Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4880

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200003658/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200003658/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 1999 heeft de gemeenteraad van Middelburg op voorstel van burgemeester en wethouders van 28 september 1999, vastgesteld het bestemmingsplan "Rijksweg N57 (Dammenweg)" en de hiermee samenhangende partiële herzieningen van twaalf bestemmingsplannen.

Het besluit van de gemeenteraad is aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 6 juni 2000, no. 005516/537/7, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan en de partiële herzieningen.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 29 juli 2000, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2000, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 september 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 december 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 april 2001 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door gemachtigden, en verweerders, vertegenwoordigd door ir. E.A. Dekker, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts is namens de gemeenteraad van Middelburg ing. R. Louwes, ambtenaar der gemeente, aldaar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in de aanleg van het gedeelte van het wegtracé van de rijksweg N57 op het grondgebied van de gemeente Middelburg. De partiële herzieningen voorzien in een aantal met de N57 samenhangende flankerende voorzieningen. Bij het bestreden besluit hebben verweerders goedkeuring onthouden aan het plan dat ziet op de aanleg van het wegtracé van de N57 in verband met het niet tijdig verlenen van hogere grenswaarden bij een aantal woningen langs dat tracé. Zij hebben goedkeuring verleend aan de flankerende partiële herzieningen.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Appellanten, allen wonend in de directe omgeving van de President Rooseveltlaan, kunnen zich op de gronden genoemd in hun beroepschrift niet verenigen met de verlening van goedkeuring aan drie flankerende partiële herzieningen die voorzien in de doortrekking en aansluiting van de President Rooseveltlaan op de N57 en in de realisering van de noodzakelijke geluidwerende voorzieningen langs genoemde laan. Deze flankerende partiële herzieningen betreffen de bestemmingsplannen "Veersepoort" (2e herziening), "Klarenbeek III" (1e herziening) en "Noordweg" (1e herziening).

2.5. Appellanten voeren allereerst een aantal bezwaren van formele aard aan. Zij zijn van mening dat voorafgaande aan de bekendmaking van het besluit van verweerders een informatieronde had moeten plaatsvinden. Appellanten hebben er verder bezwaar tegen dat verweerders in hun besluit zijn afgeweken van het advies van de Provinciale Planologische Commissie (hierna: de PPC).

2.5.1. De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende bestemmingsplan en de partiële herzieningen tot stand zijn gekomen met toepassing van de desbetreffende in de Wet op de Ruimtelijke Ordening beschreven procedure. Deze wet kent geen verplichting appellanten in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op het tussen verweerders en het gemeentebestuur gevoerde overleg in het kader van de provinciale goedkeuringsprocedure. In de door appellanten gestelde omstandigheid dat nadere informatie vervat in een brief van het gemeentebestuur aan verweerders van doorslaggevende betekenis voor de besluitvorming is geweest, hebben verweerders geen aanleiding behoeven te zien appellanten de gelegenheid te geven te reageren en/of te informeren voorafgaand aan hun besluit.

Voor zover verweerders in hun besluit zijn afgeweken van het PPC-advies, overweegt de Afdeling dat ter zake van het beslissen over de goedkeuring van een bestemmingsplan het desbetreffende college van gedeputeerde staten bevoegd is. De adviezen van de PPC binden verweerders niet.

2.5.2. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat de beroepstermijn mede in verband met de vakantieperiode te kort was, overweegt de Afdeling dat het besluit van verweerders met ingang van 17 juli 2000 gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen. Vast staat dat is voldaan aan de wettelijke eisen met betrekking tot de terinzagelegging. De Wet op de Ruimtelijke Ordening noch de Algemene wet bestuursrecht verzet zich ertegen de terinzagelegging tijdens een vakantieperiode te laten plaatsvinden.

2.5.3. In de formele bezwaren van appellanten ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

2.6. Appellanten hebben bezwaren tegen de gehanteerde verkeers- en geluidsprognoses en het daarop gebaseerde akoestische onderzoek. Zij zijn van mening dat deze prognoses onnauwkeurig zijn en dat de interpretatie en beoordeling daarvan niet zorgvuldig zijn geschied.

2.6.1. De gemeenteraad heeft gesteld dat is zorggedragen voor een zeer zorgvuldig en zoveel mogelijk op de werkelijke en toekomstige situatie van Walcheren afgestemd verkeersprognosemodel. Daarbij is gebruik gemaakt van het regionale verkeersprognosemodel dat door Adviesbureau DHV is geactualiseerd op basis van gegevens uit 1995. Het akoestische onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de in de Wet geluidhinder voorgeschreven rekenmethode. De gemeenteraad heeft aangegeven dat voor de President Rooseveltlaan sprake is van een reconstructie van deze weg zodat na reconstructie voldaan dient te worden aan de voorkeursgrenswaarde van

50 dB(A). Dit kan worden bereikt door het treffen van geluidwerende maatregelen zo dicht mogelijk bij de geluidsbron, in dit geval door de plaatsing van geluidsschermen, aldus de gemeenteraad.

2.6.2. Verweerders stellen zich op het standpunt dat met het Verkeersmodel Zeeland zoals dat door Adviesbureau DHV is geactualiseerd (hierna: het DHV-model), betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan over de verwachte intensiteit op rijks- en provinciale wegen, waaronder de aansluiting van de President Rooseveltlaan op de N57. Dit model hebben verweerders in navolging van het advies van de subcommissie voor de gemeentelijke bestemmingsplannen van de PPC, vanwege het regionale schaalniveau echter minder geschikt geacht voor het berekenen van de intensiteit westelijker in de President Rooseveltlaan. De gemeente heeft na het gevoerde bestuurlijke overleg aanvullende berekeningen laten uitvoeren met het door Bureau Goudappel Coffeng opgestelde verkeersmodel Middelburg. Naar aanleiding van de gewijzigde intensiteitsberekeningen is een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd door het adviesbureau RBOI. Verweerders zijn van mening dat het onderzoek voldoet aan de daarvoor gestelde eisen en zij achten de bevindingen van het onderzoek aanvaardbaar. Mede op basis van deze gegevens achten verweerders de verwachting gerechtvaardigd dat de geluidsbelasting van de woningen langs de President Rooseveltlaan na aansluiting op de N57 aan de voorkeursgrenswaarde zal voldoen. Zij hebben derhalve ingestemd met de aansluiting van de President Rooseveltlaan op de N57 en de herzieningen in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.6.3. Uit de stukken blijkt dat in het DHV-model gebruik is gemaakt van demografische gegevens uit 1995 en demografische prognoses voor 2010 voor de provincie Zeeland en daarbuiten. Tevens is bij de actualisering van het regionaal verkeersmodel uitgegaan van het wegennetwerk zoals dat in 2010 rondom Middelburg aanwezig zou moeten zijn en is rekening gehouden met de uitbreiding van de diverse stedelijke functies in en rondom Middelburg zoals de bouw van enkele nieuwe woonwijken. Op basis van deze gegevens en rekening houdend met de verschillende weerstanden in de verkeersrelaties zijn de situering en de omvang van de verschillende verkeersstromen bepaald, waarbij ook onderscheid is gemaakt naar verschillende periodes van het jaar.

Op basis van dit model wordt voor de gehele doorgetrokken President Rooseveltlaan per 2010 een etmaalintensiteit geprognosticeerd van 5600 en per 2020 van ongeveer 6350 motorvoertuigen. Deze verkeersintensiteiten zijn gehanteerd om te bepalen welke geluidwerende voorzieningen dienen te worden aangebracht langs de President Rooseveltlaan om te kunnen voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wat betreft de langs de genoemde laan gelegen woningen.

In het advies van de subcommissie gemeentelijke bestemmingsplannen van de PPC is het verkeersmodel uitsluitend geschikt geacht voor het voorspellen van de verkeersintensiteiten op rijkswegen en provinciale wegen waaronder de geprojecteerde aansluiting van de doorgetrokken President Rooseveltlaan op de N57. De subcommissie achtte het onjuist dat voor het akoestisch onderzoek betreffende het deel van de President Rooseveltlaan nabij de woningen van appellanten de verkeersintensiteiten zijn gebruikt die in het DHV-model waren berekend voor de aansluiting van de doortrekking van de genoemde laan op de aan te leggen N57.

Naar aanleiding van dit advies is door het gemeentebestuur een herberekening gemaakt van de te verwachten verkeersintensiteiten in het westelijk deel van de President Rooseveltlaan en van de te verwachten geluidsbelasting op de nabij deze laan gelegen woningen. Deze berekening is gemaakt mede op basis van het stedelijke Verkeersmodel Middelburg van het Bureau Goudappel Coffeng na integratie in het regionaal verkeersmodel. Hieruit blijkt dat de etmaalintensiteit in 2020 wat betreft het oostelijk deel van de President Rooseveltlaan 6910 zal bedragen, voor het middelste deel van de laan 6980 en voor het westelijke deel van de laan 6480-7860.

2.6.4. Appellanten hebben aangevoerd dat bij de berekeningen is miskend dat de President Rooseveltlaan zal gaan fungeren als noordelijke rondweg met als gevolg veel hogere verkeersintensiteiten en een groter aandeel zwaar verkeer.

2.6.5. Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad zich op het standpunt stelt dat de functie van de President Rooseveltlaan beperkt blijft tot die van ontsluiting en verdeling van het stedelijk verkeer. Om eventueel sluipverkeer tegen te gaan zullen verschillende verkeersmaatregelen worden genomen. Een rondwegfunctie is niet aan de orde. Verweerders delen dit standpunt.

2.6.6. In het deskundigenverslag is gesteld dat de doorgetrokken President Rooseveltlaan in combinatie met de aansluiting daarvan op de N57 een belangrijke functie zal vervullen in de stedelijke verkeersstructuur van Middelburg. Wat betreft het gebruik van de laan als mogelijke rondweg voor doorgaand verkeer met bestemmingen buiten Middelburg is gesteld dat hoewel in een aantal gevallen sprake zal zijn van een kortere route via de doorgetrokken President Rooseveltlaan, deze weg geen aantrekkelijke route biedt gelet onder meer op het aantal bochten, rotondes en verkeerslichten. In het regionale verkeersmodel van DHV is in ieder geval uitdrukkelijk rekening gehouden met doortrekking van de President Rooseveltlaan naar de N57. Deze regionale functie zal dus in de geprognosticeerde verkeersintensiteiten tot uitdrukking komen. Voorts is in het stedelijke verkeersmodel van Bureau Goudappel Coffeng ervan uitgegaan dat alle ritten via de snelste route van herkomst naar bestemming worden afgelegd. Nu de snelheid waarmee een bepaalde route kan worden afgelegd voor een belangrijk deel wordt bepaald door de inrichting en vormgeving van deze route, is het aannemelijk dat ook de inrichting van de President Rooseveltlaan in de verkeersmodellen en dientengevolge in de prognoses wat betreft de etmaalintensiteiten tot uitdrukking is gekomen.

De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd en mede gelet op het verhandelde ter zitting geen aanleiding daarover anders te oordelen. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat bij de berekeningen onjuiste verdeelsleutels zijn gehanteerd of dat voor het aandeel zwaar verkeer niet had mogen worden uitgegaan van 5 %.

2.6.7. Appellanten zijn tevens van mening dat een aantal ontwikkelingen zullen leiden tot een verhoging van de verkeersdruk, ten onrechte niet is meegenomen bij de berekeningen van de etmaalintensiteiten zoals het afsluiten van een aantal singels, de uitbreiding van de woonwijk Prooijenspark en de nieuwvestiging van bedrijven en voorzieningen langs de President Rooseveltlaan.

Gelet op de stukken en mede gezien het deskundigenverslag is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat voor zover deze ontwikkelingen al zullen leiden tot een toeneming van de totale hoeveelheid verkeer in de doorgetrokken President Rooseveltlaan, deze een noemenswaardig effect zullen hebben.

2.6.8. Daarnaast stellen appellanten dat ten onrechte wel rekening is gehouden met een aantal nog niet gerealiseerde verkeersdrukverlagende ontwikkelingen met name de aanleg van de rondweg Ramsbrug. Uit de stukken blijkt dat met deze weg wordt beoogd een belangrijke verbinding te verwezenlijken tussen enerzijds de N57 ter hoogte van de Veerseweg en anderzijds het gebied bij het station en het centrum van Middelburg. Deze verbinding is als stedelijke gebiedsontsluitingweg opgenomen in de deels als streekplanuitwerking aangemerkte Regiovisie Walcheren 2000+. Gelet op het toekomstig belang van deze weg, is de Afdeling van oordeel dat verweerders daarmee in redelijkheid rekening konden houden.

2.6.9. Appellanten voeren verder aan het onjuist te achten dat de grove prognoses uit het regionale verkeersmodel zijn gebruikt als invoergegevens voor het stedelijk verkeersmodel. Verweerders hebben dienaangaande aangegeven dat het in een verkeerskundig onderzoek gebruikelijk is om vanuit een globaler model voor een groter gebied met behulp van een meer gedetailleerd model een kleiner gebied daarbinnen te onderzoeken.

De Afdeling acht dit standpunt onjuist noch onredelijk. Niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van invoer van onnauwkeurige en twijfelachtige gegevens afkomstig van het regionale verkeersmodel in het stedelijke verkeersmodel.

2.6.10. De Afdeling is op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, niet gebleken dat de hiervoor genoemde onderzoeken en de gehanteerde berekeningen zodanige gebreken vertonen dat verweerders zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet hadden mogen baseren. Hieruit volgt dat ook niet is gebleken dat deze berekeningen niet in het akoestisch rapport hadden mogen worden gebruikt.

2.6.11. Appellanten hebben voorts als bezwaren tegen het akoestisch rapport aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is of het gebruik van geluidsarm asfalt effectief zal zijn in het verminderen van de berekende geluidbelasting. Ook stellen zij dat ten onrechte het effect van onderbrekingen in de geluidsschermen en het effect van verkeerscongestie niet is meegenomen. Voorts zijn appellanten van mening dat uitgegaan is van een te optimistische geluiddempende werking van de geluidsschermen.

2.6.12. Verweerders hebben overwogen dat bij het onderzoek rekening is gehouden met onder meer de hoogte van de weg, de onderbreking van het scherm bij de Noordweg, het effect van drempels en geluidsschermen en de invloed van congestie. Zij hebben aangegeven te kunnen instemmen met het uitgangspunt van het gemeentebestuur dat door maatregelen aan de bron, in dit geval de toepassing van geluidsarm asfalt in combinatie met geluidsschermen waarin de desbetreffende flankerende herzieningen voorzien, voldaan kan worden aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Dit uitgangspunt is tevens in overeenstemming met de Wet geluidhinder en het provinciale beleid.

2.6.13. In het akoestische rapport van het adviesbureau RBOI betreffende de geluidsbelasting van de aangrenzende woningen langs de President Rooseveltlaan en de te treffen geluidwerende voorzieningen is uitgegaan van andersoortige verhardingen van het wegdek.

Uit de onderzoeken blijkt dat bij gebruikmaking van geluidsarm asfalt en na realisering van de geluidwerende voorzieningen zoals die in de desbetreffende flankerende herzieningen zijn mogelijk gemaakt, de geluidbelasting van nagenoeg alle woningen langs de President Rooseveltlaan onder de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) blijft. In twee gevallen is sprake van een geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde met 0,1 dB en 0,4 dB. Deze waarden kunnen overeenkomstig het bepaalde in het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai naar beneden worden afgerond tot de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).

2.6.14. De Afdeling is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat het akoestisch rapport in strijd met de daaraan door de Wet geluidhinder gestelde eisen tot stand is gekomen of dat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met de door appellanten genoemde aspecten. Verweerders hebben derhalve terecht het akoestisch rapport bij hun beoordeling betrokken.

De Afdeling ziet voorts, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat de flankerende partiële herzieningen het niet mogelijk maken te voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde wat betreft de geluidbelasting op de woningen grenzend aan de President Rooseveltlaan.

Ten aanzien van de stelling van appellanten dat in de planvoorschriften dient te worden opgenomen welk soort asfalt moet worden gebruikt, overweegt de Afdeling dat deze keuze een kwestie van uitvoering betreft. Daarbij staat voorop dat voldaan dient te worden aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden. Overigens is de ontwikkeling van soorten geluidsarm asfalt een doorgaand proces zodat ook daarom de gemeenteraad bij de uitvoering van het plan daarin vrijheid van keuze moet hebben.

2.7. Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat ten onrechte in het plan geen aandacht is besteed aan trillingshinder als gevolg van zwaar verkeer, is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat verweerders om deze reden aanleiding hadden dienen te zien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.8. Appellanten vrezen in hun woon- en leefgenot te worden geschaad door de in de flankerende partiële herzieningen voorziene geluidsschermen.

Verweerders hebben overwogen dat maatregelen bij de bron en in het overgangsgebied in principe de voorkeur verdienen boven maatregelen bij de woningen. Uitgangspunt van het provinciale beleid ten aanzien van het verlenen van hogere grenswaarden is dat deze alleen worden verleend indien de toepassing van bronmaatregelen en/of geluidsschermen onevenredig hoge kosten of andere onevenredig grote bezwaren met zich brengt. Verweerders hebben overwogen dat in dit geval de gemeenteraad in redelijkheid voor geluidsschermen heeft kunnen kiezen.

2.8.1. Uit het deskundigenbericht blijkt dat langs het westelijk deel van de President Rooseveltlaan, alsmede langs de President Rooseveltlaan ten zuiden van de Generaal Hakewill Smithlaan al sinds de bouw van de desbetreffende woningen in de zeventiger jaren schermen staan van ongeveer 2 meter hoog. Deze schermen kunnen op basis van de flankerende herziening van het bestemmingsplan "Klarenbeek III" worden vervangen door nieuwe schermen op kortere afstand van de weg en dus verder weg van de woningen. Deze nieuwe schermen hebben een maximale hoogte van 2 meter ter plaatse van de nadere aanwijzing I tot 3.80 meter ter plaatse van de nadere aanwijzing V. Voor het merendeel van de situaties geldt dat het bestaande scherm van ongeveer 2 meter hoog zal worden vervangen door een scherm op grotere afstand van de woningen, dat 0,5 tot 1,60 meter hoger zal zijn of even hoog. Op twee hoeken zal een scherm van 1,80 meter hoger kunnen worden opgericht. Voorts ligt langs het oostelijk deel van de President Rooseveltlaan reeds een wal van ongeveer 2 meter hoog. Op grond van voornoemde flankerende herziening kan deze worden voorzien van een verhoging van 0,50 meter in de vorm van een scherm. De flankerende herziening van het bestemmingsplan "Noordweg" maakt de plaatsing van schermen van 2,50 en 3 meter hoog langs het westelijke deel van de President Rooseveltlaan ter hoogte van de kruising met de Noordweg mogelijk.

De Afdeling is, mede gelet op het deskundigenbericht, van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij op ernstige wijze in hun woon- en leefgenot zullen worden geschaad door de in voornoemde herzieningen voorziene geluidsschermen.

2.9. Appellanten hebben verder aangevoerd dat de keuze voor de doortrekking en aansluiting van de President Rooseveltlaan op de N57 onvoldoende is onderbouwd en dat alternatieven mogelijk zijn.

Verweerders hebben onder meer overwogen dat voor de noordelijke aansluiting is gekozen aangezien met deze variant het minste doorgaande verkeer in combinatie met de grootste ontsluitingsfunctie voor de noordwestelijke woonwijken van Middelburg wordt verwacht.

2.9.1. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Voorts overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan een bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.10. Appellanten achten het voorts onaanvaardbaar dat de doortrekking en aansluiting van de President Rooseveltlaan op de N57 worden uitgevoerd terwijl de planprocedure ten aanzien van de N57 nog niet is voltooid.

2.10.1. De Afdeling kan appellanten hierin niet volgen. Zij neemt hierbij in aanmerking dat verweerders goedkeuring hebben onthouden aan het plan dat de aanleg van het wegtracé van de N57 mogelijk maakt om de formele reden dat het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden niet tijdig was genomen. Ter zitting is gesteld dat het artikel 30-plan op zeer korte termijn tervisie zal worden gelegd.

2.10.2. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de flankerende partiële herzieningen van de bestemmingsplannen "Veersepoort", "Klarenbeek III" en "Noordweg" niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan de plannen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en

dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

177-248.