Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5070

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200002635/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2000:AA5793
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen publiekrechtelijke rechtsgrond aanwezig voor vordering wettelijke rente ter zake van terugvordering ten onrechte verstrekte subsidie.

Terugvordering van ten onrechte toegekende subsidies, vermeerderd met wettelijke rente. Er is in dit geval geen publiekrechtelijke grondslag voor het vorderen van wettelijke rente. Het ongeschreven recht, noch een analoge toepassing van het burgerlijk recht kan zo'n bevoegdheid in het leven roepen. Weliswaar is in het bestuursrecht het beginsel aanvaard dat wat onverschuldigd is betaald, kan worden teruggevorderd, maar dit beginsel heeft slechts bestuursrechtelijke gevolgen wanneer zijn werking zich doet gevoelen in door het bestuursrecht beheerste verhoudingen, zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 oktober 1996, H01.96.0142 (AB 1996/496; opgenomen onder LJN ZF2335). Indien, zoals in dit geval, een toegekende subsidie wordt ingetrokken, kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten worden teruggevorderd op basis van de bevoegdheid de subsidie toe te kennen, aangevuld door de werking van het beginsel dat wat onverschuldigd is betaald, kan worden teruggevorderd. De vordering van wettelijke rente vindt daarentegen geen grondslag in de bevoegdheid subsidie toe te kennen en valt derhalve buiten een door het bestuursrecht beheerste rechtsverhouding. Een dergelijke vordering kan slechts worden gebaseerd op het burgerlijk recht. Dit is alleen anders indien een specifieke publiekrechtelijke grondslag kan worden aangewezen. Weliswaar wordt in het Voorontwerp Awb Vierde Tranche van de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht, Den Haag 1999, in Titel 4.4. een regeling voorgesteld voor bestuursrechtelijke geldschulden, waarin afdeling 4.4.2 bepalingen omvat terzake van verzuim en wettelijke rente, maar hierover heeft de wetgever nog niet beslist. B&W konden betrokkene niet de verplichting opleggen om ƒ 205.696,17 (€ 93.340,85) aan wettelijke rente te betalen en bepalen dat deze zal oplopen, totdat hij de hoofdsom, alsmede de alsdan verschuldigde wettelijke rente, volledig heeft voldaan.

Ongegrond hoger beroep.

Burgemeester en wethouders van Leeuwarden, appellanten.

mrs. R.W.L. Loeb, E.M.H. Hirsch Ballin, P.A. Offers

Hoger beroep van rechtbank Leeuwarden d.d. 21 april 2000, databank opgenomen onder LJN AA5793

Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987

Subsidieverordening Stads- en Dorpsvernieuwing 1986/1989

Besluit Woninggebonden Subsidies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/268
AB 2003, 123
Gst. 2002-7170, 3
Module Vastgoed en wonen 2002/459

Uitspraak

200002635/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant] wonend te [woonplaats],

2. burgemeester en wethouders van Leeuwarden,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 21 april 2000 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

appellanten sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 1995 hebben appellanten sub 2 (hierna: b&w) de bezwaren van appellant sub 1 (hierna: [appellant sub 1] ) tegen hun besluiten van 2 februari 1995 tot intrekking van aan hem toegekende subsidies en tot terugvordering van de in verband daarmee aan hem uitbetaalde subsidiebedragen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 1997 heeft de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 18 juli 1995 ingestelde beroep ongegrond verklaard, voor zover het de intrekking betreft, doch gegrond, voor zover dat de terugvordering betreft en dat besluit in zoverre vernietigd.

Bij besluit van 20 mei 1998 hebben b&w, opnieuw beslissend op het bezwaar van [appellant sub 1] de terugvordering gehandhaafd, het terug te vorderen bedrag vastgesteld op ƒ 1.026.757,40 (€ 465.922,20) en voorts besloten dat de van [appellant sub 1] te vorderen wettelijke rente per 1 april 1998 ƒ 205.696,17 (€ 93.340,85) bedraagt en dat deze rente zal doorlopen, totdat [appellant sub 1] de hoofdsom, alsmede de alsdan verschuldigde wettelijke rente heeft voldaan.

Dit besluit en het advies van de gemeentelijke commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 april 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het besluit van 20 mei 1998 vernietigd, voor zover daarbij van [appellant sub 1] wettelijke rente is gevorderd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben b&w en [appellant sub 1] bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2000, hoger beroep ingesteld.

B&w hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 25 juli 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van onderscheidenlijk 12 en 20 september 2000 hebben [appellant sub 1] en b&w van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2001, waar [appellant sub 1] in persoon, bijgestaan door mr. T.H. Pasma, advocaat te Harlingen, en b&w, vertegenwoordigd door P.J. Achterhof, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

Nadien heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Zij heeft b&w gevraagd om nadere inlichtingen te verschaffen en bepaalde stukken over te leggen. Bij brief van 21 januari 2002 hebben b&w dat gedaan. Een en ander is aan [appellant sub 1] toegezonden. Deze heeft daarop gereageerd bij brieven van 4 en 20 februari 2002. Deze zijn aan b&w toegezonden.

De Afdeling heeft de behandeling van de zaak voortgezet ter zitting op 23 april 2002, waar [appellant sub 1] in persoon, bijgestaan door mr. T.H. Pasma, advocaat te Harlingen, en b&w, vertegenwoordigd door P.J. Achterhof, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van het hoger beroep van [appellant sub 1] .

2.1.1. In voormelde uitspraak van 29 mei 1997 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat volgens [appellant sub 1] een ambtenaar van de gemeente een actieve rol heeft gespeeld bij de subsidieverlening en dat [appellant sub 1] ervan uitging en ervan uit mocht gaan dat de subsidieverlening in goed overleg met die ambtenaar en aannemer De Jong tot stand was gekomen. Verder heeft zij de stelling van [appellant sub 1] dat hij meende met instemming van b&w te handelen, als onaannemelijk gepasseerd. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat deze stelling in tegenspraak is met de eerder door hem afgelegde verklaringen, waarin hij bewuste misleiding van b&w door middel van onjuiste dan wel onvolledige informatieverstrekking heeft erkend. In deze uitspraak heeft [appellant sub 1] berust. De rechtbank behoefde dan ook, anders dan [appellant sub 1] betoogt, niet opnieuw op deze kwestie in te gaan. Het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank de beslissing tot terugvordering ten onrechte ongemotiveerd heeft bekrachtigd, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft overwogen dat b&w in het verweerschrift genoegzaam inzichtelijk hebben gemaakt, om welke redenen het door hen aan het ministerie van VROM te betalen bedrag verschilt van het door hen van [appellant sub 1] terug te vorderen bedrag. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de vordering is verjaard, is ongegrond. Artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht is gelet op het overgangsrecht op de terugvordering, zoals [appellant sub 1] zelf ook heeft aangegeven, niet van toepassing. Zijn betoog dat ertoe strekt dat de terugvordering niettemin is verjaard, treft geen doel, reeds omdat het besluit tot terugvordering binnen vijf jaar na het besluit tot intrekking is genomen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 1] op goede gronden ongegrond verklaard.

2.1.2. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.1.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.2. Ten aanzien van het hoger beroep van b&w.

2.2.1. Er is in dit geval geen publiekrechtelijke grondslag voor het vorderen van wettelijke rente. Het ongeschreven recht, noch een analoge toepassing van het burgerlijk recht kan zo'n bevoegdheid in het leven roepen. Weliswaar is in het bestuursrecht het beginsel aanvaard dat wat onverschuldigd is betaald, kan worden teruggevorderd, maar dit beginsel heeft slechts bestuursrechtelijke gevolgen wanneer zijn werking zich doet gevoelen in door het bestuursrecht beheerste verhoudingen, zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 oktober 1996, H01.96.0142 (AB 1996/496). Indien, zoals in dit geval, een toegekende subsidie wordt ingetrokken, kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten worden teruggevorderd op basis van de bevoegdheid de subsidie toe te kennen, aangevuld door de werking van het beginsel dat wat onverschuldigd is betaald, kan worden teruggevorderd. De vordering van wettelijke rente vindt daarentegen geen grondslag in de bevoegdheid subsidie toe te kennen en valt derhalve buiten een door het bestuursrecht beheerste rechtsverhouding. Een dergelijke vordering kan slechts worden gebaseerd op het burgerlijk recht. Dit is alleen anders indien een specifieke publiekrechtelijke grondslag kan worden aangewezen. Weliswaar wordt in het Voorontwerp Algemene wet bestuursrecht Vierde Tranche van de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht, Den Haag 1999, in Titel 4.4. een regeling voorgesteld voor bestuursrechtelijke geldschulden, waarin afdeling 4.4.2 bepalingen omvat terzake van verzuim en wettelijke rente, maar hierover heeft de wetgever nog niet beslist. B&w konden [appellant sub 1] niet bij het besluit van 20 mei 1998 de verplichting opleggen om ƒ 205.696,17 (€ 93.340,85) aan wettelijke rente te betalen en bepalen dat deze zal oplopen, totdat hij de hoofdsom, alsmede de alsdan verschuldigde wettelijke rente, volledig heeft voldaan. De rechtbank heeft het besluit van 20 mei 1998 in zoverre terecht vernietigd.

2.2.2. Het hoger beroep van b&w is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.2.3. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter w.g. Sparreboom

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

195-55.