Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200102659/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlies bij het rooien vormt in dit geval teeltplanschade als bedoeld in art. 4.1.e Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen.

Toekenning tegemoetkoming o.g.v. de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998. Anders dan de Staatssecretaris meent, kan het in casu bij het oogsten van suikerbieten geleden rooiverlies niet als teeltplanschade worden aangemerkt. Gebleken is dat het door de extreem zware regenval voor de verzoeker onmogelijk was om op het normale tijdstip te rooien. Pas toen de vorst in de grond ging ontdooien, was rooien op het grootste deel van het perceel waarop verzoeker suikerbieten teelde weer mogelijk. Omdat de rooiomstandigheden op dat moment niet optimaal waren, heeft hij op dat perceel echter niet elke biet in zijn geheel kunnen rooien.

Dit rooiverlies is teeltplanschade als bedoeld in art. 4.1.e van de wet omdat sprake is van financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht als gevolg van verlies en beschadiging van het gewas waardoor een vermindering in kwantiteit is ontstaan. In dit verband is mede van belang dat is gebleken dat de Staatssecretaris voor het perceel suikerbieten dat de verzoeker in het geheel niet heeft kunnen rooien een tegemoetkoming in de geleden teeltplanschade heeft toegekend. Voor het verlies dat is opgetreden bij het rooien van de bieten geldt net als voor het verlies dat is opgetreden door het niet kunnen rooien van bieten, dat sprake is van teeltplanschade die het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van de extreem zware regenval.

Hoger beroep ongegrond.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, appellant

mrs. J.A.M. van Angeren, P.A. Offers, J.E.M. Polak

Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen 4

Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200102659/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 12 april 2001 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 1999 heeft appellant aan [verzoeker} een tegemoetkoming toegekend op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998.

Bij besluit van 10 december 1999 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 april 2001, verzonden op 19 april 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2002, waar [verzoeker] in persoon en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. Neerincx en G.P.M. den Biggelaar van het Bureau Coördinatie Expertise-organisaties, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet), voor zover hier van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in de hierna te noemen categorieën van schade, voor zover de schade die hij geleden heeft het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een ramp waarop deze wet van toepassing is verklaard:

(….)

e. de teeltplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van gewassen, waardoor een vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan of als gevolg van het niet of niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen teelt van gewassen;

(….).

Bij besluit van 5 maart 1999, Staatsblad 128, is de Wet van toepassing verklaard op de extreem zware regenval van 27 en 28 oktober 1998.

2.2. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat zijn uitleg van het begrip teeltplanschade, volgens welke dit begrip slechts ziet op schade die is ontstaan door verstoring van het groeiproces, te beperkt is. Volgens appellant kan het bij het oogsten van suikerbieten geleden rooiverlies niet als teeltplanschade worden aangemerkt. Voorts is het hoger beroep gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij aannemelijk acht dat de gestelde schade het gevolg is van de extreem zware regenval van 27 en 28 oktober 1998. Volgens appellant was gedurende het najaar van 1998 aanhoudend sprake van slechte weersomstandigheden en hadden de rooiverliezen zich ook kunnen voordoen indien er gedurende die twee dagen niet een uitzonderlijke hoeveelheid neerslag was gevallen.

2.3. Gebleken is dat het door de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998 voor Wenning onmogelijk was om op het normale tijdstip (eind oktober, begin november) te rooien. Pas toen de vorst in de grond ging ontdooien, was rooien op het grootste deel van het perceel waarop [verzoeker] suikerbieten teelde weer mogelijk. Omdat de rooiomstandigheden op dat moment niet optimaal waren, heeft hij op dat perceel echter niet elke biet in zijn geheel kunnen rooien. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dit rooiverlies teeltplanschade als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, van de Wet is omdat sprake is van financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht als gevolg van verlies en beschadiging van het gewas waardoor een vermindering in kwantiteit is ontstaan. Voorts deelt de Afdeling het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat deze teeltplanschade het gevolg is van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998, nu door de extreem zware regenval op die dagen de grond zo onbegaanbaar was geworden dat rooien aanvankelijk niet en later slechts gedeeltelijk mogelijk was. In dit verband is mede van belang dat is gebleken dat appellant voor het perceel suikerbieten dat Wenning in het geheel niet heeft kunnen rooien een tegemoetkoming in de geleden teeltplanschade heeft toegekend. Voor het verlies dat is opgetreden bij het rooien van de bieten geldt net als voor het verlies dat is opgetreden door het niet kunnen rooien van bieten, dat sprake is van teeltplanschade die het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998. Dat het rooiverlies door de wijze van oogsten is ontstaan, zoals appellant in het bij de rechtbank bestreden besluit heeft gesteld is niet aannemelijk geworden, terwijl de omstandigheid dat het rooiverlies wellicht mede het gevolg is van latere weersomstandigheden aan het vorenstaande evenmin afdoet.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

229-413.