Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200104711/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104711/1.

Datum uitspraak:10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 26 juli 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2000 heeft de Medisch Adviseur Scheepvaart geweigerd een geneeskundige verklaring voor de aanvraag van het klein vaarbewijs af te geven.

Bij besluit van 17 oktober 2000 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juli 2001, verzonden op 13 augustus 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2002 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. G.B. Honders, advocaat te Amsterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. W.F. Brieër, drs. G.F. van Muilwijk, P.C. Klaassen en mr. A.J. Kramers, allen ambtenaar bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van de Minister. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Binnenschepenwet (hierna: de wet) worden door de Minister vaarbewijzen afgegeven die geldig zijn voor de vaart op alle binnenwateren. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat deze vaarbewijzen onder meer kunnen zijn: kleine vaarbewijzen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet vindt afgifte van een vaarbewijs plaats na overlegging van verklaringen, waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen, die betrekking hebben op de algemene lichamelijke geschiktheid en de geschiktheid van de gezichts- en gehoororganen.

Ingevolge artikel 21, eerst lid, van de wet onderzoeken de door de Minister aangewezen artsen of door de aanvrager van een vaarbewijs wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet en geven zij een verklaring af indien het onderzoek met gunstig gevolg heeft plaatsgevonden.

Het onderzoek bedoeld in artikel 21 kan ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, achterwege blijven indien de aanvrager het klein vaarbewijs wenst te verkrijgen. Wel moet in dat geval ingevolge artikel 23, tweede lid uit een eigen verklaring blijken dat de aanvrager lichamelijk geschikt is, in het bijzonder voor wat betreft zijn gezichts- en gehoororganen, voor het beoefenen van de vaart op de binnenwateren.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit vaarbewijzen binnenvaart (hierna: het Besluit) is geregeld dat het geneeskundig onderzoek ter afgifte van de geneeskundige verklaring betrekking heeft op de lichamelijke toestand van de aanvrager in het algemeen en in het bijzonder op de gehoorscherpte.

In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit is bepaald dat door de aanvrager van het klein vaarbewijs in de plaats van de geneeskundige verklaring een eigen verklaring kan worden overgelegd.

Op grond van het vijfde lid van artikel 7 van het Besluit vaarbewijzen kan, indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst, door een deskundige bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet een geneeskundige verklaring worden afgegeven indien hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden.

Ingevolge het zesde lid van artikel 7 van het Besluit geschiedt het opmaken en het beoordelen van de eigen verklaring met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen regelen.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Regeling geneeskundig onderzoek vaarbewijzen binnenvaart (hierna: de Regeling) wordt de eigen verklaring die op enige afwijking wijst, voorzien van een aantekening van een arts, niet zijnde de behandelend arts van de aanvrager, waaruit de aard en de ernst van de afwijking blijkt.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Regeling kan, in de gevallen waarin de eigen verklaring op enige afwijking wijst, de deskundige de aanvrager oproepen voor een nader onderzoek en verwijst hij, indien nodig, de aanvrager voor een deelonderzoek door naar een specialist.

Indien de aanvrager na het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, ongeschikt wordt verklaard, kan hij ingevolge artikel 11, derde lid, van de Regeling zich voor een geneeskundig onderzoek wenden tot een arts, overeenkomstig de procedure, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, met dien verstande dat het heronderzoek, bedoeld in artikel 6, niet wordt verricht door een deskundige die de eigen verklaring van de aanvrager reeds heeft beoordeeld.

In Bijlage I, paragraaf 4, van de Regeling, handelende over het gehoorvermogen, is in onderdeel a bepaald dat het gehoor als voldoende wordt beschouwd wanneer door een aanvrager fluisteren met of zonder gehoorapparaat, aan weerszijden duidelijk wordt verstaan op een afstand van twee meter, indien de aanvrager ouder dan 25 jaar is. In onderdeel c is bepaald dat het gehoorverlies van het beste oor gemiddeld niet meer dan 40 dB mag bedragen voor de frequenties 500, 100 en 2000 Hz.

2.2. Bij brief van 9 mei 2000 is door [arts], de afgifte van een geneeskundige verklaring voor de aanvraag van het klein vaarbewijs geweigerd. Door deze weigering is niet voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 19 van de wet. Gelet hierop verstaat de Afdeling de brief van 9 mei 2000 als een weigering tot afgifte van een klein vaarbewijs. Hoewel niet is gebleken, ook niet uit het na de zitting door de Minister opgestuurde Besluit mandaat, volmacht en machtiging Directoraat-Generaal Goederenvervoer van 21 oktober 1997/GIJ-97008272, dat [arts] bevoegd was de afgifte van evengenoemde geneeskundige verklaring te weigeren, hoeft dit niet tot de conclusie te leiden dat het primaire besluit niet in stand kan blijven. Nu de Minister de beslissing op bezwaar van 17 oktober 2000 heeft genomen, wordt het geconstateerde bevoegdheidsgebrek geheeld geacht.

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in artikel 11 van de Regeling bij het geneeskundig onderzoek aan de onderzoeker beoordelingsvrijheid is gegeven, omdat in dit artikel niet uitdrukkelijk is bepaald dat het nader geneeskundig onderzoek dient te geschieden met inachtneming van de keuringseisen, als opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling. De onderzoeker had dan ook alleen moeten bepalen of zijn gehoorafwijking het veilig varen nadelig zou beïnvloeden. Volgens appellant beïnvloedt zijn congenitale doofheid het veilig varen niet nadelig, omdat hij in staat is fluisteren op een afstand van twee meter te verstaan en dat het gehoorverlies aan zijn goede oor niet meer dan 40 dB bedraagt.

Voorts betoogt appellant dat - gelet op de beoordelingsvrijheid aan de zijde van de onderzoeker - plaats is voor analoge toepassing van de keuringsvereisten voor het rijvaardigheidsbewijs. Volgens hem leidt toepassing van de verschillende toetsingseisen tot willekeur en onverklaarbare rechtsongelijkheid.

2.4. Het betoog van appellant slaagt niet. In het Besluit en de Regeling komen nadere bepalingen voor met betrekking tot de eigen verklaring. Indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst, moet door de deskundige worden beoordeeld of de afwijking het veilig varen zal beïnvloeden. De deskundige vormt zijn oordeel hierover op basis van de keuringseisen

en -aanwijzingen als opgenomen in paragraaf 4, Bijlage I van de Regeling. Terzake van de interpretatie van de in deze paragraaf opgenomen woorden “aan weerszijden” heeft de Minister ter zitting een toelichting gegeven, inhoudende dat de huidige regeling een vertaling is van de Duitse regeling dienaangaande en dat de Regeling in essentie niet verschilt van het Keuringsbesluit vaarbewijzen binnenvaart, welke van kracht was voordat de Regeling in werking trad. Ingevolge Bijlage I, paragraaf 2 van het Keuringsbesluit vaarwijzen binnenvaart moeten op afstand gefluisterde woorden, met of zonder gebruik van een gehoorapparaat, met elk oor afzonderlijk, onder afsluiting van het andere oor duidelijk worden verstaan. De achtergrond hiervan is dat het voor de veilige vaart van belang is dat schippers de diverse geluidsseinen kunnen herkennen en kunnen horen uit welke richting deze seinen komen. Nu appellant aan de linkerzijde volledig doof is, heeft de Minister terecht op 17 oktober 2000 de afgifte van het vaarbewijs geweigerd.

De beoordeling van de rijvaardigheid vindt op grond van andere regelgeving plaats, zodat daaraan geen conclusies kunnen worden verbonden ten aanzien van de geschiktheid van appellant voor het besturen van een vaartuig. Niet valt in te zien dat dit leidt tot willekeur en een onverklaarbare rechtsongelijkheid.

2.5. De Afdeling komt, zij het langs een andere weg, tot dezelfde conclusie als de rechtbank. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

97-395.