Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200105050/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2002/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105050/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting voor Openbaar Voortgezet Onderwijs in de gemeenten Smallingerland, Tytjerksteradiel en Achtkarspelen", gevestigd te Drachten,

appellante,

en

de stichting "Stichting Participatiefonds voor het onderwijs",

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2000 heeft verweerster het verzoek van appellante om de uitkeringskosten die voortvloeien uit de beëindiging van een tijdelijk dienstverband van een docent voor haar rekening te nemen, afgewezen.

Bij besluit van 25 september 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerster het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 januari 2002 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. G. Heussen, J.J. Hallers en

W. Donker, gemachtigden, en verweerster, vertegenwoordigd door

mr. M. Visser en ing. I.A. van Steenis-Voorhorst, gemachtigden, zijn verschenen.

Naar ter zitting is toegezegd zijn de door appellante op 1 en 14 maart 2002 aan de Afdeling toegestuurde stukken alsnog aan verweerster gezonden. Bij schrijven van 10 april 2002 heeft verweerster daarop een nadere reactie gegeven. Deze is aan de andere partij toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 96o, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO) – voor zover hier van belang – worden op de ingevolge artikel 96m van de WVO vastgestelde vergoeding in mindering gebracht de kosten voor werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel, tenzij de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de WVO, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van die kosten.

Ingevolge artikel 98b, eerste lid, van de WVO – voor zover hier van belang – is het bevoegd gezag van een school aangesloten bij een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel.

Ingevolge artikel 98b, vierde lid, van de WVO – voor zover hier van belang – stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 96o, derde lid.

De in artikel 98b van de WVO bedoelde rechtspersoon is de Stichting Participatiefonds voor het onderwijs.

2.2. Voor het schooljaar 2000-2001 heeft verweerster vastgesteld het Reglement Participatiefonds voor het Voortgezet Onderwijs (hierna te noemen: het Reglement).

2.3. Ingevolge artikel 4.1 van het Reglement rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid datgene te doen wat van hem verwacht mag worden ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering van betrokkene te voorkomen.

Ingevolge artikel 4.2 wordt bij elke melding beoordeeld of aan het in het eerste lid gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de in de toelichting genoemde activiteiten, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen. Er is immers onvoldoende aangetoond dat instroom in de werkloosheidsregelingen in dergelijke gevallen niet te vermijden is geweest.

Ingevolge artikel 4.3 – voorzover hier van belang – stelt verweerster, in het kader van een ontslag op grond van artikel 9, de eisen als bedoeld in de categorieën I, II, III en IV die zijn opgenomen in de toelichting bij het Reglement en in het formulier ‘Opgave medewerker’ door middel waarvan het bevoegd gezag om vergoeding van de uit het ontslag voortvloeiende kosten kan verzoeken. Het bevoegd gezag informeert verweerster schriftelijk op welke wijze aan de inspanningsverplichting is voldaan.

Ingevolge artikel 6.2 van het Reglement wordt een verzoek afgewezen indien niet is voldaan aan het gestelde in artikel 4.

2.4. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft verweerster ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft voldaan aan de in categorie I, II en IV genoemde aspecten van de ingevolge artikel 4 van het Reglement op haar rustende inspanningsverplichting. Wat betreft categorie IV heeft appellante het volgens verweerster niet voldaan aan de onderdelen inzake het ondersteunen van betrokkene bij het zoeken naar een andere functie en het doen van een voormelding bij de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor de Overheid en onderwijs (hierna: de USZO).

2.5. In de toelichting op artikel 4 heeft verweerster de inspanningsverplichting bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband wat betreft categorie IV (“hulp bij behoud van werk, extern”) onderverdeeld in het ondersteunen van betrokkene bij het zoeken naar een andere functie, het inschakelen van de arbeidsvoorziening en een voormelding bij de USZO.

De categorieën I en II behelzen respectievelijk het houden van functionerings- en beoordelingsgesprekken en het toepassen van nader omschreven vormen van begeleiding.

Voorzover in artikel 4 van het Reglement naar dit onderdeel van de toelichting wordt verwezen, moet het, gelet op artikel 98, vierde lid, van de WVO en in aanmerking genomen dat het zich, gezien de aard en de bewoordingen ervan, daarvoor leent, als algemeen verbindend voorschrift worden aangemerkt.

2.6. Appellante voert aan dat betrokkene door de USZO gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard en dat de USZO daarbij heeft aangegeven dat betrokkene gezien zijn krachten, bekwaamheden en medische beperkingen niet meer in staat was de functie van docent uit te oefenen en een aantal andere functies heeft gesuggereerd in een andere sector van de arbeidsmarkt dan het onderwijs. Gegeven de oorzaak van de ongeschiktheid, die niet aan het werk gerelateerd is, en het advies van de bedrijfsarts om vanwege de psychische aard van de klachten geen pogingen tot reïntegratie te ondernemen, ziet appellante niet welke reële inzet van haar als werkgever in dit specifieke geval verwacht had kunnen worden. Daar betrokkene voorts vanaf het voorjaar 1999 met onbekende bestemming was vertrokken, kon volgens appellante ook geen enkele reïntegratie-activiteit ter voorkoming van het ontslag worden gerealiseerd.

2.7.1. Uit hetgeen appellante reeds in bezwaar heeft aangevoerd, is gebleken dat zij, voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband op 1 augustus 2000, in het kader van de aanvraag van een uitkering in het kader van Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met de USZO contact heeft gehad over de docent, dat de instelling in verband daarmee reeds op de hoogte was van het feit dat betrokkene sinds 3 november 1998 wegens ziekte niet in staat was werk te verrichten en dat deze, blijkens het functiegeschiktheidsonderzoek door de USZO, niet meer in staat werd geacht om de functie van docent te blijven uitoefenen.

Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de USZO bekend was met de aard en de duur van de dienstbetrekking van de docent, moet appellante worden geacht in zoverre aan de inspanningsverplichting te hebben voldaan.

Verweerster kan appellante niet tegenwerpen dat zij geen afzonderlijke, uitsluitend op de beëindiging van het dienstverband betrekking hebbende, voormelding heeft gedaan. Hiermee miskent verweerster immers dat het Reglement in dit opzicht niet meer eist dan dàt wordt voorgemeld bij de USZO en geen eisen stelt aan de wijze waarop dit geschiedt.

Gezien het hierna volgende ziet de Afdeling hierin echter geen grond voor vernietiging van de in geding zijnde beslissing.

2.7.2. Appellante betoogt immers tevergeefs dat zij, nu de leerkracht als gevolg van psychische klachten niet langer in staat was tot het uitoefenen van zijn functie, voor het overige alles heeft ondernomen wat in redelijkheid kon worden gevergd ter voorkoming van ontslag.

Vast staat dat de leerkracht, ten tijde van het ontslag, op basis van een vanwege de USZO verrichte keuring in het kader van de WAO niet geheel, doch voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt is bevonden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat van haar, wat betreft categorie IV van de inspanningsverplichting en voorzover de leerkracht arbeidsgeschikt is geacht, niet meer kon worden gevergd dan zij heeft aangetoond te hebben verricht.

Ten aanzien van de categorieën I en II moet worden opgemerkt dat appellante, ondanks herhaalde aansporing van de kant van verweerster, geen overzicht heeft overgelegd met data van functionerings-en beoordelingsgesprekken, lesbezoeken, begeleidingsgesprekken of reïntegratiegesprekken.

2.7.3. Het betoog van appellante dat betrokkene lange tijd onvindbaar is geweest – wat daarvan ook zij – kan niet leiden tot vernietiging van de beslissing op bezwaar, reeds op de grond, dat appellante hieromtrent noch in het formulier “Opgave medewerker”, noch hangende de bezwaarschriftenprocedure iets naar voren heeft gebracht. Verweerster heeft deze omstandigheid bij het nemen van de beslissing op bezwaar niet kunnen betrekken. Nu op grond van het Reglement de bewijslast dat is voldaan aan de in artikel 4 van het Reglement neergelegde inspanningsverplichting in de eerste plaats bij appellante ligt, kan evenmin worden geoordeeld dat verweerster, door terzake geen nader onderzoek in te stellen, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld.

2.7.4. Appellante kan niet worden gevolgd in het betoog dat het strijdt met de doelstelling van de Regeling dat, in geval van onmogelijkheden bij reïntegratie- en herplaatsingstrajecten die hun oorzaak vinden in feiten en omstandigheden die tot de risicosfeer en voor rekening van de werknemer behoren, de kosten ten laste van het bevoegd gezag van de school worden gebracht. Ingevolge artikel 96o, derde lid, van de WVO draagt appellante in beginsel de kosten, die voortvloeien uit een ontslag als hier aan de orde.

2.7.5. Appellante kan evenmin worden gevolgd in haar stelling dat niet valt te rijmen dat verweerster enerzijds het ontslag als onvermijdbaar heeft bestempeld, doch anderzijds heeft geconcludeerd dat appellante te weinig inspanningen heeft verricht terzake van het ontslag.

Het oordeel over onvermijdbaarheid van het ontslag staat, gezien de daarbij gehanteerde gronden, los van de beoordeling van de vraag of de werkgever in de gegeven omstandigheden voldoende inspanningen heeft verricht.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Zijlstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

240.