Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5056

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200104768/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104768/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Helden,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2001, kenmerk 35-8, hebben verweerders krachtens de Hinderwet aan [vergunninghouders] een revisievergunning deels verleend en deels geweigerd voor een vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Helden, sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 5 september 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg, en verweerders, vertegenwoordigd door G.P.M. Boonekamp, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is een van de vergunninghouders gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 januari 1994 is in werking getreden de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie, gewijzigd bij wet van 26 april 1995, Stb. 250 (Leemtewet Awb). Uit de daarbij behorende overgangsbepalingen volgt dat het geschil wat betreft de totstandkoming en de inhoud van het besluit dient te worden behandeld met toepassing van het recht dat gold voor 1 januari 1994.

Met ingang van 1 maart 1993 is de Wet milieubeheer in werking getreden. Ingevolge artikel XXII, vierde lid, van de Wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (vergunningen en algemene regels voor inrichtingen; procedures voor vergunningen en ontheffingen; handhaving), Stb. 1992, 414, dient dit geschil wat betreft de inhoud en de totstandkoming van het besluit te worden beoordeeld met toepassing van het vóór 1 maart 1993 geldende recht.

2.2. Verweerders hebben de vergunningverlening gebaseerd op de rechten die volgens hen kunnen worden ontleend aan de revisievergunning die krachtens de Hinderwet op 6 maart 1978 is verleend. Eerder was bij besluit van 6 september 1967 een oprichtingsvergunning krachtens de Hinderwet verleend.

2.3. Appellant betoogt dat verweerders de bestaande rechten onjuist hebben vastgesteld. Hij voert daartoe gronden aan die betrekking hebben op de vergunning van 1967. Ten aanzien van de vergunning van 1978 voert appellant aan dat deze gedeeltelijk is vervallen.

2.3.1. Ingevolge artikel 6a, eerste lid, eerste volzin, van de Hinderwet kan het gemeentebestuur, wanneer een vergunning wordt verzocht of zou moeten worden verzocht voor de uitbreiding of wijziging van een inrichting, ten opzichte waarvan reeds een of meer vergunningen werden verleend, dan wel voor de verandering van een in een zodanige inrichting gebezigde werkwijze, toestaan of verlangen, dat door de betrokkene een verzoek wordt ingediend voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning.

Ingevolge het vierde lid komen alle voorafgaande vergunningen, de inrichting betreffende, te vervallen, wanneer de nieuwe vergunning onherroepelijk is geworden.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, voorzover hier van belang, vervalt de vergunning, wanneer de inrichting niet binnen drie jaren na het onherroepelijk worden van de vergunning voltooid en in werking is gebracht.

Ingevolge het derde lid vervalt, wanneer een gedeelte van de inrichting is verwoest dan wel gedurende drie achtereenvolgende jaren buiten werking is geweest, de vergunning voor dat gedeelte.

2.3.2. Gelet op artikel 6a, vierde lid, van de Hinderwet is de vergunning van 1967 vervallen op het moment dat de vergunning van 1978 onherroepelijk werd. De vergunning van 1978 is daarom het uitgangspunt bij de vaststelling van de bestaande rechten.

2.3.3. De vergunning van 1978 zag op een uitbreiding van het aantal vleesvarkens van 200 naar in totaal 500 vleesvarkens. Op de plattegrondtekening behorend bij die vergunning was de stal verdeeld in een bestaand deel van 43 meter lengte en aansluitend een “eventuele uitbreiding” van 39 meter lengte. De uitbreiding van de stal is nooit gerealiseerd. Het geding spitst zich toe op de vaststelling van het aantal vleesvarkens dat in het bestaande gedeelte was vergund.

Noch op de tekening, noch in de overige stukken behorend bij de vergunning van 1978 is vermeld hoeveel vleesvarkens in het bestaande deel mochten worden gehouden en hoeveel in het nieuwe deel. In het bestreden besluit hebben verweerders, in reactie op de bedenkingen van appellant, de verhouding tussen de 200 al aanwezige vleesvarkens en de 300 “nieuwe” vleesvarkens vergeleken met de verhouding tussen de afmetingen van het bestaande deel en die van de uitbreiding. Nu deze verhoudingen niet met elkaar overeenkomen, menen zij dat een deel van de 300 nieuwe varkens in de bestaande stal zou worden gehuisvest. Zij menen dat nu de bestaande stal ruimte bood voor 400 vleesvarkens en dit aantal ook gemiddeld steeds is gehouden, de vergunning slechts voor 100 vleesvarkens is vervallen.

De Afdeling stelt met verweerders vast dat het, gezien de afmetingen van het bestaande deel en de uitbreiding, aannemelijk is dat de vergunning niet zag op huisvesting van alle 300 nieuwe vleesvarkens in het nieuwe deel, maar dat een aantal in het bestaande deel was vergund. De stelling van appellant dat de vergunning van 1978 voor slechts 200 vleesvarkens in stand is gebleven, acht de Afdeling daarom niet juist.

De redenering van verweerders in het bestreden besluit is echter niet consequent, nu volgens hen een aantal van 400 vleesvarkens in het bestaande deel mocht worden gehuisvest en dus 100 vleesvarkens in het nieuwe deel. Een dergelijke verdeling komt namelijk evenmin overeen met de verhouding tussen de afmetingen van het bestaande deel en de uitbreiding. Verder hebben verweerders miskend dat bij het niet oprichten van een stalgedeelte de vergunning ingevolge artikel 27 vervalt voor de dieren die in dat deel zouden worden gehouden, ongeacht of het veebestand elders in de inrichting is gehouden. Dat in de bestaande stal 400 vleesvarkens konden worden gehouden en feitelijk ook zijn gehouden, maakt nog niet dat de vergunning van 1978 daarop recht gaf.

Daargelaten de juistheid van het betoog van appellant dat had moeten worden uitgegaan van de hokverdeling, is de vaststelling door verweerders van de rechten die nog aan de vergunning van 1978 kunnen worden ontleend, in strijd met het motiveringsbeginsel.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu de omvang van de rechten die aan de vergunning van 1978 kunnen worden ontleend mede bepalend is voor een oordeel over de beroepsgrond inzake stankhinder, behoeft deze geen behandeling.

2.5. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Helden van 28 augustus 2001, kenmerk 35-8;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Helden in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Helden te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Helden aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.P.H. Donner, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele, ambtenaar van Staat.

Het Lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van der Weele

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

152-327.