Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4890

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200106095/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200106095/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 29 oktober 2001 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord van de gemeente Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 1998 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, aangeschreven tot het verwijderen van vuil c.q. afvalmaterialen op het achterterrein, het snoeien en verwijderen van overtollige/hogeropgaande begroeiing, alsmede het verwijderen van vuil c.q. afvalmaterialen, etensresten en uitwerpselen van dieren uit de benedenwoning van de woning op het perceel kadastraal Charlois, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te Rotterdam binnen vier werkdagen na dagtekening van dat besluit. Daarbij is bepaald dat bij voorraad aan de aanschrijving moet worden voldaan.

Bij besluit van 18 maart 1999 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, in die zin dat de aanschrijving van 23 juni 1998 onder wijziging en aanvulling van de gronden wordt gehandhaafd. Dit besluit en het ongedateerde advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 oktober 2001, verzonden op 30 oktober 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 januari 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2002 heeft het dagelijks bestuur een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door gemachtigde en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. W.R. Scheffer, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van appellant dat hij ten onrechte geen vooraanschrijving heeft ontvangen en het dagelijks bestuur hem derhalve niet voorafgaande aan de aanschrijving in overeenstemming met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehoord, faalt. Nu sprake is van een aanschrijving die verband houdt met ernstige hinder en bij voorraad (direct) ten uitvoer moet worden gebracht, kon, gelet op artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht, het dagelijks bestuur toepassing van artikel 4:8 achterwege laten.

2.2. Ook het betoog van appellant, dat in de procedure bij de rechtbank de goede procesorde is geschonden, faalt. Daarbij overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank appellant ten onrechte niet in staat heeft gesteld het woord te voeren, nu uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat [gemachtigde 1] dit namens appellant heeft gedaan en hij daartoe door appellant is gemachtigd.

2.3. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders indien een woning, woonkeet of woonwagen wordt bewoond op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, de hoofdgebruiker of elke afzonderlijke gebruiker aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de bewoning in overeenstemming met die voorschriften te brengen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders, indien de staat van een open erf of terrein niet voldoet aan de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, degene, die als eigenaar of uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de staat in overeenstemming met die voorschriften te brengen.

Ingevolge artikel 21, tweede lid, van de Woningwet moet degene, tot wie de aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger, ook al is die aanschrijving nog niet onherroepelijk, bij voorraad aan die aanschrijving voldoen, indien burgemeester en wethouders daarin vermelden, dat deze verband houdt met gevaar of ernstige hinder.

2.4. Ingevolge artikel 7.3.2, aanhef en onder b, van de Bouwverordening Rotterdam (hierna: de bouwverordening) is het verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf of terrein, voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te gebruiken, waardoor op of voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, rook, roet, walm, stof of vocht wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein.

Ingevolge artikel 7.4.1, tweede lid van de bouwverordening dienen voorraden en afval op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.

Ingevolge artikel 5.1.1 van de bouwverordening moeten open erven en terreinen zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden. Open erven en terreinen mogen gevaar opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van drassigheid, stank, verontreiniging, aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte of de aanwezigheid van begroeiing.

De genoemde bevoegdheden komen op grond van de Verordening op de deelgemeenteraden van de gemeente Rotterdam toe aan het dagelijks bestuur.

2.5. In aanmerking genomen de bevindingen van de Gemeentelijke gezondheidsdienst, zoals die blijkt uit de brief van 8 april 1998 en de rapportage van 19 juni 1998 van de inspecteur woningtoezicht, heeft de rechtbank terecht overwogen dat sprake was van overtreding van vermelde artikelen uit de bouwverordening. Ook in hoger beroep is niet gebleken dat het dagelijks bestuur zijn standpunt over ernstige vervuiling van de woning, stankoverlast en wildgroei van de achtertuin niet hebben kunnen baseren op genoemde rapportages.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur zich terecht bevoegd heeft geacht de aanschrijving te doen uitgaan. Voorts heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van een zodanige ernstige situatie dat opruimen op korte termijn en dus toepassing van artikel 21, tweede lid, van de Woningwet was geboden.

2.7. Verder faalt het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan zijn bevoegdheid zoals hij heeft gedaan. In de gegeven omstandigheden heeft het dagelijks bestuur, gelet op hetgeen op grond van de last van appellant werd gevergd en de in het geding zijnde volksgezondheidsbelangen, kunnen volstaan met een begunstigingstermijn van vier werkdagen na dagtekening van het besluit. Dat, naar appellant stelt, hij het besluit eerst anderhalve dag na aanvang van die termijn heeft ontvangen maakt dat niet anders. Niet kan worden staande gehouden dat het onmogelijk was om binnen de gestelde termijn aan de aanschrijving te voldoen, te meer nu in deze termijn een weekeinde lag besloten.

2.8. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat in voldoende mate aan de opgelegde last was voldaan zodat feitelijke uitoefening van bestuursdwang achterwege had moeten blijven, mist feitelijke grondslag. Voldoende aannemelijk is geworden dat niet volledig aan de aanschrijving was voldaan.

2.9. Voor zover appellant betoogt dat ook waardevolle spullen zijn verwijderd, betreft dat de uitvoering van de aanschrijving. Dit valt buiten het onderwerp van het geschil.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

52-412.