Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4885

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
E01.97.0129/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E01.97.0129/1

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de vereniging "Algemeen Belang", gevestigd te Teuge, de stichting

"Stichting Luchtvaarthinder", gevestigd te Apeldoorn, en de

vereniging "Algemeen Belang Wilp-Achterhoek", gevestigd te

Wilp-Achterhoek,

5. [appellanten sub 5], wonend te Twello,

6. [appellant sub 6], wonend te Twello,

7. [appellanten sub 7], beiden wonend te Twello,

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 1996 heeft de gemeenteraad van Voorst, op voorstel van burgemeester en wethouders van dezelfde datum, vastgesteld het bestemmingsplan "Luchthaven Teuge". Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 3 februari 1997, no. RG96.40167, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Bij brief van 13 augustus 1998 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 maart 1999. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2001, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn als partij de gemeenteraad van Voorst en de N.V. Luchthaven Teuge gehoord.

[appellant sub 6] alsmede [appellanten sub 7] zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.2. Het beroep van de vereniging "Algemeen Belang", de stichting “Stichting Luchtvaarthinder” en de vereniging "Algemeen Belang Wilp-Achterhoek" (verder: de vereniging e.a.) voorzover gericht tegen het plandeel met de bestemming “Sportterrein”, steunt niet op een bij verweerders ingebrachte bedenking.

In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een bij gedeputeerde staten ingebrachte bedenking. Dit is slechts anders voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een bedenking in te brengen.

Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor. Het beroep van de vereniging e.a. is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de zaak voor het overige

Plandoelstelling

2.3. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de gronden van alsmede nabij het luchtvaartterrein Teuge en beoogt een uitbreiding van het terrein, een verlenging van de verharde oost-west-baan en de aanleg van een aangrenzend bedrijventerrein mogelijk te maken.

Het plan is voorzover het de terreinuitbreiding en baanverlenging betreft, gebaseerd op de gewijzigde aanwijzing ingevolge artikel 27 van de Luchtvaartwet (verder: het A-besluit) en de bijbehorende aanwijzing ingevolge artikel 26 van de Luchtvaartwet in samenhang met artikel 37 van de WRO (verder: het RO-besluit).

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan voorzover hier van belang, goedgekeurd.

Formele bezwaren

2.4. De vereniging e.a. stellen in beroep dat in de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp-plan de zakelijke inhoud van het ontwerp-plan onvoldoende duidelijk is beschreven. Niet is vermeld dat een bepaald agrarisch perceel bij het te ontwikkelen bedrijventerrein is betrokken.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb), bij de openbare kennisgeving, voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerp-plan, kan worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud.

Het ontwerp van het thans voorliggende plan is ter inzage gelegd met ingang van 4 april 1996. Hiervan is kennisgegeven op 3 april 1996. In de kennisgeving is aangegeven wat het plan mogelijk maakt. Aangezien de kennisgeving geen specifieke opgave bevat van de gronden waarop het plan betrekking heeft, heeft deze naar het oordeel van de Afdeling niet de indruk kunnen wekken dat het gemeentebestuur beoogde een limitatieve opsomming van de in het plan begrepen gronden te geven. Dit is overigens ook niet wettelijk voorgeschreven.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp-plan, in strijd met vorengenoemde wetsartikelen, de zakelijke inhoud van het ontwerp-plan onvoldoende duidelijk is beschreven. Verweerders hebben in voorliggend bezwaar derhalve terecht geen aanleiding gezien om het plan niet goed te keuren.

2.5. De vereniging e.a. hebben bezwaar tegen de afhandeling van de zienswijzen. Naar hun mening hadden de zienswijzen niet moeten worden behandeld door ambtenaren die betrokken waren bij het opstellen van het plan. Tevens stellen appellanten dat in het voorstel van burgemeester en wethouders voor de weerlegging van zienswijzen ten onrechte wordt verwezen naar eerder behandelde zienswijzen.

2.5.1. De Afdeling overweegt eerst dat ingevolge artikel 23, tweede lid, derde volzin, van de WRO de gemeenteraad degenen die tijdig hun zienswijzen kenbaar hebben gemaakt, in de gelegenheid stelt tot het geven van een nadere mondelinge toelichting. In voorliggend geval hebben de indieners van zienswijzen deze toelichting kunnen geven op 12 juni 1996 voor een commissie uit de gemeenteraad. Hiermee is voldaan aan het bepaalde in de wet. Voorts is van belang dat appellanten door de ambtelijke ondersteuning bij de behandeling van de zienswijzen niet in hun belangen zijn geschaad. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de betrokkenheid van de desbetreffende ambtenaren bij het opstellen van het plan, wat daar op zichzelf ook van zij, niet leidt tot een vooringenomen besluit, aangezien uiteindelijk de gemeenteraad na de nadere mondelinge toelichting van de zienswijzen beslist omtrent de vaststelling van het plan.

Verder overweegt de Afdeling dat in het voorstel van burgemeester en wethouders tot planvaststelling gereageerd wordt op de ingediende zienswijzen. Ten aanzien van meerdere malen gemaakte bezwaren is daarbij verwezen naar de eerste keer dat op het betrokken bezwaar is gereageerd. Gelet op het grote aantal zienswijzen en het herhaaldelijk maken van inhoudelijk dezelfde bezwaren bestaat geen grond voor het oordeel dat het gemeentebestuur niet tot een dergelijk verwijzen had mogen overgaan. Niet is aannemelijk geworden dat, in strijd met het motiveringsbeginsel, enige zienswijze in overwegende mate buiten beschouwing is gelaten.

Gelet op het vorenstaande is de afhandeling van de zienswijzen niet in strijd met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Verweerders hebben dan ook terecht in het voorliggende bezwaar geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.6. De vereniging e.a. stellen in beroep dat de terinzagelegging van het vastgestelde plan ten onrechte in de zomervakantie heeft plaatsgevonden.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat het vastgestelde plan ter inzage heeft gelegen van 11 juli 1996 tot en met 7 augustus 1996. De WRO noch Awb verzet zich tegen terinzagelegging gedurende deze periode. Derhalve is het bestreden besluit niet genomen in strijd met deze wetten. In het onderhavige bezwaar hebben verweerders dus terecht geen aanleiding gezien om het plan niet goed te keuren.

2.7. [appellant sub 3] en de vereniging e.a. stellen in beroep dat de bestemmingsplanprocedure ten onrechte reeds in gang is gezet voordat het A-besluit en RO-besluit waren vastgesteld.

2.7.1. De Afdeling overweegt dat het ontwerp van voorliggend plan ter inzage heeft gelegen van 4 april 1996 tot en met 1 mei 1996. Het A-besluit en RO-besluit zijn vastgesteld op 19 april 1996. Tegen deze gang van zaken verzetten de WRO noch de Luchtvaartwet (verder: de Lvw) zich. In zoverre hebben verweerders dan ook terecht geen grond aanwezig geacht om aan het plan goedkeuring te onthouden.

Bezwaar inzake de toetsing aan het streekplan

2.8. [appellant sub 2] en de vereniging e.a. stellen in beroep dat verweerders bij de beoordeling van het onderhavige plan ten onrechte zijn uitgegaan van het Streekplan Gelderland 1996. Volgens hen had moeten worden uitgegaan van het Streekplan Veluwe, dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog van kracht was en niet voorzag in de met het plan beoogde ontwikkelingen.

2.8.1. De Afdeling overweegt dat het Streekplan Veluwe op 25 september 1996 is vervangen door het Streekplan Gelderland 1996. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold derhalve het Streekplan Gelderland 1996. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dienen verweerders omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan te beslissen aan de hand van het dan geldende streekplan. Bij de beoordeling van voorliggend bestemmingsplan zijn verweerders dus terecht uitgegaan van het Streekplan Gelderland 1996 en niet van het Streekplan Veluwe.

Bezwaren inzake het luchtvaartterrein

2.9. [appellant sub 2], [appellant sub 3], de vereniging e.a., [appellanten sub 5] en [appellanten sub 7] stellen dat ten onrechte het plandeel met de bestemming “Luchthaven” is goedgekeurd. De hierdoor toegestane verlenging van de oost-west-baan achten zij strijdig met het rijksbeleid zoals dat is opgenomen in nadergenoemde stukken. Ook zijn volgens hen de economische haalbaarheid alsmede de gevolgen voor milieu en veiligheid onvoldoende onderzocht. Tot slot achten appellanten de keuze voor verlenging van de oost-west-baan onvoldoende onderbouwd.

2.9.1. De Afdeling overweegt dat verweerders de aan de orde zijnde bezwaren van appellanten buiten behandeling hebben gelaten gelet op artikel 30, tweede lid, van de Luchtvaartwet (verder: de Lvw). In dit artikellid is bepaald dat zienswijzen als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de WRO die kenbaar zijn gemaakt omtrent het ontwerp van een bestemmingsplan dat ter uitvoering van de in artikel 26, eerste lid, bedoelde aanwijzingen en voorschriften wordt vastgesteld of herzien, geen grond kunnen vinden in bedenkingen tegen de aanwijzing van het luchtvaartterrein of de in artikel 26, eerste lid, bedoelde aanwijzingen en voorschriften.

Nu het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan, zoals reeds overwogen, ter inzage is gelegd voor de vaststelling van het A-besluit en RO-besluit, doet zich hier niet de situatie voor van een ontwerp van een plan dat dient ter uitvoering van de aanwijzing van het luchtvaartterrein of de in artikel 26, eerste lid, van de Lvw bedoelde aanwijzing en voorschriften. In zoverre kan artikel 30, tweede lid, van de Lvw dan ook niet van toepassing zijn. Derhalve hebben verweerders de onderhavige bezwaren niet buiten behandeling kunnen laten.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Derhalve zijn de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], de vereniging e.a., [appellanten sub 5] en [appellant sub 7] in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd wat betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Luchthaven”. Aangezien de onderhavige bezwaren feitelijk grond vinden in bedenkingen tegen het A-besluit en het RO-besluit en nu deze bezwaren bij uitspraak van 6 maart 2002, no. 200001849/1 (aangehecht), ongegrond zijn verklaard in het kader van de beroepen tegen de beslissingen op bezwaar inzake het A-besluit en RO-besluit, ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb goedkeuring te verlenen aan het evengenoemde plandeel.

2.10. De vereniging e.a. stellen in beroep dat in de regeling van de bestemming “Luchthaven” ten onrechte de aanleg van baanverlichting is toegestaan. Zij vrezen hiermee dat het luchtvaartterrein ook buiten de daglichtperiode zal worden gebruikt.

2.10.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 6, derde lid, van de planvoorschriften, voorzover hier relevant, op de gronden met evengenoemde bestemming verlichtingsmasten tot een maximale hoogte van 12 meter aanwezig mogen zijn. Op deze manier maakt het plan het aanbrengen van baanverlichting mogelijk. Dit betekent echter niet dat het luchtvaartterrein ook buiten de daglichtperiode kan worden gebruikt. Een dergelijk gebruik is immers slechts toegestaan, indien de aanwijzing op grond van de Lvw dit toestaat.

Gelet op het vorenoverwogene hebben verweerders in onderhavig bezwaar geen aanleiding behoeven te zien om het aan de orde zijnde planonderdeel niet goed te keuren. Op dit punt is het beroep van de vereniging e.a. dus ongegrond.

2.11. De vereniging e.a. stellen in beroep dat in de regeling van de bestemming “Luchthaven” ten onrechte geen beperkingen zijn opgenomen voor het aantal stunt- en helikoptervluchten en het aantal recreatie-, terrein- en circuitvluchten tijdens de weekeinden.

2.11.1. De Afdeling overweegt dat de aanwijzing ingevolge de Lvw voorschriften bevat waarin beperkingen zijn aangebracht aangaande het gebruik van de luchthaven voor bepaalde, nadergenoemde vluchten. Zo mag het aantal helikoptervluchten in een jaar niet meer bedragen dan 400. Daarnaast is in de evengenoemde voorschriften bepaald op welke dagen en tijden circuit-, reclamesleep-, kunst- en valschermvluchten zijn toegestaan. Niet is aannemelijk gemaakt dat naast deze beperkingen, uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, in voorliggend plan nadere beperkingen voor de in het geding zijnde vluchtsoorten moeten worden opgenomen.

Gezien het voorgaande hebben verweerders in hetgeen appellanten hebben aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding gezien om aan het desbetreffende planonderdeel goedkeuring te onthouden. Op dit punt is het beroep van de vereniging e.a. dus ongegrond.

2.12. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 6] en [appellanten sub 7] stellen in beroep dat zij ten onrechte voor de uitbreiding van het luchtvaartterrein bedrijfsgronden zullen moeten afstaan. Onduidelijk is hoe zij hiervoor zullen worden gecompenseerd. Voorts vrezen appellanten door de uitbreiding in de exploitatie van hun agrarische bedrijven te worden beperkt. Daarnaast merkt [appellanten sub 7] op dat niet alle gronden ingevolge de Lvw als luchtvaartterrein zijn aangewezen.

2.12.1. De Afdeling overweegt dat appellanten de in het geding zijnde gronden in eigendom dan wel gebruik hebben voor de uitoefening van hun agrarische bedrijven. De gronden hebben in het plan de bestemming “Luchthaven” gekregen. Derhalve zijn zij, aldus artikel 6, eerste lid, onder 1 (Doeleinden), van de planvoorschriften bestemd voor een luchthaven met daarbij behorende start- en landingsbanen en gebouwen. Uitoefening van een agrarisch bedrijf is ter plaatse niet toegestaan.

Bij de goedkeuring van de betrokken plandelen hebben verweerders het belang van uitbreiding van de luchthaven een groter gewicht toegekend dan het belang van behoud van de agrarische bedrijfsgronden. Niet is aannemelijk gemaakt dat verweerders niet in redelijkheid tot een dergelijke belangenafweging hebben kunnen komen. Hierbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking.

Allereerst is het grootste deel van de in het geding zijnde gronden ingevolge de Lvw aangewezen als luchtvaartterrein. Voorzover dit niet het geval is, vormen de gronden in ruimtelijk opzicht één geheel met de wel als zodanig aangewezen gronden. Het betreft hier aangrenzende gronden waarvan het gebruik eveneens aanzienlijk dient te worden beperkt uit een oogpunt van veiligheid. In zoverre ligt in dit geval een zelfde bestemming als de wel ingevolge de Lvw aangewezen gronden in de rede.

Verder is van betekenis dat voor appellanten enkele mogelijkheden van compensatie bestaan. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de luchthaven beschikt over agrarisch bestemde gronden ten noordoosten van het plangebied in ruil voor gronden die nodig zijn voor de uitbreiding van het luchtvaartterrein. Mocht een dergelijke uitwisseling van gronden niet tot de mogelijkheden behoren, dan bestaat nog de mogelijkheid van financiële compensatie in het kader van verkoop of onteigening.

Ten slotte is, gelet op de evengenoemde mogelijkheden van compensatie alsmede de uit het deskundigenbericht gebleken verhouding tussen de totale bedrijfsoppervlakten en de af te stane gronden, een wezenlijke aantasting van de bedrijfsexploitatie bij het afstaan van gronden niet aannemelijk geworden.

Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding hebben behoeven te zien het plan op dit punt niet goed te keuren. Derhalve zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 6] en [appellanten sub 7] in zoverre ongegrond.

2.13. [appellant sub 2] stelt in beroep dat hij ten onrechte zal worden beperkt in de gebruiksmogelijkheden van de bedrijfsgronden die hij niet behoeft af te staan. Door dergelijke beperkingen ten behoeve van het luchtvaartterrein komt volgens hem een verantwoorde exploitatie van zijn bedrijf in het geding.

2.13.1. De Afdeling overweegt dat de in het geding zijnde gronden niet begrepen zijn in het voorliggende plan. Derhalve kan het eventueel beperkte gebruik van de gronden in deze procedure niet ter beoordeling staan. Reeds hierom is het beroep van [appellant sub 2] in zoverre ongegrond.

2.14. [appellanten sub 5] stelt in beroep dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het bebouwingsvlak ten zuiden van de baanverlenging, waarmee het oprichten van gebouwen wordt toegestaan. Volgens haar zal dergelijke bebouwing de visuele beleving van de omgeving en haar landgoed ’t Hartelaar ernstig aantasten.

2.14.1. De Afdeling overweegt dat de in het geding zijnde gronden thans onbebouwd zijn. Het landgoed van appellante ligt ten zuiden van de gronden en heeft een vrij uitzicht op de gronden. Tussen partijen staat vast dat bebouwing op de gronden ten zuiden van de baanverlenging de visuele beleving van de omgeving en het landgoed zal aantasten. Niet aannemelijk is echter dat deze aantasting zodanig zal zijn dat verweerders reeds om deze reden goedkeuring hadden moeten onthouden aan het betrokken planonderdeel. Naast de afstand tussen de betrokken gronden en het landgoed ’t Hartelaar neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat het plan de aanleg van een groenstrook ter afscherming van de beoogde gebouwen mogelijk maakt.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid het aan de orde zijnde bebouwingsvlak hebben kunnen goedkeuren. Op dit punt is het beroep van [appellanten sub 5] derhalve ongegrond.

Bezwaren inzake verkeer

2.15. [appellant sub 1] en de vereniging e.a. stellen in beroep dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de afsluiting van de weg De Zanden. Volgens hen worden de nadelige gevolgen van deze maatregel onvoldoende gecompenseerd. Verder voeren de vereniging e.a. aan dat bij het uitgevoerde akoestisch onderzoek de gevolgen voor de Rijksstraatweg onvoldoende en de gevolgen voor de Ganzevlesweg niet zijn onderzocht.

2.15.1. De Afdeling overweegt dat De Zanden voor alle soorten van verkeer de kortste verbindingsweg vormt tussen de kern De Vecht ten noorden van de luchthaven en de kern Teuge ten zuiden van luchthaven. Daarnaast wordt de weg gebruikt door recreanten om uitzicht hebben op het luchtvaartterrein. [appellant sub 1] gebruikt de weg om vanaf zijn boerderij in de kern Teuge zo spoedig mogelijk bij zijn bedrijfsgronden ten noorden van de luchthaven te geraken.

Teneinde de verlenging van de start- en landingsbaan op het vliegveld mogelijk te maken zal een deel van De Zanden worden afgesloten. Hiertoe is aan de desbetreffende gronden de bestemming “Luchthaven” toegekend. Ter compensatie van deze afsluiting maakt het plan de aanleg van een fietspad langs de oostgrens van de luchthaven mogelijk. Van gemeentezijde is verklaard dat dit pad ook toegankelijk zal worden gemaakt voor gemotoriseerd verkeer door eigenaren van aan het fietspad grenzende gronden en door inwoners voor wie de verkeersroute anders 1,5 keer zo lang is als de route over het fietspad, waaronder [appellant sub 1].

Onbetwist is dat met de aanleg van het fietspad een verbinding tussen beide kernen voor fietsverkeer gewaarborgd is. Verder overweegt de Afdeling dat het plan weliswaar de aanleg van een fietspad toestaat, doch dat dit niet in de weg staat aan het met behulp van wegenverkeersmaatregelen toegankelijk maken van het pad voor een beperkte groep van gemotoriseerd verkeer. Tot slot is gesteld noch gebleken dat de andere bestaande wegen tussen Teuge en De Vecht het verkeer dat geen gebruik kan maken van het fietspad, niet kunnen verwerken. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen reden om aan te nemen dat de nadelige gevolgen van de afsluiting van De Zanden onvoldoende gecompenseerd worden.

Voorzover de vereniging e.a. pleiten voor ondertunneling van de in het geding zijnde weg in plaats van afsluiting, merkt de Afdeling op dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gezien het vorenstaande hebben verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich hier niet voordoet.

2.15.2. Voorts overweegt de Afdeling dat bij de voorbereiding van het plan onderzoek is verricht naar de akoestische gevolgen van de gedeeltelijke afsluiting van De Zanden en de aansluiting van een resterend deel van De Zanden op de Rijksstraatweg door middel van een rotonde. Hierbij is bezien of en in welke mate de verkeersintensiteit op de andere wegen in het plangebied, waaronder ook de Ganzevlesweg, zal toenemen als gevolg van de afsluiting van De Zanden. Ook is in het kader van het onderzoek bekeken of de aanleg van de rotonde een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder vormt. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen de vereniging e.a. hebben aangevoerd geen reden om de volledigheid en juistheid van het uitgevoerde akoestisch onderzoek in twijfel te trekken.

2.15.3. Het voorgaande overziende bestaat geen aanleiding om te oordelen dat verweerders niet in redelijkheid goedkeuring hebben kunnen verlenen aan het plan voorzover dat de afsluiting van De Zanden mogelijk maakt. In zoverre zijn de beroepen van [appellant sub 1] en de vereniging e.a. dus ongegrond.

2.16. [appellant sub 6] stelt in beroep dat ten onrechte het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden” ten oosten van het luchtvaartterrein is goedgekeurd. Hij vreest dat het aldus mogelijk maken van het eerdergenoemde fietspad de bewerking en afwatering van zijn bedrijfsgronden zal bemoeilijken.

2.16.1. De Afdeling overweegt dat het beoogde fietspad de gronden van [appellant sub 6] zal doorsnijden. Niet is aannemelijk geworden dat hierdoor de bewerking en afwatering van de gronden zodanig zullen worden bemoeilijkt dat verweerders in redelijkheid niet meer gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang van het fietspad dan aan het belang van de afwatering van de bedrijfsgronden van appellant. Behalve het hiervoor geschetste belang van het fietspad neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat blijkens het deskundigenbericht een uitvoering van het plan op dit punt zonder wezenlijke benadeling van appellant op voorhand mogelijk moet worden geacht.

Voorzover [appellant sub 6] pleit voor een fietspad ten westen van het luchtvaartterrein is, zoals reeds onder 2.15.1 overwogen, van belang dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan tenzij sprake is van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het vorenstaande in aanmerking genomen hebben verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Gelet op dit alles is de Afdeling van oordeel dat verweerders in redelijkheid het aan de orde zijnde plandeel hebben kunnen goedkeuren. Op dit punt is het beroep van [appellant sub 6] derhalve ongegrond.

2.17. [appellanten sub 5] stelt in beroep dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden”waarmee de rotonde ter aansluiting van De Zanden op de Rijksstraatweg mogelijk wordt gemaakt. Zij meent dat hierdoor de visuele beleving van de omgeving en haar landgoed ’t Hartelaar ernstig zal worden aangetast.

2.17.1. De Afdeling overweegt dat een rotonde meer ruimte vraagt en een ander aanzicht heeft dan een haakse aansluiting. Niet aannemelijk is evenwel dat deze verschillen zodanig zijn dat de vrees bestaat voor een wezenlijke aantasting van de visuele beleving van de omgeving en het landgoed bij aanleg van een rotonde. Voorts heeft appellante het standpunt van verweerders dat een rotonde uit het oogpunt van verkeersveiligheid te verkiezen is boven een aansluiting als evengenoemd, niet bestreden.

Gelet op het voorgaande oordeelt de Afdeling dat verweerders in voorliggend bezwaar in redelijkheid geen aanleiding hebben behoeven te zien om het aan de orde zijnde plandeel niet goed te keuren. In zoverre is het beroep van [appellanten sub 5] dan ook ongegrond.

Bezwaren inzake het bedrijventerrein

2.18. De vereniging e.a. en [appellanten sub 5] stellen in beroep dat het plan ten onrechte de komst mogelijk maakt van een bedrijventerrein op gronden met een gelijknamige bestemming die ten zuiden van het luchtvaartterrein liggen.

De vereniging e.a. zijn van mening dat het bedrijventerrein te groot wordt, nu de noodzaak ontbreekt om een deel van de gronden tussen het voormalige defensiecomplex en de Kromme Beek bij het terrein te betrekken. Voorts stellen zij dat onvoldoende duidelijk is welke bedrijven ter plaatse zijn toegestaan. Tot slot dient, aldus de vereniging e.a., tussen de woningen aan de Rijksstraatweg en het bedrijventerrein een bufferzone van ten minste 80 meter in acht te worden genomen ter beperking van overlast.

[appellanten sub 5] vreest met de komst van het bedrijventerrein voor een ernstige aantasting van de visuele en akoestische beleving van de omgeving en haar landgoed.

2.18.1. De Afdeling overweegt dat bij de planopstelling is uitgegaan van de herinrichting van het voormalige defensiecomplex ten zuiden van de luchthaven tot bedrijventerrein. Ter ontsluiting van dit terrein alsmede het luchtvaartterrein is in het plan een weg voorzien over de gronden van het oude defensiecomplex. Hierdoor werd het beoogde bedrijventerrein verdeeld in twee ongelijke delen: het oostelijke gedeelte was kleiner dan het westelijke. Uit een oogpunt van een evenwichtige ruimtelijke inrichting en teneinde een rendabele bedrijfsvoering op het oostelijke gedeelte mogelijk te maken heeft de gemeenteraad besloten het deel van de gronden gelegen tussen het voormalige defensiecomplex en de Kromme Beek dat grenst aan het oostelijke gedeelte van het te ontwikkelen bedrijventerrein, bij dit terrein te betrekken.

Onder de vorengenoemde omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen instemmen met het betrekken van een deel van de gronden tussen het voormalig defensiecomplex en de Kromme Beek bij het bedrijventerrein. Verder hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het terrein aldus zodanig groot wordt, dat verweerders in zoverre aan het plan goedkeuring hadden moeten onthouden.

2.18.2. Wat betreft de toegestane bedrijven overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften de gronden met de bestemming “Bedrijventerrein” onder meer bestemd zijn voor gebouwen ten dienste van luchtvaartgebonden bedrijven- en instellingen, geen inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijnde, die:

a. voorzover het betreft gronden met de aanduiding I op de plankaart, niet toelaatbaar zijn aan de rand van woonbebouwing en/of zodanig gesitueerd zijn dat aan- en afvoer geen onaanvaardbare hinder voor de woonomgeving kan opleveren met een minimale afstand tot de dichtstbij gelegen woningen (met uitzondering van dienstwoningen) van 20 meter;

b. voorzover het betreft gronden met de aanduiding II op de plankaart, geheel gescheiden dienen te zijn van woonwijken met een minimale afstand tot de dichtstbij gelegen woningen (met uitzondering van dienstwoningen) van 80 meter;

c. voorzover het betreft de gronden met de aanduiding III op de plankaart, geheel gescheiden dienen te zijn van woonwijken met een minimale afstand tot de dichtstbij gelegen woningen (met uitzondering van dienstwoningen) van 180 meter.

De Afdeling stelt vast dat in het plan niet is aangegeven wat moet worden verstaan onder luchtvaartgebonden bedrijven en instellingen. Evenmin maakt het plan duidelijk op grond waarvan wordt bepaald of dergelijke bedrijven en instellingen wel of niet gescheiden dienen te zijn van woonbebouwing. Ten slotte vermeldt het plan ook niet aan de hand waarvan wordt bepaald welke minimale afstand tot de dichtstbij gelegen woningen voor een bepaalde categorie van bedrijven en instellingen geldt. Gelet hierop oordeelt de Afdeling, anders dan verweerders, dat het plan in zoverre niet voldoende duidelijk is om ongewenste situaties te voorkomen.

2.18.3. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat de goedkeuring van het plan op dit punt in strijd is met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid. In zoverre zijn de beroepen van de vereniging e.a. en [appellanten sub 5] dus gegrond, zodat het bestreden besluit vernietigd dient te worden wat betreft het plandeel met de bestemming “Bedrijventerrein” en artikel 7 van de planvoorschriften. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb goedkeuring te onthouden aan de evengenoemde planonderdelen. In verband hiermee behoeven de overige argumenten van de vereniging e.a. en [appellanten sub 5] geen bespreking meer. Hetzelfde geldt voor het bezwaar van de vereniging e.a. en [appellant sub 3] tegen de bouwhoogten en het bebouwingspercentage die op het bedrijventerrein zijn toegestaan.

Overigens merkt de Afdeling ten aanzien van de bouwhoogten en het bebouwingspercentage op dat deze niet zodanig zijn dat gevreesd moet worden voor een wezenlijke aantasting van het landelijk karakter van de omgeving. Hierbij is van belang dat het plan tussen de woongebieden en het bedrijventerrein de aanleg van een afschermende groenstrook mogelijk maakt. Daarnaast wijst de Afdeling erop dat in het plan eveneens een groenstrook is toegestaan om het bedrijventerrein af te schermen voor de grotendeels onbebouwde gronden die ten oosten van het terrein liggen.

Bezwaren inzake bomen en bossen

2.19. De vereniging e.a. stellen in beroep dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de bestemmingen “Luchthaven”, “Bedrijventerrein”, “Verkeersdoeleinden” en “Groenvoorziening”, voorzover die zijn toegekend aan gronden met volgens hen waardevolle bomen of bossen. Zij voeren aan dat de betrokken waarden onvoldoende worden beschermd.

2.19.1. De Afdeling overweegt dat het hier allereerst betreft gronden met de bestemming “Luchthaven” die liggen in het noorden alsmede oosten van het plangebied. Bescherming van de ter plaatse aanwezige begroeiing, waaronder beuken, is in het plan gewaarborgd door middel van het in artikel 6, vijfde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningstelsel voor het vellen, rooien of beschadigen van hoogopgaand geboomte, hagen, hout- en struikgewas, indien hiervoor de Boswet en/of krachtens die wet gestelde voorschriften niet van toepassing zijn dan wel het vellen, rooien of beschadigen niet behoort tot het normale onderhoud. Verlening van een aanlegvergunning vindt niet plaats dan na toetsing aan de beschrijving in hoofdlijnen waarin de wenselijke bescherming van de beuken is opgenomen, aldus het zevende lid van artikel 6. Niet is aannemelijk gemaakt dat de betrokken bomen of bossen van een zodanige waarde zijn dat verweerders het plan in zoverre niet hebben kunnen goedkeuren zonder een verdergaande bescherming van de bomen of bossen dan de evengenoemde. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de betrokken gronden ingevolge de Lvw zijn aangewezen als luchtvaartterrein.

Verder betreft voorliggend bezwaar gronden met de bestemmingen “Bedrijventerrein”, “Verkeersdoeleinden” en “Groenvoorziening” die gelegen zijn in het zuiden van het plangebied. Op deze gronden bevinden zich een aantal eiken. Uit de stukken, in het bijzonder het deskundigenbericht, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de eiken een zodanige waarde vertegenwoordigen dat dit aanleiding had moeten zijn om de desbetreffende bomen in aanvulling op hetgeen bij of krachtens de Boswet is voorzien, te beschermen.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders in het onderhavige bezwaar van appellanten in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om goedkeuring te onthouden aan de in het geding zijnde plandelen. Het beroep van de vereniging e.a. is op dit punt dan ook ongegrond.

2.20. De vereniging e.a. stellen in beroep dat ten onrechte de bestemming “Luchthaven”en nadere aanduiding “zone voor bosaanplant” van gronden op het ingevolge de Lvw aangewezen luchtvaartterrein zijn goedgekeurd. Zij achten hiermee de compensatie voor te verwijderen bos onvoldoende verzekerd.

2.20.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 6, eerste lid, onder 2 (Beschrijving in hoofdlijnen), van de planvoorschriften op de in het geding zijnde gronden wordt voorzien in de aanleg van nieuw bos met een oppervlakte van ten minste 1,7 hectare ter compensatie van een te kappen nadergenoemd bosperceel. Gezien de bewoordingen van de bepaling stelt zij vast dat het hier gaat om een juridisch bindend deel van de beschrijving in hoofdlijnen. Verder is relevant dat gronden met de bestemming “Luchthaven” behalve voor een luchthaven ook bestemd zijn voor bos, aldus artikel 6, eerste lid, onder 1 (Doeleinden), van de planvoorschriften. In deze bepaling is geen rangorde van doeleinden aangebracht.

Onder genoemde omstandigheden, bezien tegen de achtergrond van de overeenkomst tussen de gemeente Voorst en de N.V. Luchthaven Teuge strekkende tot het aanleggen van bosbeplanting op de in het geding zijnde gronden, acht de Afdeling geen grond aanwezig om aan te nemen dat de compensatie voor te verwijderen bos onvoldoende is gewaarborgd. Aldus hebben verweerders het aan de orde zijnde plandeel in redelijkheid kunnen goedkeuren. In zoverre is het beroep van de vereniging e.a. derhalve ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.21. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 6] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 3], de vereniging e.a. en [appellanten sub 5] dienen verweerders op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellanten sub 7] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de vereniging e.a. voorzover het betreft het plandeel met de bestemming “Sportterrein” niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], de vereniging e.a. voorzover ontvankelijk, [appellanten sub 5] en [appellanten sub 7] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 3 februari 1997, no. RG96.40167, voorzover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming “Luchthaven”;

b. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein";

c. artikel 7 van de planvoorschriften;

IV. verleent goedkeuring aan het onder III.a genoemde plandeel;

V. onthoudt goedkeuring aan de onder III.b en III.c genoemde planonderdelen;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 6] geheel alsmede de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], de vereniging e.a. voorzover ontvankelijk, [appellanten sub 5] en [appellanten sub 7] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Gelderland in de door [appellant sub 2], [appellant sub 3], de vereniging e.a. en [appellanten sub 5] in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.737,00; het bedrag dient door de provincie Gelderland als volgt te worden betaald:

a. aan [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de vereniging e.a. ieder een bedrag

van € 805,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door

een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

b. aan [appellanten sub 5] een bedrag van € 322,00, welk bedrag

geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig

verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant sub 2], [appellant sub 3], de vereniging e.a., [appellanten sub 5] en [appellanten sub 7] de door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierechten (€ 95,29 voor [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 5] en [appellanten sub 7] ieder; € 190,59 voor de vereniging e.a.) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Snijders

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

261-279