Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200100171/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijze van vaststellen schadegebieden in Regeling tegemoetkoming schade tweede extreem zware regenval 1998 conform de wet.

Weigering tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (de Wet). Bij KB is de wet van toepassing verklaard op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval van 27 en 28 oktober 1998. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat door appellant opgestelde Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (WTS2-regeling) onverbindend moet worden geacht omdat niet alle criteria, waaraan moet zijn voldaan wil men voor een tegemoetkoming in aanmerking komen, in de wet terug te vinden zijn.

Het oordeel van de rechtbank dat appellant bij de WTS2-regeling niet alleen het schadegebied heeft vastgesteld maar dat hij de schade binnen dat gebied aan beperkende voorwaarden heeft onderworpen, voor welke voorwaarden - met uitzondering van het onder b (causaliteit) genoemde criterium - geen steun in de Wet is te vinden, berust echter op een onjuiste uitleg van de WTS2-regeling. Appellant heeft de bedoelde vier criteria toegepast bij de vaststelling van de omvang en de grenzen van een schadegebied. De gedupeerde wiens perceel in het aldus vastgestelde schadegebied is gelegen, komt in aanmerking voor een tegemoetkoming, zonder dat verdere (beperkende) voorwaarden worden gesteld. Noch de Wet, noch het KB verzet zich tegen een zodanige wijze van vaststelling van schadegebieden.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, appellant.

mrs. J.A.E. van der Does, E. Korthals Altes, J.A.M. van Angeren

Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen

Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2002, p. 90 (nr.1)

Uitspraak

200100171/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 15 november 2000 in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [plaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van onder meer 13 januari 1999 heeft appellant aan [verzoekers] een tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet) geheel dan wel gedeeltelijk geweigerd.

Bij afzonderlijke besluiten van 21 oktober 1999 heeft appellant de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het besluit inzake [verzoeker 1] is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 november 2000, verzonden op 27 november 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de beslissingen op bezwaar vernietigd, bepaald dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten, de bezwaren gegrond verklaard en bepaald dat appellant de aanvragen van [verzoekers] alsnog in behandeling neemt ter beoordeling op basis van de nieuwe ministeriële regeling. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 april 2001 hebben [verzoekers] een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag, en [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. E.T. van Dalen, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [verzoekers] hebben betoogd dat appellant, gezien zijn proceshouding ter zitting bij de rechtbank, het recht moet worden ontzegd hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.1.1. Niet is gebleken dat de vertegenwoordiger van appellant ter zitting bij de rechtbank tot meer bevoegd was dan het voeren van het woord namens appellant; met name is niet gebleken dat de vertegenwoordiger de bevoegdheid bezat de beslissingen op bezwaar in te trekken en na wijziging van de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998, Stcrt. 244 (hierna: de WTS2-regeling) opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen. Dat genoemde vertegenwoordiger enige indicatie heeft gegeven van het in de toekomst door appellant in te nemen standpunt maakt dit niet anders. Voor de [verzoekers] bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep bestaat geen aanleiding.

2.2. De Wet geeft de gedupeerde een recht op een tegemoetkoming in schade bij rampen en zware ongevallen.

Ingevolge artikel 3, van de Wet, kan deze wet bij koninklijk besluit van toepassing worden verklaard in geval van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet rampen en zware ongevallen, die van ten minste vergelijkbare orde is als een overstroming door zoet water of een aardbeving.

Ingevolge artikel 1, van het Koninklijk Besluit van 5 maart 1999, Stb. 128 (hierna het KB) - het in artikel 3, van de Wet bedoelde besluit -, is de Wet van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet, voor zover van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in de schade, voor zover de schade die hij heeft geleden is ontstaan in het schadegebied.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet, voor zover van belang, wordt verstaan onder schadegebied: het bij ministeriële regeling vastgestelde, in Nederland gelegen gebied waarin een overstroming door zoet water heeft plaatsgevonden en waarin als gevolg daarvan schade is geleden dan wel kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WTS2-regeling - de in artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet bedoelde regeling -, is deze regeling van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de WTS2-regeling worden als schadegebied, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet aangewezen de gemeenten en delen van gemeenten die zijn aangewezen in de bijlage behorende bij deze regeling.

2.3. Appellant heeft de aanvragen van [verzoekers] om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet, getoetst aan de WTS2-regeling en de aanvragen niet verder in behandeling genomen (lees: afgewezen) op de grond dat het schadeadres van [verzoekers] niet valt binnen de in de WTS2-regeling aangewezen gemeenten.

2.4. De rechtbank heeft de beslissingen op bezwaar, waarin de primaire besluiten zijn gehandhaafd, vernietigd, daarbij oordelend dat de WTS2-regeling onverbindend moet worden geacht. Samengevat weergegeven heeft de rechtbank dit oordeel als volgt gemotiveerd. Bij de WTS2-regeling heeft appellant niet alleen het schadegebied vastgesteld, maar bij de vaststelling daarvan de schade binnen dat gebied onderworpen aan de in de aangevallen uitspraak onder a tot en met d weergegeven criteria, waaraan moet zijn voldaan, wil men voor een tegemoetkoming ingevolge deze regeling in aanmerking komen. Met uitzondering van het onder b genoemde criterium zijn deze criteria echter niet terug te vinden in de Wet. Nu voor een dergelijke begrenzing geen grondslag is te vinden in de Wet en artikel 1 van het KB, is de begrenzing met deze hogere regelgeving in strijd.

2.5. Het oordeel van de rechtbank dat appellant bij de WTS2-regeling niet alleen het schadegebied heeft vastgesteld maar dat hij de schade binnen dat gebied aan beperkende voorwaarden heeft onderworpen, voor welke voorwaarden - met uitzondering van het onder b genoemde criterium - geen steun in de Wet is te vinden, berust echter op een onjuiste uitleg van de WTS2-regeling. Appellant heeft, naar hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft aangevoerd, de bedoelde vier criteria toegepast bij de vaststelling van de omvang en de grenzen van een schadegebied. De gedupeerde wiens perceel in het aldus vastgestelde schadegebied is gelegen, komt in aanmerking voor een tegemoetkoming, zonder dat verdere (beperkende) voorwaarden worden gesteld. Noch de Wet, noch het KB verzet zich tegen een zodanige wijze van vaststelling van schadegebieden.

De rechtbank is derhalve ten onrechte tot de slotsom gekomen dat de WTS2-regeling onverbindend is wegens strijd met de Wet en artikel 1 van het KB.

2.6. In het hoger beroepschrift heeft appellant zijn standpunt opnieuw geformuleerd en aangegeven dat in de praktijk kan blijken dat in bepaalde gevallen een individuele aanvrager, bijvoorbeeld met een beroep op het gelijkheidsbeginsel of met een beroep op de kennelijke onredelijkheid van de regeling op een bepaald punt, met succes kan betogen dat ook hij voor een tegemoetkoming op grond van de Wet c.q. de WTS2-regeling in aanmerking zou moeten komen. In ieder van de aanhangige gevallen zal worden bezien of deze situatie zich voordeed. Vervolgens heeft appellant aangegeven wat hij zou doen als het om zo een categorie van gevallen zou gaan. Dan zou, verkort weergegeven, worden bezien of de gedupeerden in dat gebied ook voor tegemoetkoming in aanmerking zouden kunnen komen; dan zou dat gebied moeten voldoen aan de criteria welke zijn gebruikt bij de vaststelling van het schadegebied.

2.7. De Wet draagt de vaststelling van het schadegebied op aan de Minister (c.q. de Staatssecretaris), het orgaan dat ook met de vaststelling van de tegemoetkoming is belast. Een en hetzelfde orgaan moet de Wet uitvoeren deels door het hanteren van een aan dat orgaan gedelegeerde regelgevende bevoegdheid, te weten vaststelling van het schadegebied, en deels door daarop gebaseerde besluitvorming. Indien in een geval als dit het uitvoerend orgaan bij de behandeling van een bezwaarschrift tegen een genomen besluit bespeurt dat mogelijk, met vasthouden aan de criteria die bij de vaststelling van het schadegebied zijn aangelegd, het schadegebied uitbreiding zou kunnen behoeven, brengt de vereiste zorgvuldigheid mee dat wordt bezien of zo een uitbreiding aangewezen is en – zo ja – of de regelgeving dienovereenkomstig wordt aangepast alvorens op het bezwaarschrift wordt beslist.

2.8. In het onderhavige geval achtte appellant het mogelijk dat zich een zodanig geval voordeed. Weliswaar staat vast dat de gronden van [verzoekers] niet als schadegebied in de zin van de WTS2-regeling kunnen worden aangemerkt, omdat zij niet in de bij de regeling behorende bijlage als schadegebied zijn aangewezen, maar [verzoekers] hebben betoogd dat de situatie in de gebieden waarin hun gronden zijn gelegen, wat betreft de als gevolg van de extreme regenval op 27 en 28 oktober 1998 geleden schade niet verschilt van de situatie in de wél in die bijlage genoemde gebieden. Die extreme regenval heeft zich in hun gebied weliswaar niet voorgedaan, maar als gevolg van die extreme regenval in naastgelegen hogere gebieden die wél als schadegebied zijn aangewezen, is – aldus [verzoekers] – regenwater afgevloeid naar hun lager gelegen gronden, waardoor aldaar, mede als gevolg van de omstandigheid dat ter voorkoming van wateroverlast in Groningen de sluizen in Drenthe zijn gesloten of gesloten gehouden, een situatie is ontstaan welke op één lijn moet worden gesteld met die in de aangewezen schadegebieden.

2.9. Gelet op de te dezen te betrachten zorgvuldigheid had appellant voormeld betoog op zijn juistheid moeten onderzoeken en moeten bezien of de in de WTS2-regeling vastgestelde schadegebieden uitbreiding behoefden.

2.10. De conclusie is dat het hoger beroep, gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de beslissingen op bezwaar zijn vernietigd, ongegrond is; de aangevallen uitspraak wordt in zoverre bevestigd, zij het met verbetering van gronden. Het hoger beroep, gericht tegen de aangevallen uitspraak voor het overige, is gegrond; de aangevallen uitspraak wordt in zoverre vernietigd.

2.11. Ter zitting heeft appellant meegedeeld dat het betoog van Dries c.s. reeds op zijn juistheid is onderzocht. Appellant kan de uitkomsten van dat onderzoek desgewenst gebruiken bij het alsnog nemen van een besluit op bezwaar.

2.12. Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 15 november 2000, kenmerken 99/831 BELEI P09 G01, 99/832 BELEI P09 G01, 99/833 BELEI P09 G01, 00/29 BELEI P09 G01, 00/30 BELEI P09 G01, 00/31 BELEI P09 G01, 00/32 BELEI P09 G01 en 00/131 BELEI P09 G01, voor zover het betreft de vernietiging van de beslissingen op bezwaar;

II. vernietigt de genoemde uitspraak van de rechtbank voor het overige;

III. draagt de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaarschriften van [verzoekers] te beslissen;

IV. veroordeelt de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de door [verzoekers] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,37, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) te worden betaald aan [verzoekers].

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

238.