opgenomen afstand van 20 meter. Met inachtneming van deze afstand hebben verweerders opnieuw het van de inrichting afkomstige geluid berekend. Hieruit blijkt, naar de mening van verweerders, dat aan de in het bestreden besluit opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid kan worden voldaan.

2.4.2. Verweerders hebben hun in het kader van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid met betrekking tot de van de inrichting te duchten directe geluidhinder ingevuld door toepassing van hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 (wat betreft de maximale geluidniveaus) en hoofdstuk 4 van de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder hebben verweerders onder andere de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 1.17 zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau grenswaarden gesteld van 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 1.18 zijn grenswaarden voor het piekgeluidniveau gesteld van respectievelijk 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. In afwijking op het vorenstaande mag het maximale geluidniveau in de dagperiode ter plaatse van de referentiepunten 14 en 16 niet meer bedragen dan respectievelijk 72 dB(A) en 71 dB(A).

In voorschrift 1.20 is bepaald dat het luchten van honden enkel en alleen gedurende de dagperiode (tussen 07.00 en 19.00 uur) mag plaatsvinden. Tijdens het luchten mogen maximaal 25 volwassen honden dan wel 20 volwassen honden en 15 pups gelijktijdig in de buitenren aanwezig zijn.

2.4.3. In de Handreiking wordt ervan uitgegaan dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld - zoals het geval is in de gemeente Moerdijk - bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen. Hierin wordt voor nieuwe inrichtingen aanbevolen de aanvraag om vergunning te toetsen aan de richtwaarden.

Ten aanzien van de grenswaarden van de piekgeluidimmissieniveaus is in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking aanbevolen uit te gaan van de grenswaarden van het equivalente geluidniveau vermeerderd met 10 dB(A). Daarnaast is de maximale grenswaarde van 70 dB(A) als etmaalwaarde aangegeven. Voorts is bepaald dat in het geval er in de dagperiode sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidniveau te beperken, los van het bovenstaande de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode met ten hoogste 5 dB zou mogen worden overschreden. Deze uitzonderlijke bedrijfssituaties dienen in de vergunning te worden aangegeven en het gebruik van de ontheffingsmogelijkheid dient te worden gemotiveerd. Voor de avondperiode, zo stelt de Handreiking, is geen ontheffing van de grenswaarde van 65 dB(A) mogelijk.

In de Handreiking wordt voorts geadviseerd om geluidvoorschriften te stellen voor de na te leven grenswaarde zonder daarbij de gevelreflectie te betrekken. In de Handreiking is vermeld dat in specifieke gevallen kan worden besloten dat in de geluidvoorschriften wel de gevelreflectie wordt verdisconteerd en dat dan uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd waarom de gevelreflectie van belang is en voor welke periode(n) deze geldt.

2.4.4. Voorzover appellante haar beroep heeft gericht tegen de hoogte van de gestelde geluidgrenswaarden overweegt de Afdeling dat verweerders blijkens het bestreden besluit bij het bepalen van de geluidgrenswaarden aansluiting hebben gezocht bij de in de Handreiking genoemde richtwaarden voor een rustige woonwijk met weinig verkeer. Gelet op de situering van de inrichting acht de Afdeling dit niet onjuist. Voor een rustige woonwijk met weinig verkeer gelden als richtwaarden 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De in voorschrift 1.17 gestelde geluidgrenswaarden zijn niet hoger dan de in de Handreiking genoemde richtwaarden.

Voorts is gebleken dat de in voorschrift 1.18 opgenomen grenswaarden voor het piekgeluidimmissieniveau, behoudens de referentiepunten 14 en 16, overeen komen met de in de Handreiking aanbevolen maximale waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag, avond- en nachtperiode.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de geluidhinder wanneer zij zich in haar tuin bevindt, kan aan het vorenstaande niet afdoen, nu een tuin geen gevoelig object is dat in aanmerking komt voor bescherming tegen geluidhinder.

Gelet hierop hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de voorschriften 1.17 en 1.18, eerste volzin, neergelegde grenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel te beperken. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.4.5. Ten aanzien van het vergunnen van hogere maximale geluidgrenswaarden in voorschrift 1.18, tweede en derde volzin, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit het akoestische onderzoek blijkt dat het maximale geluidniveau ter plaatse van de referentiepunten 14 en 16 maximaal 72 dB(A) bedraagt in de dag- en avondperiode wegens het blaffen van honden op het buitenterrein van de inrichting. Verweerders hebben met toepassing van paragraaf 3.2 van de Handreiking in voorschrift 1.18 maximale grenswaarden voor het piekgeluidimissieniveau in de dagperiode opgelegd van 72 dB(A) en 71 dB(A) voor respectievelijk de referentiepunten 14 en 16. Dit hebben zij in het bestreden besluit gemotiveerd door te stellen dat in het onderhavige geval sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie, waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidniveau te beperken. Hierbij hebben verweerders overwogen dat het plaatsen van een geluidscherm langs de gehele buitenren niet haalbaar is aangezien dit naast financiële consequenties ook consequenties zal hebben voor het gedrag van de honden. Zij hebben daarom gemeend dat voor de referentiepunten 14 en 16 de reguliere grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode mag worden verhoogd. Verweerders hebben tijdens het verhandelde ter zitting echter erkend dat het plaatsen van een geluidscherm langs de gehele buitenren waarschijnlijk niet nodig is, omdat de grenswaarden voor het piekgeluidimmissieniveau slechts worden overschreden bij de aan de – relatief smalle - oostzijde van de buitenren gelegen referentiepunten 14 en 16. Gelet hierop vermoeden zij dat een kleiner geluidscherm aan de oostzijde van de buitenren het geluidniveau ter plaatse van de genoemde referentiepunten voldoende zal beperken. Zij hebben hier evenwel geen onderzoek naar gedaan. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat vereist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart. Dit beroepsonderdeel treft doel.

2.4.6. Ten aanzien van de naleefbaarheid van de voorschriften 1.17 en 1.18, eerste volzin, overweegt de Afdeling dat het akoestische rapport de resultaten weergeeft van het onderzoek naar de geluidbelasting die de inrichting zal veroorzaken ter plaatse van de gevels van de woningen aan de Julianastraat in de directe omgeving van de inrichting. In het akoestische onderzoek is uitgegaan van de geluidbelasting van volwassen honden in de dag- en avondperiode. De geluidbelasting van honden in de nachtperiode is niet meegerekend, nu de honden ’s nachts binnen in hokken worden gehouden en dan nauwelijks blaffen. Uit het akoestische onderzoek blijkt dat de geluidisolatie van de binnenhokken zodanig is dat het blaffen van honden ter plaatse van de woningen nauwelijks is waar te nemen. Uit het akoestische onderzoek blijkt verder dat is uitgegaan van een equivalente geluidbron van een blaffende volwassen hond in een buitenkennel van 103 dB(A) en van een maximaal bronvermogen van een blaffende volwassen hond van 115 dB(A). Bij het akoestische onderzoek is tevens de blafduur van de honden gemeten. Verder zijn er blijkens de aanvraag geen andere geluidbronnen op de inrichting aanwezig. Daarnaast is in het akoestische onderzoek voor het hondengeblaf een straffactor van 5 dB(A) toegepast, zodat rekening is gehouden met het impulsvormig karakter van het geblaf van deze dieren. Voorts is blijkens het verweerschrift in het akoestische onderzoek de geluidbelasting bepaald inclusief gevelreflectie. De Afdeling ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat deze gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn.

Uit het akoestische onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting in de dag- en avondperiode gelijk is. Voorts is uit de rekenresultaten van zowel het akoestische onderzoek als het door verweerders uitgevoerde nadere onderzoek gebleken dat de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kunnen worden nageleefd. Tevens blijkt uit deze onderzoeken dat aan de piekgeluidgrenswaarden, zoals gesteld in voorschrift 1.18, eerste volzin, kan worden voldaan.

Gelet op voornoemde uitkomsten van het akoestische en nadere onderzoek en mede gezien het feit dat in de avondperiode geen honden in de buitenren zullen verblijven, is de Afdeling van oordeel dat de in de voorschriften 1.17 en 1.18, eerste volzin, opgenomen geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. De naleefbaarheid van deze geluidvoorschriften in de avondperiode wordt verder gewaarborgd door in voorschrift 1.20 te bepalen dat het luchten van honden enkel en alleen gedurende de dagperiode mag plaatsvinden. Overigens zullen blijkens het verhandelde ter zitting de buitenhokken gesitueerd aan het eind van de inrichting niet meer worden gebruikt. In hetgeen appellante hieromtrent voor het overige heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van het akoestische rapport en het door verweerders nader uitgevoerde onderzoek. Het beroep op dit punt faalt.

2.4.7. Ten aanzien van de beroepsgrond inzake de geluidoverlast afkomstig van het gebruik van de shovel overweegt de Afdeling dat uit de aanvraag is gebleken dat dit gebruik niet is aangevraagd, zodat verweerders deze terecht bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder buiten beschouwing hebben gelaten. Voorzover de beroepsgrond ziet op het in strijd met de vergunning gebruiken van de shovel door vergunninghouders, overweegt de Afdeling dat de Algemene wet bestuursrecht in de mogelijkheid voorziet tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.5. Het beroep is – voorzover ontvankelijk - gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het de in voorschrift 1.18, tweede en derde volzin, opgenomen hogere grenswaarden voor het piekgeluidimmissieniveau ter plaatse van de referentiepunten 14 en 16 betreft.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het betreft de gronden inzake de wateroverlast in de garages, de kelders en de tuinen als gevolg van het plaatsen van een dierenverblijf respectievelijk het illegaal dempen van sloten, de schade aan de bestrating als gevolg van het gebruik van de shovel, de wijze van afhandeling van klachten en de controle van de vergunning door verweerders;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Moerdijk van 2 oktober 2001 voorzover het de in voorschrift 1.18, tweede en derde volzin, opgenomen hogere grenswaarden voor het piekgeluidimmissieniveau ter plaatse van de referentiepunten 14 en 16 betreft;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. gelast dat de gemeente Moerdijk aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Den Broeder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002

187-374.