Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5053

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200106276/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 4:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/247

Uitspraak

200106276/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Algemeen Directeur van de RDW,

appellant,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 8 november 2001 in het geding tussen:

Radrema auto’s B.V., gevestigd te Maastricht

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2001 heeft appellant onder toepassing van de artikelen 62, eerste lid, en 65, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) de aan Radrema auto’s B.V. (hierna: Radrema) verleende erkenning bedrijfsvoorraad ingetrokken voor een periode van zes weken.

Bij uitspraak van 12 juni 2001 heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de president) het besluit tot ongegrondverklaring van het hiertegen door Radrema gemaakte bezwaar vernietigd.

Bij besluit van 8 oktober 2001 heeft appellant het bezwaar tegen het primaire besluit andermaal ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 november 2001, verzonden op 12 november 2001, heeft de president het daartegen door Radrema ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2002 heeft Radrema van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, werkzaam bij de RDW, en Radrema, vertegenwoordigd door haar [directeur] diens [echtgenote], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat appellant op grond van artikel 65, tweede lid, van de WVW bevoegd was in het onderhavige geval een sanctie op te leggen en dat het door appellant ter zake gevoerde beleid, als verwoord in de toezichtbeleidsbrief van 15 februari 1999 (VIZ 99/170), niet onredelijk is.

2.2. De president heeft overwogen dat appellant – andermaal – niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het nadeel dat eiseres stelt te lijden als gevolg van de opgelegde sanctie, niet onevenredig is in verhouding tot het met die sanctie te dienen doel. Appellant had het effect van de voorgenomen sanctie op de bedrijfsvoering dienen te onderzoeken, onder meer door het schadebedrag te relateren aan andere bedrijfsgegevens zoals de (te verwachten) omzet. Het was daarbij aan appellant zich van de benodigde gegevens te voorzien door deze op te vragen bij openbare registers dan wel bij Radrema.

2.3. De Afdeling is met appellant van oordeel dat voor de door de president aangelegde maatstaf geen steun is te vinden in het recht. In het algemeen geldt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)). Tevens dient het bestuursorgaan zich er van te vergewissen dat de nadelige gevolgen van het voorgenomen besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb).

Teneinde inhoud te kunnen geven aan genoemde bepalingen is van belang dat het bestuursorgaan de belanghebbende tijdig in de gelegenheid stelt bijzondere omstandigheden naar voren te brengen. Daartoe bestaat ingevolge artikel 4:8 van de Awb de gelegenheid voorafgaande aan het primaire besluit. Zonodig kan dit tevens in de bezwaarschriftenprocedure geschieden, al dan niet tijdens de hoorzitting.

De Afdeling stelt vast dat Radrema dienovereenkomstig de gelegenheid is geboden relevante feiten en omstandigheden aan te voeren. Met name wordt hier gewezen op de brief van appellant van 24 juli 2001, waarbij Radrema onder meer is gevraagd opgave te doen van de directe financiële schade die zij naar verwachting zal lijden als gevolg van de bestreden intrekking. In reactie hierop heeft Radrema bij brief van 13 september 2001, voorzover hier van belang, meegedeeld dat de directe schade kan worden begroot op ƒ 19.352,84, doch dat met name wordt gevreesd voor met de intrekking samenhangende indirecte schade. Bij brief van 24 september 2001 heeft Radrema appellant bericht af te zien van een (tweede) hoorzitting.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat appellant Radrema bij het voorbereiden en nemen van het bestreden besluit op afdoende wijze in de gelegenheid heeft gesteld relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Tot meer was appellant niet gehouden. De president heeft dit miskend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en overweegt daartoe als volgt.

2.5. Appellant hanteert met betrekking tot het opleggen van sancties een beleid dat is neergelegd in de toezichtbeleidsbrief van 15 februari 1999. Daarin is neergelegd een gedifferentieerd systeem van in ernst en gewicht oplopende overtredingen met daaraan gekoppelde, in zwaarte oplopende sancties, waarbij in algemene zin reeds rekening is gehouden met de bedrijfseconomische belangen van erkenninghouders. De in het bestreden besluit gehandhaafde sanctie, waarbij is gekozen voor de minimum intrekkingsduur van zes weken, is in overeenstemming met dit beleid. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden aan de zijde van Radrema die appellant noopten in afwijking van zijn beleid te beslissen. De door Radrema aangevoerde (bedrijfseconomische) omstandigheden kunnen niet als zodanig worden aangemerkt, aangezien zij veeleer behoren tot de normale gevolgen van een besluit tot intrekking van de erkenning. Die omstandigheden zijn - zoals hiervoor reeds is overwogen - in genoemd beleid verdisconteerd.

Gelet op het vorenoverwogene acht de Afdeling de opgelegde maatregel - ook nu deze een punitief karaker heeft - niet onevenredig in verhouding tot de ernst van de geconstateerde overtreding. De Afdeling zal dan ook het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 8 november 2001, AWB 01/1394 WET V; AWB 01/1395 WET VV KLR;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat;.

w.g. Van Dijk w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

97-395.