Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5066

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200105581/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105581/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Rooms Katholieke Parochie van de Heilige Johannes de Doper, gevestigd te Hoeven,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 28 september 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 1999 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge (hierna: burgemeester en wethouders) besloten om de kerk en pastorie op het perceel plaatselijk bekend Sint Jansstraat 38-40, kadastraal bekend sectie D, nummer 3552, te Hoeven op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

Bij besluit van 21 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften voor de gemeente Halderberge van 24 mei 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 28 september 2001, verzonden op 2 oktober 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door C. Voet-Nuiten en A.P.M. de Jong, beiden ambtenaar van de gemeente Halderberge, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening gemeente Halderberge 1997 (hierna: de Monumentenverordening), voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders een onroerend goed aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Monumentenverordening, voor zover hier van belang, vragen burgemeester en wethouders advies aan de monumentencommissie, voordat zij over de aanwijzing een besluit nemen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening inzake de monumentencommissie voor de gemeente Halderberge (hierna: de Verordening inzake de monumentencommissie), voor zover hier van belang, bestaat de commissie uit (…)

b. vier leden die kunnen worden beschouwd als specifiek deskundig op cultuurhistorisch, kunsthistorisch en architectonisch gebied;

c. een lid die tevens zitting heeft in de welstandscommissie (…).

2.2. Evenals de rechtbank ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders op basis van het advies van de monumentencommissie en bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot plaatsing van de pastorie op de gemeentelijke monumentenlijst hebben kunnen besluiten. Daartoe overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat het advies van de monumentencommissie tot plaatsing van de pastorie op de gemeentelijke monumentenlijst op onzorgvuldige wijze of in strijd met de Monumentenverordening of de Verordening inzake de monumentencommissie tot stand is gekomen. Anders dan appellante betoogt is er, mede gelet op de ter zitting gegeven toelichting over de deskundigheid van de leden van de monumentencommissie, geen reden om aan hun deskundigheid te twijfelen.

Weliswaar bestrijdt appellante dat de ensemblewaarde een selectiecriterium is voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst, maar met burgemeester en wethouders is de Afdeling van oordeel dat het begrip ‘ensemblewaarde’, hoewel deze niet letterlijk als criterium wordt genoemd, valt binnen het onderdeel “Planologische, landschappelijke en stedenbouwkundige betekenis” van de lijst met selectiecriteria. In dat onderdeel wordt in een vijftal criteria duidelijk aangegeven, dat de situering van een monument moet worden bezien in een groter geheel. Dat de monumentencommissie de ensemblewaarde van de pastorie en de kerk als selectiecriterium heeft betrokken in haar advisering, is, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, niet onjuist.

Ook het in beroep door appellante overgelegde tegenadvies van het Bureau Archeologische Architectuur en Cultuurhistorie, is, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, op zich zelf onvoldoende om tot de conclusie te komen dat burgemeester en wethouders het advies van de monumentencommissie niet aan hun besluit tot plaatsing van de pastorie op de gemeentelijke monumentenlijst ten grondslag mochten leggen.

2.3. Het betoog van appellante dat burgemeester en wethouders hebben nagelaten invulling te geven aan hun eigen verantwoordelijkheid door bij de besluitvorming te volstaan met een verwijzing naar het advies van de Monumentencommissie, treft geen doel. Van een schending van artikel 3:49 van de Awb is geen sprake, nu uit de stukken blijkt dat het primaire besluit tot plaatsing van de pastorie op de gemeentelijke monumentenlijst vergezeld van een omschrijving van het object en een gefundeerd advies van de Monumentencommissie aan appellante is verzonden.

2.4. Appellante stelt voorts tevergeefs dat de rechtbank is voorbij gegaan aan het gebrek dat burgemeester en wethouders hebben nagelaten om naar aanleiding van het bezwaar het besluit volledig te heroverwegen. Appellante heeft in haar bezwaarschrift aangevoerd dat de kerk en de pastorie niet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. In het advies van de commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften voor de gemeente Halderberge dat ten grondslag heeft gelegen aan de beslissing op bezwaar, wordt dit bezwaar inhoudelijk weerlegd. Van strijd met artikel 7:11 van de Awb is geen sprake.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

229-408.