Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5038

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
200201532/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201532/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de gemeenteraad van Veere, op voorstel van burgemeester en wethouders van 19 juni 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Kom Domburg 2e herziening".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 22 januari 2002, kenmerk 020665/611/8, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2002, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat te Den Haag, en verweerders, vertegenwoordigd door ir. E.A. Dekker, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is verschenen de gemeenteraad, vertegenwoordigd door M. Jonker, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet onder meer in een aanpassing van de hoogtebepaling van het vorige bestemmingsplan “Kom Domburg”.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen voor zover verweerders daarbij goedkeuring hebben verleend aan artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften waarin de hoogtebepaling van gebouwen is neergelegd. Appellanten zijn van mening dat artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften ten onrechte in de mogelijkheid voorziet de maximaal toelaatbare hoogte van gebouwen te overschrijden ten behoeve van niet ondergeschikte bouwdelen, waardoor een nieuwe bouwlaag van 4 m hoogte en tot 50% van het grondoppervlak van een gebouw mogelijk wordt. Zij vinden dit planvoorschrift te ruim en onduidelijk. Verder stellen appellanten zich op het standpunt dat na de hoorzitting ingevolge artikel 27, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten onrechte nog een onderhoud tussen verweerders en de gemeente Veere is geweest ter voldoening aan artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht, waar zij niet bij zijn betrokken.

2.4. De gemeenteraad stelt dat artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften niet de oprichting van een 4 m hoge verdieping over 50% van het grondoppervlak van een gebouw mogelijk maakt. Hij voert hiertoe aan dat de op de plankaart aangegeven hoogtemaat mag worden overschreden met dakruimten, mits meer dan 50% van de dakruimte wordt afgedekt door een hellend vlak. De gemeenteraad voert verder aan dat de zinsnede “van de af te dekken gedeelten” aan artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften is toegevoegd om aan te geven dat de oppervlakte van de horizontale dakvlakken van de dakruimten gekoppeld moet worden aan de oppervlakte van de dakruimte en niet aan het grondoppervlak van een gebouw. Volgens de gemeenteraad is een nieuwe verdieping tot 4 m hoogte tot de helft van het grondoppervlak van een bestaand gebouw niet mogelijk.

2.5. Verweerders hebben geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan goedgekeurd. Zij onderschrijven het standpunt van de gemeenteraad. In het verweerschrift hebben verweerders verwezen naar de toelichting van het plan op pagina 25 en bijlage 8 van het plan. Verweerders zijn van mening dat uit de tekeningen van bijlage 8 van het plan blijkt dat een extra verdieping van 4 m hoogte zonder hellende dakvlakken tot de helft van het oorspronkelijke gebouw niet mogelijk is, omdat de projectie van de horizontale dakvlakken kleiner moet zijn in oppervlakte dan de projectie van hellende dakvlakken. Volgens verweerders voorkomt de regeling van de maximale breedte van de gevelvlakken tevens dat omvangrijke verhogingen met nagenoeg (horizontale) dakvlakken kunnen ontstaan. Verweerders constateren dat artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften niet voldoende duidelijk is en achten derhalve een verduidelijking van artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften gewenst. Volgens verweerders heeft de gemeente Veere in de brief van 11 januari 2002 aangegeven artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften te verduidelijken bij de komende derde planherziening in het tweede kwartaal van 2002. Ten aanzien van de planprocedure zijn verweerders van mening dat aan artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht op de juiste wijze uitvoering is gegeven.

2.6. Met betrekking tot de gevolgde procedure overweegt de Afdeling dat artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht met zich brengt dat verweerders, als toezichthoudend orgaan aan de gemeenteraad gelegenheid tot overleg bieden. Appellanten kunnen aan deze bepaling geen recht ontlenen om in dat stadium van de planprocedure bij het overleg tussen verweerders en de gemeenteraad te worden betrokken.

2.7. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften wordt de maximaal toelaatbare hoogte van gebouwen op de plankaart aangegeven door het in een bebouwingsvlak ingeschreven Arabische cijfer. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, onder 1, van de planvoorschriften mag de maximaal toelaatbare hoogte van gebouwen worden overschreden door dakruimten, mits:

- het gezamenlijke oppervlak van (nagenoeg) horizontale dakvlakken niet meer bedraagt dan 50% van het gezamenlijke grondoppervlak van de af te dekken gedeelten van het bouwwerk;

- de hoogte van de overschrijding niet meer dan 4.00 m bedraagt;

- de breedte van gevelvlakken, niet zijnde een topgevel, niet meer bedraagt dan 40% van de breedte van de onderliggende gevel.

Ingevolge artikel 1, vijftiende lid, van de planvoorschriften wordt onder dakruimte verstaan delen van gebouwen die de op de kaart aangegeven maximale hoogte in meters overschrijden.

2.7.1. De Afdeling is van oordeel dat de zinsnede “van de af te dekken gedeelten van het bouwwerk” in artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften niet buiten twijfel stelt dat de oppervlakte van horizontale dakvlakken van de dakruimten gerelateerd moet worden aan de oppervlakte van de dakruimte zelf en niet aan 50% van het grondoppervlak van het gebouw.

Hetgeen verweerders hebben gesteld omtrent de toelichting van het plan en bijlage 8 van het plan doet hieraan niet af. Immers de plantoelichting en bijlage 8 van het plan maken geen deel uit van de planvoorschriften en zijn derhalve niet juridisch bindend. Uit een oogpunt van rechtszekerheid behoort de tekst van het planvoorschrift zelf duidelijk te zijn. Hoewel verweerders in het bestreden besluit erkennen dat de tekst van het bestreden planvoorschrift aanpassing behoeft, hebben zij ten onrechte aan het plan in zoverre geen goedkeuring onthouden doch ingestemd met de toezegging van de gemeenteraad dat het planvoorschrift zal worden hersteld met de volgende planherziening in het tweede kwartaal van 2002.

2.7.2. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met het beginsel van rechtszekerheid. Door het plan niettemin goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien door alsnog goedkeuring te onthouden aan artikel 3, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften.

2.8 Verweerders dienen op de navolgende wijze in de proceskosten van appellanten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zeeland, kenmerk 020665/611/8, voor zover aan artikel 3, eerste lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Kom Domburg 2e herziening” goedkeuring is verleend;

III. onthoudt goedkeuring aan artikel 3, eerste lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Kom Domburg 2e herziening”;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Zeeland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zeeland te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de provincie Zeeland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

12-427.