Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5059

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200200486/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200486/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2001 heeft de gemeenteraad van Bergen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 5 juni 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Wellerlooi".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 4 december 2001, kenmerk 2001/52597, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2002, waar appellanten in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door

mr. W.H. Janssen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn verschenen de gemeenteraad, vertegenwoordigd door

drs. H.M. Arts, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. R. Keuken, advocaat te Waalre.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan herziet een aantal verouderde bestemmingsplannen voor de kom van Wellerlooi. Het plan maakt onder meer de bouw van zes seniorenwoningen op de hoek van de Catharinastraat en de Kruisstraat (voormalige Rabobank) mogelijk.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit waarbij verweerders goedkeuring hebben verleend aan het plan. Appellanten voeren als bezwaar van formele aard aan dat zij het bestreden besluit nooit van verweerders hebben ontvangen.

2.3.1. Met betrekking tot dit bezwaar stelt de Afdeling vast dat de door appellanten gestelde onregelmatigheden, wat daar ook van zij, van na het nemen van het bestreden besluit zijn en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten.

Deze onregelmatigheden kunnen dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het besluit.

2.4. Appellanten voeren tevens als formeel bezwaar aan dat alvorens het plan kan worden goedgekeurd, eerst de procedure over de bouwvergunning moet zijn afgerond.

2.4.1. De Afdeling ziet geen wettelijke grondslag voor de stelling van appellanten dat indien een bestemmingsplan en een bouwvergunning naast elkaar in procedure zijn, over de goedkeuring van het plan pas mag worden beslist op het moment dat de bouwvergunningprocedure is afgerond. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de bestemmingsplanprocedure aan wettelijke termijnen is gebonden.

2.5. Appellanten zijn van mening dat er geen behoefte is aan seniorenwoningen in Wellerlooi, maar wel aan eengezinswoningen. Het bouwplan past volgens appellanten niet in het dorpsbeeld van Wellerlooi. Appellanten zijn van mening dat zij aan het vorige bestemmingsplan “Kom Wellerlooi” uit 1968 het vertrouwen mochten ontlenen dat geen massale bebouwing wordt opgericht. De rooilijn van de zes seniorenwoningen is volgens appellanten willekeurig bepaald, terwijl in het vorige bestemmingsplan “Kom Wellerlooi” uit 1968 de rooilijn op 8 meter van de wegrooilijn is bepaald. Appellanten vrezen verder dat de bouw van de zes seniorenwoningen zal leiden tot aantasting van hun privacy, verlies aan lichtinval in hun woning, overlast en waardevermindering van hun woning en tuin. Tevens zijn appellanten van mening dat er onvoldoende parkeerplaatsen zijn en verkeersonveilige situaties zullen ontstaan.

2.6. De gemeenteraad stelt dat uit de Woningmarktverkenning 1997 die de gemeente Bergen heeft laten verrichten blijkt dat de komende jaren een accentverschuiving plaatsvindt van jong naar oud. De komende jaren nemen volgens de gemeenteraad het aantal gezinnen en oudere huishoudens toe. Na 2002 zet de vergrijzing door. De woningvoorraad dient derhalve te worden aangepast aan de behoeften van oudere huishoudens. Onder de huishoudens die verhuizen gaat de grootste voorkeur uit naar half-vrijstaande huizen en ouderenwoningen. Gezien deze ontwikkeling acht de gemeenteraad het van groot belang in Wellerlooi een aantal seniorenwoningen te bouwen. De gemeenteraad stelt dat het vorige bestemmingsplan “Kom Wellerlooi” uit 1968 op de hoek van de Catharinastraat en de Kruisstraat eveneens bebouwing met een behoorlijke massa toeliet, waarbij het perceel met gebruik van een vrijstellingsbepaling maximaal 60% kon worden bebouwd. Tevens voorzag het vorige bestemmingsplan “Kom Wellerlooi” uit 1968 naast woningbouw ook in een winkel, horeca of een ambachtsbedrijf. In het nieuwe plan is slechts de bouw van zes woningen mogelijk waardoor volgens de gemeenteraad de gestelde overlast gering zal zijn. Bij het bepalen van de rooilijn heeft de gemeenteraad gekeken naar de aanwezige bebouwing aan de Catharinastraat en de Kruisstraat, waarbij de rooilijn van de [locatie] als referentiepunt is gebruikt. Volgens de gemeenteraad leidt de bouw van de zes seniorenwoningen niet tot parkeeroverlast en vermindering van de verkeersveiligheid, aangezien er voldoende parkeermogelijkheden zijn, het zicht in de bocht van de Catharinastraat en de Kruisstraat niet verslechtert en op grond van het verkeersveiligheidsplan van de gemeente Bergen de bebouwde kom van Wellerlooi een 30-km zone wordt en het kruispunt van de Catharinastraat en de Kruisstraat zal worden voorzien van een verhoogd plateau.

2.7. Verweerders hebben geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan goedgekeurd. Zij onderschrijven het standpunt van de gemeenteraad. Bovendien zijn zij van mening dat bedenkingen van appellanten die het concrete bouwplan en de uitvoering ervan betreffen, niet aan de orde kunnen komen in de bestemmingsplanprocedure. Gezien het onderzoek door de gemeente Bergen onderschrijven zij de behoefte aan seniorenwoningen in Wellerlooi. Volgens verweerders is de locatie geschikt en zijn er geen stedenbouwkundige bezwaren tegen de omvang van de zes seniorenwoningen, gezien de functie, de centrale ligging en de nabijheid van meerdere grotere bebouwingen. De belangen van appellanten worden gezien de wijze waarop de zes seniorenwoningen in het plan zijn bestemd niet onevenredig aangetast.

2.8. De Afdeling is niet gebleken dat de behoefte aan seniorenwoningen in Wellerlooi ontbreekt. Zij neemt hierbij in aanmerking het onderzoek van de gemeente Bergen uit 1997 en de actualisatie hiervan uit 2001. Hieruit blijkt dat door de toenemende vergrijzing de behoefte aan seniorenwoningen in de kernen van de gemeente Bergen, waaronder ook Wellerlooi toeneemt. Ten aanzien van de door appellanten gestelde behoefte aan eengezinswoningen merkt de Afdeling op dat het plan hiervoor de mogelijkheid biedt door in het bestemmingsplan “Wellerlooi” achter de woningen aan de Vinkenkamp vijf woningen te bestemmen.

2.8.1. De Afdeling deelt niet het standpunt van appellanten dat de zes seniorenwoningen niet passen in het dorpsbeeld van Wellerlooi. Zij neemt hierbij in aanmerking de planologische mogelijkheden van het vorige bestemmingsplan “Kom Wellerlooi” uit 1968. Op grond van dit plan had het perceel de bestemming ”Woningen”, vrijstaande en dubbele woningen, klasse B. Ingevolge artikel IV, lid 1, sub d, onder B van de planvoorschriften bij dat plan mochten als hoofdgebouw vrijstaande eengezinshuizen en twee huizen aaneengebouwd worden met een minimale goothoogte van 5 meter en een maximale goothoogte van 6 meter. Met gebruik van de vrijstelling als bedoeld in artikel VIII, lid 2, onder b van de voorschriften van het vorige bestemmingsplan “Kom Wellerlooi” uit 1968 kon het perceel voor maximaal 60% worden bebouwd.

2.8.2. Ten aanzien van het niet vasthouden aan het planologisch regiem van het vorige bestemmingsplan “Kom Wellerlooi” uit 1968 overweegt de Afdeling dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Aan de gemeenteraad komt de bevoegdheid toe op grond van gewijzigde planologische inzichten andere bestemmingen of voorschriften in een plan op te nemen. In dit geval is sprake van gewijzigde planologische inzichten als gevolg van de toenemende behoefte aan seniorenwoningen in Wellerlooi.

2.8.3. De Afdeling is niet gebleken dat in het vorige bestemmingsplan “Kom Wellerlooi” uit 1968 de rooilijn op 8 meter van de wegrooilijn is bepaald. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat in artikel IV, lid 1, sub a van de voorschriften van het vorige bestemmingsplan “Kom Wellerlooi” uit 1968 alleen is bepaald dat de voorgevel van elk gebouw in of evenwijdig aan de naar de zijde van de weg gekeerde bebouwingsgrens moet worden geplaatst. Hieruit blijkt niet hoe groot de afstand van de rooilijn tot aan de wegrooilijn is. De Afdeling is van oordeel dat de gemeenteraad de rooilijn van de [locatie] op goede gronden als referentiepunt hebben genomen, aangezien de rooilijnen van de overige bebouwingen aan de Catharinastraat voor het overgrote deel op gelijke afstand van de wegrooilijn liggen. Voor zover appellanten verwijzen naar pagina 40 van het plan, merkt de Afdeling op dat dit onderdeel uitmaakt van de toelichting van het plan en daarmee niet bindend is.

2.8.4. Ten aanzien van de gestelde aantasting van de privacy en verlies aan lichtinval overweegt de Afdeling dat in dit geval de privacy en de lichtinval niet in zeer ernstige mate zullen worden aangetast. Ten aanzien van de gestelde waardevermindering van de woning en de tuin overweegt de Afdeling dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat deze zodanig zal zijn dat verweerders hieraan in redelijkheid een doorslaggevende betekenis hadden moeten toekennen. De Afdeling neemt hierbij nog in aanmerking dat het plan naar aanleiding van de bezwaren van appellanten op een drietal punten is aangepast, waardoor het plan minder bezwarend voor hen is geworden.

2.8.5. De Afdeling is niet gebleken dat het bestemmingsplan zal leiden tot parkeerproblemen. Zij neemt hierbij in aanmerking het geringe aantal woningen en de mogelijkheid om op eigen terrein te parkeren. Voor bezoekers is tevens voldoende parkeergelegenheid aanwezig in de directe nabijheid.

2.8.6. De Afdeling is evenmin gebleken dat het bestemmingsplan zal leiden tot verkeersonveilige situaties op de hoek van de Catharinastraat en de Kruisstraat aangezien deze hoek voor een groot deel onbebouwd blijft, waardoor de bocht goed zichtbaar is. In de stelling van appellanten dat de Catharinastraat niet voor 2004 zal worden aangepast in het kader van het verkeersveiligheidsplan van de gemeente Bergen, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Overigens kan het bestemmingsplan niet op verkeersmaatregelen zien.

2.9. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

218-427.