Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5107

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200103950/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103950/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Haarlem,

2. [appellant sub 2], wonend te Haarlem,

3. [appellant sub 3], wonend te Haarlem,

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2000 heeft de gemeenteraad van Haarlem, op voorstel van burgemeester en wethouders van 5 december 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "De Appelaar 2000".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 19 juni 2001, no. 2001-1779, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 6 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2001, appellant sub 2 bij brief van 14 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2001, en appellant sub 3 bij brief van 13 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 10 oktober 2001 en 17 december 2001 hebben verweerders verweerschriften ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2002, waar appellanten sub 1 in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellant sub 2 in persoon, appellant sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en verweerders, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts zijn burgemeester en wethouders van Haarlem, vertegenwoordigd door M.H. Bakker, ambtenaar der gemeente, en ING Vastgoedontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. C.N.J. Kortmann, advocaat te Amsterdam, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op een gebied aan de oostzijde van het centrum van Haarlem en wordt globaal begrensd door het Klokhuisplein, de Wijde Appelaarsteeg, de erfscheiding van de Nauwe Appelaarsteeg en de Berkenrodesteeg. Het gehele gebied maakt deel uit van het als “beschermd stadsgezicht Haarlem” aangewezen gebied. Met het plan wordt de herontwikkeling van het gebied met kantoren, waaronder gerechtsgebouwen, het Concertgebouw, detailhandel, horecavoorzieningen, waaronder een hotel, woondoeleinden en een ondergrondse parkeergarage mogelijk gemaakt.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders met uitzondering van artikel 5 van de planvoorschriften het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten sub 1 hebben aangevoerd dat zij niet zijn uitgenodigd voor de hoorzitting bij verweerders.

Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening stellen gedeputeerde staten degenen die bedenkingen hebben ingebracht in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting. Bij brief van 27 april 2001 nodigen verweerders degenen die bedenkingen hebben ingediend uit voor een hoorzitting op 17 mei 2001. In de daaraan gehechte verzendlijst is aangegeven dat deze brief ook is verzonden aan appellanten afzonderlijk. Op grond van het vorenstaande is aannemelijk dat appellanten zijn uitgenodigd voor de hoorzitting en dat in zoverre is voldaan aan de wettelijke verplichtingen.

In dit bezwaar van appellanten sub 1 ziet de Afdeling geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

2.4. Appellant sub 3 heeft onder meer bezwaar tegen de beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond en de hoorzitting.

Ingevolge artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke personen en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan betrokken op de wijze zoals voorzien in de vastgestelde inspraakverordening.

Door de gemeenteraad van Haarlem is zulk een verordening vastgesteld waarin een regeling is getroffen voor het doen van beklag over de uitvoering van de verordening.

De Afdeling is niet gebleken dat appellant van dit klachtrecht ten aanzien van de inspraak over het voorliggende plan gebruik heeft gemaakt.

Gelet hierop bestaat geen aanleiding op het bezwaar van appellant ter zake van de inspraak verder in te gaan.

Op 23 november 2000 is appellant ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze mondeling toe te lichten. Hoewel appellant moet worden toegegeven dat de hiervoor ter beschikking gestelde tijd beperkt was, is niet gebleken dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten.

Voorzover appellant heeft aangevoerd dat de kadastrale onderlegger onjuist is, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat deze in zijn algemeenheid zodanige onjuistheden bevat dat het plan wegens strijd met artikel 16, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 niet in stand zou kunnen blijven.

Deze beroepsonderdelen van appellant sub 3 treffen geen doel.

2.5. Appellant sub 2 stelt dat zijn bedenkingen ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten door verweerders.

2.5.1. Verweerders hebben de bedenkingen van appellant sub 2 buiten beschouwing gelaten omdat de binnen de wettelijke termijn ingediende zienswijze naar hun mening niet tijdig is gemotiveerd.

2.5.2. De Afdeling stelt vast dat uit de gebruikte bewoordingen van de binnen de wettelijke termijn ingediende zienswijze in voldoende mate kan worden opgemaakt waartegen de bezwaren zijn gericht. Gelet hierop acht de Afdeling geen grond aanwezig voor de opvatting dat appellant geen gemotiveerde zienswijze naar voren heeft gebracht. Verweerders hadden derhalve de bedenkingen van appellant niet buiten beschouwing mogen laten.

De Afdeling stelt evenwel vast dat verweerders bij het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan, om andere reden dan naar aanleiding van de bedenkingen van appellant, genoegzaam zijn ingegaan op de vraag naar de aanvaardbaarheid van de hoogte en omvang van de bij het plan voorziene bebouwing en de ligging van de entree van de parkeergarage. Het feit dat verweerders bij het bestreden besluit de bedenkingen van appellant buiten beschouwing hebben gelaten, geeft derhalve geen aanleiding om te oordelen dat aan de goedkeuring als zodanig van het plan - welk besluit hier ter beoordeling staat – gebreken kleven.

In zoverre is het beroep van appellant sub 2 ongegrond.

2.6. Voorzover het bezwaar van appellanten sub 1 is gericht op de omstandigheid dat de gemeente de sloop- en bouwvergunningen min of meer gelijktijdig met het bestemmingsplan in procedure heeft gebracht, merkt de Afdeling op dat dit bezwaar in het kader van deze procedure, waarin het besluit omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan van verweerders ter beoordeling staat, niet aan de orde kan komen.

2.6.1. Het bezwaar van appellanten sub 1, 2 en 3 tegen de ondergrondse parkeergarage vat de Afdeling aldus op als te zijn gericht tegen de motivering van de onthouding van goedkeuring aan artikel 5 van de planvoorschriften. Zij zijn onder meer van mening dat de parkeergarage geen publieke functie zou moeten vervullen.

2.6.2. De gemeenteraad is van mening dat een parkeergarage welke alleen is bestemd voor het personeel van de rechtbank, gelet onder meer op de verwachte bezoekers van het Concertgebouw en het hotel, onvoldoende is.

2.6.3. Verweerders hebben dit gedeelte van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daartoe overwogen dat zij, hoewel zij kunnen instemmen met het in de plantoelichting genoemde aantal van 300 parkeerplaatsen, goedkeuring onthouden vanwege het ontbreken van voorschriften over de omvang van de parkeergarage en het aantal parkeerlagen.

2.6.4. Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften kan binnen het plangebied een ondergronds gebouwde parkeergarage worden gebouwd. In de plantoelichting staat dat een groot deel van de 300 plaatsen openbaar zal zijn. Gebleken is dat een aantal kleinere bovengrondse parkeerterreinen kan worden opgeheven en dat die terreinen weer verblijfsgebied kunnen worden. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat de ondergrondse parkeergarage bij zal dragen aan het verder autoluw maken van de binnenstad, welke daardoor aan kwaliteit zal winnen, niet onredelijk.

Wat betreft het bezwaar van appellant sub 2 dat de gekozen constructie van de parkeergarage ondeugdelijk is, overweegt de Afdeling dat dat een aspect van uitvoering is, dat in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen.

Ook overigens is niet gebleken dat verweerders zich niet in redelijkheid om de in het bestreden besluit genoemde redenen op het standpunt hebben kunnen stellen dat het planvoorschrift in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Dit beroepsonderdeel van appellanten sub 1, 2 en 3 is ongegrond.

2.7. Appellanten sub 1, 2 en 3 hebben voorts aangevoerd dat verweerders voor het overige ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan. Appellanten sub 1 en 2 stellen onder meer dat de in het plan voorziene bouw- en goothoogten en de totale omvang van de bebouwing niet passen in het als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied. Appellant sub 3 meent onder meer dat de toegestane bouw- en goothoogten de Berkenrodesteeg smal zullen maken hetgeen tot meer overlast zal leiden.

2.7.1. Verweerders hebben geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze goedgekeurd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de in het plan opgenomen regeling voldoende bescherming biedt voor het beschermd stadsgezicht.

2.7.2. Aan de noordkant van het gebied bevindt zich het Concertgebouw, ten zuidwesten daarvan stonden de bedrijfsgebouwen van de drukkerij Joh. Enschedé en het terrein ten zuiden van de Damstraat is als parkeerterrein in gebruik. Aan de gronden zijn de bestemmingen “Maatschappelijke doeleinden, culturele voorzieningen (Mc)”, “Maatschappelijke doeleinden, overheidsvoorzieningen (Mo)”, “Centrumvoorzieningen (Ca)”, “Centrumvoorzieningen (Cb)” toegekend. De monumenten aan het Klokhuisplein en het Spaarne zijn met een aanduiding als zodanig op de plankaart aangegeven.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn alle gronden primair bestemd voor het behoud en/of herstel van cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke en structurele samenhang, zoals deze zijn vastgelegd in de aanwijzing van het “beschermd stadsgezicht Haarlem”. In de in het tweede lid opgenomen beschrijving in hoofdlijnen worden, met verwijzing naar de toelichting van het besluit tot aanwijzing als beschermd stadsgezicht, de hoofdpunten van de ruimtelijke en functionele kwaliteit beschreven en in het derde lid is in verband hiermee een aantal criteria voor bebouwing opgenomen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder a, artikel 7, tweede lid, onder a en b en artikel 8, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, in samenhang met de plankaart is aan de noordelijke kant van de Damstraat en de Nauwe Appelaarsteeg een bouwhoogte van maximaal 19 meter, voor een deel van de gronden tussen de Nauwe Appelaarsteeg en de Lange Begijnestraat een bouwhoogte van maximaal 21 meter, aan de Wijde Appelaarsteeg en de Lange Begijnestraat een bouwhoogte van grotendeels maximaal 16 meter, aan het Klokhuisplein een maximale goothoogte van 11 meter, aan de zuidelijke kant van de Damstraat een bouwhoogte van maximaal 15 meter, op de hoek met de Lange Veerstraat en op de hoek met het Spaarne een goothoogte van maximaal 11 meter en aan de Berkenrodesteeg een goothoogte van maximaal 8 meter, toegestaan. Blijkens artikel 6, tweede lid, onder c, artikel 7, tweede lid, onder b en artikel 8, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften in samenhang met de plankaart vallen de bebouwingsgrenzen samen met de bestemmingsgrenzen.

Voorts zijn op de plankaart twee zichtlijnen met dwarsprofielen aangegeven. Blijkens deze profielen zal het gerechtsgebouw niet boven het Teylersmuseum uitsteken en is de goothoogte van het Concertgebouw vrijwel gelijk aan de hoogte van de Toneelschuur, welk gebouw aan de andere kant van de Wijde Appelaarsteeg staat. Niet aannemelijk is gemaakt dat de zichtlijnen afwijken van de genoemde hiervoor omschreven ruimtelijke inpassing. Blijkens de plantoelichting hadden de panden aan de Damstraat bouwhoogten variërend van 15 tot 21 meter en liep de hoogte van het voormalige bankgebouw aan de Wijde Appelaarsteeg op tot 20 meter. Niet in geding is dat de in het plan voorziene goothoogte van een aantal panden hoger is dan de bestaande hoogte. Het standpunt van verweerders dat voorzover het monumenten betreft de Monumentenwet voldoende bescherming biedt tegen ingrepen acht de Afdeling voldoende onderbouwd.

Voorts is dienaangaande het volgende van belang. In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 heeft de Directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (hierna: RDMZ) bij brief van 11 januari 2000 laten weten te kunnen instemmen met de functionele hoofdopzet van het plan en de globale stedenbouwkundige contour voor rooilijnen en hoogten als kader waarbinnen de nieuwe ontwikkelingen tot stand gebracht kunnen worden. Voor een passende invoeging in het historische stadsmilieu worden zeven aspecten aangegeven die bijzondere aandacht verdienen. Naar aanleiding hiervan heeft het gemeentebestuur het hierboven genoemde artikel 4 van de planvoorschriften opgenomen. In het advies van de Provinciale Planologische Commissie van Noord-Holland van 17 april 2001, waarin ook de RDMZ is vertegenwoordigd, is positief geadviseerd over het plan.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet tot aantasting van het beschermde stadsgezicht zal leiden.

Voorzover appellanten sub 2 en 3 vinden dat een gerechtsgebouw in de binnenstad een onveilige situatie met zich brengt is niet gebleken dat bij de totstandkoming van het plan in onvoldoende mate de veiligheidssituatie is onderzocht. Voorts staat het plan het treffen van veiligheidsmaatregelen niet in de weg.

De Afdeling deelt niet het standpunt van appellanten dat het plan in strijd is met de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 17 februari 1998, no. F01.97.0204 waarbij het besluit tot goedkeuring van het plan “De Appelaar” is geschorst. Zij overweegt daartoe onder meer dat de maximale bouwhoogte in dit plan 3,5 meter lager is en dat het bouwvolume alleen is toegenomen vanwege het niet opnemen van een open plein en het plaatsen van de noordelijke bebouwingswand in de Damstraat in de historische rooilijn.

In hetgeen appellanten sub 1 hebben aangevoerd over het niet als zodanig bestemmen van de tuinen en in aanmerking genomen het verhandelde ter zitting behoefden verweerders geen reden te zien niet te kunnen instemmen met de gemeentelijke plansystematiek inhoudende dat in de plannen van de gehele binnenstad tuinen niet als zodanig worden bestemd.

Wat betreft de ruimtelijke inpassing van de Berkenrodesteeg is het volgende van belang. De Berkenrodesteeg is blijkens de plankaart overwegend ongeveer 4,5 meter breed. Zoals hierboven overwogen is aan de Berkenrodesteeg bebouwing met een goothoogte van overwegend maximaal 8 meter toegestaan. Blijkens de stukken hebben bestaande panden aan de Berkenrodesteeg dezelfde maximale hoogte. Gelet hierop en de ligging van het plangebied in de binnenstad deelt de Afdeling niet het standpunt van appellant sub 3 dat de Berkenrodesteeg door deze hoogte als smal zal worden ervaren.

Ten aanzien van de door appellant sub 3 gevreesde geluid- en geurhinder is niet aangetoond dat aanleiding bestaat voor de verwachting dat niet aan de daarvoor geldende normen zal kunnen worden voldaan.

De bezwaren met betrekking tot het ontbreken van onder meer voorzieningen voor fietsenstallingen en openbare toiletten zien op de uitvoering van het plan en kunnen in het kader van deze procedure niet aan de orde komen.

2.8. Appellant sub 3 stelt voorts dat geen behoefte bestaat aan een brug over de Bakenessergracht.

2.8.1. De Afdeling overweegt hieromtrent dat het plan in de noordoostelijke hoek van het gebied voorziet in een brug over de Bakenessergracht. Blijkens de plantoelichting beoogt het gemeentebestuur met de brug de bereikbaarheid van de binnenstad voor voetgangers te vergroten en het gebied opener te maken. Verweerders hebben hiermee ingestemd. In hetgeen appellant sub 3 heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet op dit standpunt hebben kunnen stellen.

2.8.2. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de betrokken plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voorzover het betrekking heeft op deze plandelen is voorbereid of genomen in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan deze plandelen.

De beroepen van appellanten sub 1, 2 en 3 zijn in zoverre ongegrond.

2.9. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de voorziene entree van de parkeergarage.

2.9.1. Verweerders achten dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Zij kunnen uit stedenbouwkundig oogpunt en uit een oogpunt van verkeersveiligheid instemmen met de keuze van het gemeentebestuur voor de entree van de parkeergarage.

2.9.2. Aan de gronden waar de entree van de ondergronds gebouwde parkeergarage is voorzien is in het plan de bestemming “Verkeersdoeleinden” met de aanduiding “zoekgebied garage entree” toegekend. Ingevolge artikel 10, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften mogen de gebouwde in- en uitrit(-ten) ten behoeve van de ondergrondse parkeergarage uitsluitend worden opgericht ter plaatse van het op de plankaart aangeduide “zoekgebied garage entree”. De Afdeling stelt vast dat de aanduiding op de plankaart is weergegeven met een pijl. De Afdeling deelt het standpunt van appellanten dat een dergelijke aanduiding, gelet op de beperkte omvang en de ligging in de historische binnenstad van het plangebied dat bovendien deel uitmaakt van het beschermd stadsgezicht, te globaal is. Zij neemt daarbij mede in aanmerking dat op deze wijze onvoldoende kan worden bepaald wat de effecten voor de directe omgeving zijn.

Gelet op het vorenstaande is het plandeel in strijd met de rechtszekerheid. Door het plandeel niettemin goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Dit onderdeel van de beroepen van appellanten is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de aanduiding “zoekgebied garage entree” en artikel 10, derde lid, onder d, van de planvoorschriften.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 19 juni 2001, 2001-1779, voorzover het de aanduiding "zoekgebied garage entree" en artikel 10, derde lid, onder d, van de planvoorschriften betreft;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II. genoemde aanduiding en planvoorschrift;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten sub 1, 2 en 3, ieder afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

178-290.