Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5091

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200106387/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2002/2429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106387/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Moerdijk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2001 hebben verweerders krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer een melding geaccepteerd van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Romkon B.V.” (hierna: vergunninghoudster) van 20 april 2001, waarbij verweerders in kennis zijn gesteld van de voorgenomen bouw van een overdekte stallingsplaats voor landbouwvoertuigen binnen een inrichting voor het repareren van landbouwwerktuigen en het samenstellen en lassen van staalconstructies op het adres Klundertseweg 29 te Zevenbergen.

Bij besluit van 14 november 2001, verzonden op dezelfde dag, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. D. Oostvogels, mr. K. Eshuis, gemachtigden, en A.J.M. van Hoek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.2. Appellanten voeren aan dat verweerders de melding ten onrechte hebben geaccepteerd, omdat de voorgenomen wijziging van de inrichting tot gevolg zal hebben dat andere activiteiten worden uitgevoerd dan is toegestaan.

2.2.1. De Afdeling begrijpt het beroep van appellanten aldus, dat zij vrezen dat de wijziging zal leiden tot een andere inrichting dan waarvoor de onderliggende milieuvergunning is verleend. Uit de ingediende melding blijkt dat de wijziging uitsluitend betrekking heeft op de bouw van een overdekte stallingsplaats voor landbouwwerktuigen en -voertuigen. Andere activiteiten dan berging en stalling worden volgens het meldingsformulier niet verricht. Gelet hierop leidt deze wijziging niet tot een andere inrichting dan waarvoor de milieuvergunning is verleend. Verweerders hebben de melding in zoverre terecht aanvaard.

2.2.2. Voorzover appellanten voorts betogen dat de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat binnen de inrichting niet-vergunde activiteiten worden uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op het bestreden besluit en derhalve niet kunnen leiden tot de vernietiging daarvan.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Voorzitter, en mr. Th. G. Drupsteen en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

190-355.