Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5114

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200005308/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200005308/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. De vereniging “Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie”, gevestigd te Haarlem, de stichting “Duin- en Bollenstreek ‘Hou Het Bloeiend’”, gevestigd te Lisse en de WLTO-afdelingen “Hillegom-Lisse” en “De Zilk-Vogelenzang”,

2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

3. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid “Gramfasta 9 B.V.” gevestigd te Hillegom en “Chesprop B.V.” en “Chesprop X B.V.”, beide gevestigd te 's-Gravenhage,

4. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [appellanten sub 4], beide gevestigd te [plaats],

5. de maatschap [appellant sub 5], gevestigd te [plaats],

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 6], gevestigd te [plaats] en [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2000 heeft de gemeenteraad van Hillegom, op voorstel van burgemeester en wethouders van 8 februari 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "De Polders".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 17 oktober 2000, DRGG/ARB/2000/3382A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 23 november 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2000, appellanten sub 2 bij brief van 29 november 2000, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2000, appellanten sub 3 bij brief van 7 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2000, appellanten sub 4 bij brief van 14 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2000, appellante sub 5 bij brief van 20 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2000, en appellanten sub 6 bij brief van 30 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2001, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 2 januari 2001. Appellante sub 5 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 1 februari 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 maart 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 december 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2002, waar appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. A.R.M. van der Pluijm, appellanten sub 4, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. P.H. Revermann, appellante sub 5, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. M. van der Linden, appellanten sub 6, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. J.C. Ozinga, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.M. Hemelaar, zijn verschenen. Namens de gemeenteraad zijn aldaar gehoord M.J.D. Witteman en G.A. Bijnsdorp. Appellanten sub 1 zijn niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.2. De beroepsgrond van appellanten sub 3, dat aan de aan de wijzigingsbevoegdheid van artikel 22 van de planvoorschriften verbonden voorwaarden nooit zal kunnen worden voldaan en dat de wijzigingsbevoegdheid te verstrekkend is, steunt niet op een bij verweerders ingediende bedenking. Dat deze beroepsgrond op de hoorzitting bij verweerders is aangevoerd, maakt dit niet anders.

In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met artikel 27, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, indien tegen het plan tijdig bedenkingen zijn ingebracht bij gedeputeerde staten.

Dit is slechts anders voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een bedenking in te brengen. Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor.

Het beroep van appellanten sub 3 is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de zaak voor het overige

2.3. Het plangebied wordt gevormd door de Vosse- en Weerlanerpolder en de Oosteinderpolder. Met het plan wordt beoogd ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en nieuwe natuur- en recreatiefuncties mogelijk te maken. De in het plan getroffen regeling sluit aan op het aangrenzende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1997”.

2.4. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.5. Appellanten sub 1 kunnen zich niet verenigen met het onderscheid tussen de subbestemmingen “Ab” en “At”. Dit onderscheid is in strijd met het provinciaal beleid en het Pact van Teylingen en het gemeentebestuur bedrijft hiermee volgens appellanten landbouwstructuurbeleid. Voorts achten zij het onderscheid ongewenst omdat het de vruchtwisseling en de bedrijfscontinuïteit in gevaar brengt.

2.5.1. De gemeenteraad stelt dat het genoemde onderscheid ook is toegepast in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1997” en acht het in overeenstemming met het provinciaal beleid. Verweerders hebben hieraan toegevoegd dat binnen de subbestemming “Ab” wisselteelt mogelijk blijft.

2.5.2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor “Agrarische doeleinden (A)” ter plaatse van de subbestemming “Ab” bestemd voor bollenteeltbedrijven en ter plaatse van de subbestemming “At” bestemd voor akker-, bollenteelt- en (gemengde) tuinbouwbedrijven.

Ingevolge artikel 1, onder 17, van de planvoorschriften, wordt onder een bollenteeltbedrijf verstaan een tuinbouwbedrijf waar in overwegende mate bloembollen worden geteeld.

2.5.3. In haar uitspraak van 24 oktober 2001, E01.98.0675 (aangehecht) heeft de Afdeling met betrekking tot het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1997” geoordeeld dat met het onderscheid binnen de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” in de subbestemmingen “Ab” en “At” geen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de structuur van agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 10 van de WRO. De Afdeling ziet, nu de in het onderhavige plan opgenomen regeling gelijkluidend is aan de in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1997” opgenomen regeling, geen reden in dit geval anders te oordelen dan zij toen heeft gedaan.

2.5.4. Voorzover appellanten aanvoeren dat bovengenoemd onderscheid in strijd is met het provinciaal beleid overweegt de Afdeling als volgt. Het plangebied maakt in het Streekplan Zuid-Holland West deel uit van het deelgebied Bollenstreek. Volgens dit streekplan en het op 26 maart 1996 gesloten Pact van Teylingen is het beleid erop gericht het bollencomplex te behouden en te versterken in een duurzame context. De belangrijkste ruimtelijke uitgangspunten die hieruit voor het gebied voortvloeien, zijn het behoud van het bollenteeltareaal enerzijds en het veiligstellen van de nog bestaande open ruimten anderzijds.

Voor het grootste gedeelte valt het plangebied binnen de ontwikkelingszone die is gericht op inrichting ten behoeve van recreatie, natuur- en landschapsbouw, onder gedeeltelijke handhaving en waar mogelijk versterking van de aanwezige agrarische functies. Een beperkt gedeelte aan de noord-westzijde van de polders, grenzend aan het bollenteeltgebied, valt in de zone “Agrarisch gebied” met als hoofdfunctie landbouw (voornamelijk veehouderij), waarin ook natuur- en landschapswaarden kunnen voorkomen.

2.5.5. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders dit beleid in redelijkheid kunnen vaststellen.

Niet is gebleken dat bij de toepassing van dit beleid is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden of dat relevante aspecten buiten behandeling zijn gelaten.

Het beroep van appellanten geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit concrete geval hun beleid niet juist hebben toegepast dan wel niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. Het streekplan en het Pact van Teylingen bieden ruimte om de uitgangspunten van het beleid op verschillende wijzen te verwezenlijken. De in het plan opgenomen subbestemmingen “Ab” en “At” leggen de bestaande situatie vast in samenhang met een maximaal toegestaan percentage aan kassen en ook verder beperkte bebouwingsmogelijkheden. Verweerders hebben in redelijkheid kunnen menen dat het bestaande teeltareaal hiermee kan worden behouden met instandhouding van de ruimtelijke kwaliteit, welke blijkens de stukken wordt gekenmerkt door een zekere mate van openheid.

Voorzover appellanten van mening zijn dat het besluit niet in overeenstemming is met het “actualiseringskader bestemmingsplannen buitengebied”, overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat dit kader, daargelaten de betekenis ervan, is vastgesteld door gemeenten in de Duin- en Bollenstreek en niet door verweerders, zodat zij zich derhalve niet aan dit kader gebonden hebben hoeven te achten. In zoverre hebben verweerders in overeenstemming met hun beleid het plan goedgekeurd.

2.5.6. Ten aanzien van de stelling dat het gemaakte onderscheid ongewenst is omdat hierdoor de bedrijfscontinuïteit en de vruchtwisseling in gevaar kunnen komen, overweegt de Afdeling als volgt.

Aan het betrokken onderscheid ligt ten grondslag dat maximale mogelijkheden voor het behoud van het huidige bollenareaal worden geboden, terwijl de behoefte aan wisselteelt op bedrijfsniveau wordt erkend. Verweerders stemmen hiermee in en hebben overwogen dat binnen de subbestemming “Ab” wisselteelt voldoende mogelijk is en dat de subbestemming “At” is gegeven aan bedrijven waar gedurende lange tijd sprake is van andere teelten dan bollenteelt.

De Afdeling acht dit standpunt van verweerders, mede gelet op de in de planvoorschriften opgenomen begripsomschrijving van een bollenteeltbedrijf, niet onredelijk of onjuist. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat bovengenoemd onderscheid een onevenredige beperking met zich brengt voor de bedrijfscontinuïteit en de vruchtwisseling.

Verweerders hebben zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van appellanten sub 1 is ongegrond.

2.6. Appellanten sub 2 maken bezwaar tegen de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)” op hun perceel aan de Oude Weerlaan. Hierdoor kunnen zij ter plaatse geen aardappelopslagloods bouwen, welke volgens appellanten wel past in deze als zodanig aangemerkte stadsrandzone.

2.6.1. De gemeenteraad heeft beoogd de bestaande situatie te bestemmen en natuurontwikkeling mogelijk te maken.

Verweerders hebben overwogen dat niemand rechten kan doen gelden op gedurige voortzetting van een bestemming en dat veranderde inzichten hebben geleid tot wijziging van de bebouwingsmogelijkheden. Zij hebben niet van belang geacht dat appellanten de bouw van de loods al enige jaren geleden gepland hebben.

2.6.2. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 11 van de planvoorschriften de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)”, voorzover van belang, bedoeld is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en de bescherming van landschaps- en natuurwaarden in de vorm van openheid en dat uitsluitend bouwwerken zijn toegestaan met een maximale hoogte van 2 meter. De bouw van een opslagloods zoals gewenst door appellanten is derhalve niet mogelijk.

Verweerders hebben overwogen dat geen rechten kunnen worden ontleend aan de in het vorige plan opgenomen bouwmogelijkheden en dat nieuw beleid aanleiding geeft de door appellanten gewenste bouwmogelijkheden niet toe te staan. De Afdeling is van oordeel dat verweerders op deze wijze niet voldoende inzichtelijk aangeven waarom de door appellanten gewenste bebouwing ter plaatse niet aanvaardbaar is, mede in aanmerking genomen dat, ook ter zitting, niet is aangegeven uit welk (veranderd) beleid rechtstreeks volgt dat de betrokken bebouwing niet aanvaardbaar is en welke landschaps- en natuurwaarden ter plaatse aanwezig zijn. Daarbij neemt de Afdeling nog in aanmerking de ligging van het perceel tegen de bebouwing van Hillegom aan, in het plan aangeduid als zogeheten stadsrandzone. Dientengevolge is het besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient voor zover het betrekking heeft op het perceel van appellanten te worden vernietigd.

2.7. Appellanten sub 3 kunnen zich niet verenigen met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)” op hun percelen. Volgens hen past het door hen gewenste recreatiepark in het streekplan. Ook voortzetting van het agrarisch gebruik ter plaatse wordt in hun ogen onmogelijk gemaakt.

2.7.1. De gemeenteraad is van mening dat grootschalige recreatie niet past in het nieuwe beleid voor de polders en dat voorts nooit een begin is gemaakt met uitvoering van de door appellanten gewenste plannen. Met betrekking tot het agrarisch gebruik is de gemeenteraad van mening dat dit onder de nieuwe bestemming voortgezet kan worden.

Verweerders zijn van mening dat appellanten geen rechten kunnen doen gelden op voortzetting van de bestemming van het gebied en voorts dat grootschalige recreatie in strijd is met het streekplan en het raamplan Haarlemmerméér Groen.

2.7.2. Voorzover appellanten menen dat de gemeenteraad onzorgvuldig heeft gehandeld door appellanten niet persoonlijk te informeren omtrent het ter inzage leggen van het ontwerpplan eerder dan per brief aan appellanten was aangekondigd, overweegt de Afdeling dat appellanten tijdig hun zienswijzen bij de gemeenteraad hebben ingediend en dat zij niet in hun belangen zijn geschaad.

2.7.3. De in het streekplan voorziene groenontwikkeling is voor het plangebied uitgewerkt in het raamplan Haarlemmerméér Groen. Dit raamplan voorziet ter plaatse in een extensieve inrichting van recreatieve voorzieningen. In dit kader bepaalt de nota planbeoordeling van de provincie met betrekking tot recreatiewoningen dat deze in het buitengebied alleen mogen worden gerealiseerd in complexen die als zodanig zijn aangegeven op streekplankaarten en door verweerders goedgekeurde regionale structuurplannen. Het plangebied is niet als zodanig aangegeven. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders dit beleid in redelijkheid kunnen vaststellen.

Niet is gebleken dat bij de toepassing van het provinciaal beleid is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden of dat relevante aspecten buiten behandeling zijn gelaten. De percelen van appellanten zijn gelegen in poldergebied dat kan worden gekarakteriseerd als open weidegebied. In dit gebied staat natuurontwikkeling voorop, waarbij extensieve vormen van recreatief medegebruik mogelijk dienen te zijn, mits het open karakter behouden blijft. Verweerders hebben zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat een, ook onder het vorige plan niet toegestaan, recreatiepark niet past binnen het beleid.

Het beroep van appellanten geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit concrete geval hun beleid niet juist hebben toegepast dan wel niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. Nu door appellanten geen begin is gemaakt met de ontwikkeling van een recreatiepark in de Oosteinderpolder, hebben verweerders in redelijkheid aan hun beleid kunnen vasthouden.

2.7.4. Voorzover appellanten klagen dat het agrarisch gebruik wordt beperkt, overweegt de Afdeling het volgende.

Onder het vorige plan was agrarisch gebruik mogelijk en was voor bepaalde activiteiten een aanlegvergunning vereist. Onder het in geding zijnde plan is binnen de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)” agrarisch gebruik eveneens mogelijk en zijn soortgelijke activiteiten aanlegvergunningplichtig. Derhalve legt het plan in zoverre niet meer beperkingen op dan het vorige plan. Voorts is de Afdeling van oordeel dat bovengenoemd beleid een aanlegvergunningstelsel rechtvaardigt. Een aanlegvergunningstelsel maakt het gebruik bovendien niet onmogelijk doch reguleert dit slechts en appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor onevenredig in het gebruik van hun gronden worden beperkt.

Verweerders hebben zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.8. Appellanten sub 4 maken bezwaar tegen de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)” op hun perceel. Door deze bestemming worden hun bouwplannen voor een hal ten behoeve van een bloembollenexportbedrijf onmogelijk gemaakt. Volgens hen kan de hal worden ingepast in overeenstemming met het streekplan. Voorts zijn ter plaatse geen landschappelijke of natuurwaarden aanwezig en deze kunnen ook niet worden verwezenlijkt, te meer nu in de nabijheid van de gronden van appellanten de aanleg van een provinciale omleidingsweg wordt onderzocht, aldus appellanten.

2.8.1. Gemeenteraad en verweerders wijzen erop dat beleid kan veranderen en dat het perceel van appellanten buiten de verstedelijkingscontour van het streekplan ligt.

Verweerders menen dat de ontwikkelingsplannen van de gemeente met betrekking tot natuur en landschap voldoende reëel zijn. Voorts is aanleg van de weg in de planperiode niet te verwachten.

2.8.2. Verweerders leggen ten eerste aan de goedkeuring ten grondslag dat het perceel buiten de verstedelijkingscontour ligt en blijkens het streekplan stedelijke ontwikkelingen plaats dienen te vinden binnen de op de streekplankaart aangegeven verstedelijkingscontour.

Het streekplan bepaalt omtrent de contouren in de bollenstreek het volgende: “Buiten die contouren zal – met uitzondering van de toegestane agrarische en toeristisch-recreatieve bebouwing – geen woningbouw en bedrijfsbebouwing mogen plaatsvinden.”

Onvoldoende bestreden is dat de door appellanten gewenste hal voor een agrarisch handel- en exportbedrijf is aan te merken als agrarische bebouwing. Hieruit volgt dat de onmogelijkheid om de hal ter plaatse te bouwen zijn grondslag niet kan vinden in de verstedelijkingscontour.

Voorts leggen verweerders aan hun besluit ten grondslag het raamplan Haarlemmerméér Groen, welk plan het uitvoeringskader vormt voor de ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden. Het perceel van appellanten valt binnen de ontwikkelingszone die is gericht op inrichting ten behoeve van recreatie, natuur- en landschapsbouw, onder gedeeltelijke handhaving en waar mogelijk versterking van de aanwezige agrarische functies.

De Afdeling acht dit beleid niet zodanig eenduidig en concreet dat reeds hieruit volgt dat de bouw van een agrarische hal ter plaatse moet worden uitgesloten.

Uit het voorgaande volgt dat zowel de verstedelijkingscontour als het door verweerders aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde beleid, zoals geformuleerd in het raamplan, de bouw van de betrokken agrarische bebouwing niet onmogelijk maken. Verweerders hebben derhalve onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom deze bouw ter plaatse niet mogelijk is. Dientengevolge is het besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient voor zover het betrekking heeft op het perceel van appellanten te worden vernietigd.

2.9. Appellante sub 5 maakt bezwaar tegen de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)” op het meest zuidelijke gedeelte van haar perceel en tegen de diepte van 100 meter van haar bouwperceel. Hierdoor wordt haar bedrijfsvoering nadelig beïnvloed en is de feitelijke situatie op het zuidelijke gedeelte, waaronder de aanwezige tunnelkassen, niet als zodanig bestemd. Voorts kan appellante zich niet verenigen met het verwijderen van de nadere aanduiding (w) die een bedrijfswoning mogelijk maakt op het perceel [locatie]. Deze is volgens haar nodig voor de bedrijfsvoering.

2.9.1. De gemeenteraad is van mening dat de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)” geen bedreiging vormt voor de kwekerij van appellante. De diepte van de bouwpercelen sluit aan op de systematiek van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1997” en het plan biedt ruimte voor één bedrijfswoning per agrarisch bedrijf.

Verweerders zijn van mening dat de levensvatbaarheid van het bedrijf niet wordt aangetast. Indien het bouwvlak te klein is, kan de diepte daarvan met een vrijstelling tot 150 meter worden vergroot. De noodzaak van een extra bedrijfswoning achten verweerders niet aangetoond.

2.9.2. De Afdeling constateert op grond van het deskundigenbericht dat zich (in strijd met het onderhavige bestemmingsplan) op het gedeelte van het perceel van appellante met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)” en buiten het bouwvlak wandelkassen bevinden met een hoogte van 2,20 meter. Voorts bevinden zich, eveneens in strijd met het plan, op het gedeelte van het perceel van appellante met de subbestemming “At(o)”, tunnelkassen met hoogtes van 2,20 meter en 3,00 meter. Ter zitting is gebleken dat deze kassen ook onder het vorige plan niet waren toegestaan.

Met betrekking tot de kassen is door verweerders aangegeven dat deze naar het bouwvlak verplaatst zullen moeten worden. Namens de gemeenteraad is ter zitting aangegeven dat hiertoe zonodig handhavend opgetreden zal worden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat door verplaatsing van de bestaande kassen naar het bouwvlak haar bedrijfsvoering ernstig wordt belemmerd. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het in het plan opgenomen bouwvlak onvoldoende mogelijkheden biedt, mede gelet op de in het plan voor eventuele uitbreiding van het bouwvlak opgenomen vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden. Voorts kan appellante aan de illegale situatie geen rechten ontlenen. De Afdeling is van oordeel dat verweerders in redelijkheid hebben kunnen instemmen met de bestemmingen “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)” en “At(o)” op het perceel van appellante.

2.9.3. Voorzover appellante van mening is dat het plan haar minder mogelijkheden biedt voor het bouwen van een (bedrijfs)woning, constateert de Afdeling dat in het plan in overeenstemming met het provinciaal beleid op het perceel van appellante één bedrijfswoning is toegestaan. Voor zover appellante meent recht te hebben op een tweede bedrijfswoning, overweegt de Afdeling het volgende.

Het aan het plan in zoverre ten grondslag gelegde beleid, dat overeenkomstig het provinciale beleid ter zake is, laat indien sprake is van de noodzaak tot het bouwen van een tweede agrarische bedrijfswoning bij bijzondere omstandigheden ruimte dit toe te staan. Daarbij dient het bedrijf:

1. duurzame werkgelegenheid te bieden aan twee volwaardige arbeidskrachten;

2. een zodanig toezicht te vereisen dat het wonen van twee volwaardige arbeidskrachten bij het bedrijf nodig is.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders dit beleid in redelijkheid kunnen vaststellen. Niet is gebleken dat bij de toepassing van dit beleid is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden of dat relevante aspecten buiten beschouwing zijn gelaten. Op het perceel van appellante bevindt zich één bedrijfswoning. Appellante heeft niet aangetoond te voldoen aan de criteria voor een tweede bedrijfswoning. Het beroep van appellante geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit concrete geval het beleid niet juist hebben toegepast dan wel niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. Hierbij overweegt de Afdeling dat aan bestaande bouwmogelijkheden geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders in overeenstemming met hun beleid het plan hebben goedgekeurd. Het beroep is ongegrond.

2.10. Appellanten sub 6 maken bezwaar tegen het maximale bebouwingspercentage van 11 % op een gedeelte van hun grond aan de [locatie]. Appellanten kunnen zich evenmin verenigen met de subbestemming “At(o)” op een gedeelte van het perceel [locatie]. Zij hadden hier gerekend op de bestemming “Agrarische hulp- en nevenbedrijven (AHN)” om hun bedrijf van de [locatie] gedeeltelijk hierheen te kunnen verplaatsen.

2.10.1. De gemeenteraad heeft, volgens het bestreden besluit, het bebouwingspercentage aan de [locatie] vastgesteld op basis van het oppervlak van de reeds aanwezige bebouwing, vermeerderd met 15 %. Gelet op het streven om het bedrijf binnen de planperiode te verplaatsen naar [locatie] hebben verweerders hiermee ingestemd.

2.10.2. In het deskundigenbericht wordt gesteld dat op het noordelijke gedeelte van het perceel [locatie], ter grootte van ongeveer 6.000 m2, een bedrijfsloods aanwezig is met een oppervlakte van ongeveer 880 m2. De bestemming ter plaatse laat maximaal 11 % bebouwing toe, te weten ongeveer 660 m2. Een gedeelte van de aanwezig loods is dus niet als zodanig bestemd.

Verweerders zijn er derhalve bij de goedkeuring van het plan ten onrechte van uitgegaan dat het toegestane bebouwingspercentage van het perceel [locatie] is berekend aan de hand van de ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpplan bestaande bebouwingsoppervlakte vermeerderd met een uitbreidingsmogelijkheid van 15 %. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover het betrekking heeft op voornoemd plandeel.

2.10.3. Het zuidelijke gedeelte van het perceel van appellanten aan de Oosteinderlaan 10 heeft de subbestemmingen “Ab(z)” respectievelijk “At(o)”. Ingevolge artikel 10, zestiende lid, van de planvoorschriften is het verboden op percelen met de nadere aanwijzing (z) goederen op te slaan met een hoogte van meer dan 4 meter. Op gronden met de nadere aanwijzing (o) is opslag niet toegestaan.

Verweerders hebben goedkeuring verleend aan de meest zuidelijk gelegen gronden met de subbestemming “Ab(z)” en aan de gronden met de subbestemming “At(o)”. Zij zijn daarbij niet ingegaan op het bezwaar van appellanten dat aan de perceelsgedeelten met voornoemde subbestemmingen een andere bestemming moet worden gegeven teneinde het gewenste bedrijfsgebruik mogelijk te maken. In beroep hebben appellanten aangevoerd deze gronden als opslagterrein voor pallets te willen gaan gebruiken. De Afdeling is van oordeel dat het besluit in zoverre onvoldoende is onderbouwd, temeer nu verweerders blijkens het bestreden besluit zijn uitgegaan van (een gedeeltelijke) verplaatsing van het palletbedrijf van appellanten van de [locatie] naar nummer 10 en derhalve op nummer 74 slechts beperkte mogelijkheden hebben toegestaan. Dat zij aan een deel van de gronden met de bestemming “Ab(z)” ter plaatse goedkeuring hebben onthouden, kan aan het voorgaande niet afdoen, nu deze onthouding van goedkeuring is gebaseerd op de motivering deze gronden te bestemmen voor de oprichting van een bedrijfsgebouw. Dientengevolge is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en dient het in zoverre te worden vernietigd.

2.10.4. Verder maken appellanten sub 6 bezwaar tegen de onthouding van goedkeuring aan de subbestemming “Ab(z)” op een gedeelte van hun perceel aan de [locatie]. Appellanten kunnen zich niet met deze onthouding van goedkeuring verenigen voorzover verweerders hierbij niet hebben bepaald dat op het betrokken perceel de bestemming “Agrarische hulp- en nevenbedrijven (AHN)” met een bebouwingspercentage van 100 % dient te worden gelegd.

Gelet op de in 1996 door verweerders afgegeven verklaring van geen bezwaar voor een bedrijfsgebouw op een deel van het perceel van appellanten aan de [locatie] met de subbestemming “Ab(z)” hebben verweerders hieraan bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden. Ingevolge artikel 30 van de WRO moet de gemeenteraad voor dit gedeelte een nieuw bestemmingsplan vaststellen, waarbij het besluit van verweerders in acht wordt genomen. De aan het perceel te geven bestemming en het bebouwingspercentage zullen in die procedure ten volle aan de orde kunnen komen aangezien het bestreden besluit hierover geen nadere aanwijzingen geeft. Het beroep van appelanten is in zoverre ongegrond.

2.11. Appellanten sub 6 maken tenslotte bezwaar tegen de onmogelijkheid te bouwen op hun perceel aan de [locatie].

2.11.1. De gemeenteraad heeft met de subbestemming “At(o)” het bestaande gebruik vast willen leggen. Verweerders hebben ingestemd met deze subbestemming, die in overeenstemming is met het beleid om nieuwe woningen in het buitengebied te weren.

2.11.2. Verweerders voeren het beleid om niet-agrarische nieuwbouw in het buitengebied te weren. Bedrijfswoningen zijn slechts toegestaan ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf. Op agrarische gronden zijn gebouwen en andere bouwwerken verder slechts toelaatbaar indien noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders dit beleid in redelijkheid kunnen vaststellen.

Niet is gebleken dat bij de toepassing van dit beleid is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden of dat relevante aspecten buiten behandeling zijn gelaten. De subbestemming “At(o)” is ingevolge de planvoorschriften bestemd voor de bescherming van landschapswaarden en het is op deze bestemming niet toegestaan gebouwen op te richten. Niet is gebleken dat appellanten het voornemen hebben op het perceel een agrarisch bedrijf te exploiteren ten behoeve waarvan een bedrijfswoning of andere bebouwing noodzakelijk is.

Het beroep van appellanten geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit concrete geval hun beleid niet juist hebben toegepast dan wel niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. Hierbij overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad de bevoegdheid toekomt op grond van (gewijzigde) planologische inzichten een bestemmingsplan vast te stellen. Daarbij kunnen geen blijvende rechten worden ontleend aan bestaande bouwmogelijkheden. Ter zitting is voorts gebleken dat, in tegenstelling tot hetgeen appellanten aanvoeren, geen bouwvergunning voor het perceel is verleend.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.12. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 4 en sub 6 te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellant sub 2 is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet gebleken. Wat betreft appellanten sub 1, sub 3 en sub 5 bestaat geen aanleiding voor een proceskosten veroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 3 wat betreft de wijzigingsbevoegdheid van artikel 22 van de planvoorschriften niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van appellanten sub 2 en sub 4 geheel en het beroep van appellanten sub 6 gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 17 oktober 2000, DRGG/ARB/2000/3382A, voorzover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen:

1. “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)” ter plaatse van de percelen van appellanten sub 2 en sub 4 aan c.q. achter de Oude Weerlaan;

2. “Agrarische hulp- en nevenbedrijven (AHN)” met een maximaal bebouwingspercentage van 11 % ter plaatse van het perceel van appellanten sub 6 aan de [locatie]

3. “Agrarische doeleinden (A)” met de subbestemmingen “At(o)” respectievelijk “Ab(z)” ter plaatse van het perceel van appellanten sub 6 aan de Oosteinderlaan 10,

zoals nader aangegeven op bij deze uitspraak behorende, gewaarmerkte, kaarten;

IV. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 5 geheel en de beroepen van appellanten sub 3 en sub 6 voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellanten sub 4 en sub 6 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1620,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellanten, waarvan € 805,00 aan appellant sub 4 en € 805,00 aan appellant sub 6;

VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten sub 2, sub 4 en sub 6 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 voor appellanten sub 2 en € 204,20 voor appellanten sub 4 en sub 6 ieder afzonderlijk) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Gastel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

261-410.