Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5087

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200102147/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200102147/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief”, gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Harderwijk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2001, kenmerk SB/14644, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een kalver- en paardenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 21 maart 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 mei 2001, bij de Raad van State dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 juli 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 december 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door W. van Norden-Luders en J.L. Essenburg, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

[Mede-appellant] heeft zich blijkens de aangehechte verklaring van 16 mei 2002 teruggetrokken als mede-appellant in dit beroep.

2. Overwegingen

2.1. Verweerders hebben bij het bestreden besluit een revisievergunning verleend voor het houden van in totaal 700 wit-, 97 rozevleesmestkalveren en 10 paarden. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 3 september 1991 een revisievergunning krachtens de Hinderwet verleend voor het houden van 600 mestkalveren en 1500 mesteenden (buiten).

2.2. Ter zitting heeft appellante haar beroep ingetrokken voorzover het is gericht tegen het besluit tot intrekking van de vergunning ten behoeve van de veehouderij aan de [locatie] te [plaats].

2.3. Voorzover door de gedeeltelijke intrekking van het beroep hier nog van belang, hebben verweerders gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is wat betreft de toepassing van artikel 8.16 Wet milieubeheer, de voorschriften 1.1 en 8.1 en de berekening van de ammoniakemissie aan de hand van het aantal eenden.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

De Afdeling constateert dat de eerste twee door verweerders genoemde beroepsgronden betrekking hebben op de wijze waarop verweerders hebben getracht de vergunning in overeenstemming te brengen met artikel 8, vierde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet). De derde beroepsgrond betreft de berekening van de bestaande rechten. Appellante heeft in de bedenkingenfase aangevoerd dat niet is voldaan aan het vereiste van onmiddellijke samenhang als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet alsmede dat verweerders de ammoniakemissie die wordt veroorzaakt door het reeds eerder vergunde veebestand onjuist hebben berekend. Anders dan verweerders menen, vindt het beroep derhalve ook in zoverre zijn grondslag in de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen en is het beroep geheel ontvankelijk.

2.4. Ingevolge artikel 5 van de Interimwet, voorzover hier van belang, geldt voor een veehouderij waarvoor op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, een onherroepelijke vergunning gold, als waarde voor de ammoniakdepositie: de waarde van de depositie die op die datum ingevolge die vergunning ten hoogste was toegestaan.

2.5. Appellante heeft aangevoerd dat verweerders bij de berekening van de ammoniakemissie die wordt veroorzaakt door het reeds vergunde veebestand, voor de 1500 buiten gehouden mesteenden ten onrechte van de veronderstelling zijn uitgegaan dat er zeven mestrondes per jaar plaatsvonden.

2.5.1. In bijlage 4 van de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij is voor buiten gemeste slachteenden een emissiefactor van 0,019 kg NH3 per dier per jaar opgenomen. Bij de berekening van de ammoniakemissie die wordt veroorzaakt door het reeds vergunde veebestand zijn verweerders voor de 1500 buiten gehouden mesteenden van de veronderstelling uitgegaan dat er zeven mestronden per jaar plaatsvonden. Verweerders zijn derhalve uitgegaan van een ammoniakemissie van 1500 x 0,019 x 7 = 199,5 kg.

Blijkens het uitgebrachte deskundigenbericht kunnen mesteenden in de regel 9 maanden per jaar buiten worden gehouden. Uitgaande van een mestperiode van zeven weken kunnen derhalve ten hoogste zes mestronden per jaar buiten worden gerealiseerd. Verweerders hebben niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige inrichting mesteenden langer dan 9 maanden per jaar buiten konden worden gehouden. De Afdeling merkt verder op dat het op grond van de Hinderwetvergunning van 3 september 1991 niet is toegestaan om mesteenden binnen te houden. Anders dan vergunninghoudster heeft betoogd, kunnen derhalve geen rechten worden ontleend aan de mestronden die zouden zijn gerealiseerd ten gevolge van het deels binnen houden van mesteenden.

Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat voorheen in de inrichting zes mestronden per jaar vergund waren. De 1500 mesteenden veroorzaakten derhalve een ammoniakemissie van 1500 x 0,019 x 6 = 171 kg. Nu verweerders niet van zes, maar van zeven mestronden per jaar zijn uitgegaan, hebben zij de waarde van de bestaande rechten uitgedrukt in ammoniakemissie te hoog vastgesteld. Geconcludeerd moet worden dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het beroep behoeft voor het overige geen bespreking.

2.7. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Harderwijk van 13 maart 2001, kenmerk SB/14644;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Harderwijk in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Harderwijk te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Harderwijk aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.P.H. Donner, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele, ambtenaar van Staat.

Het Lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van der Weele

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

152-399.