Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200106150/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 23
Wet op de Ruimtelijke Ordening 25
Wet op de Ruimtelijke Ordening 27
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/679
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106150/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten sub 1], beiden wonende te [woonplaats], en de besloten vennootschap Pand-Vast B.V. en de besloten vennootschap […], beiden gevestigd te Harderwijk,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2001 heeft de gemeenteraad van Harderwijk, op voorstel van burgemeester en wethouders van 30 januari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Flevoterrein-Noord".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 25 september 2001, kenmerk RE2001.23804, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 13 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 januari 2002 hebben verweerders medegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het indienen van een verweerschrift.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.E. Davelaar, advocaat te Assen, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. I. Smeenk, advocaat te Arnhem zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. J. Oosterkamp, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan beoogt een deel van het industrieterrein “Haven” om te vormen tot een woon- en recreatiegebied. Als gevolg hiervan zullen de bestaande bedrijven in het plangebied, waaronder die van appellanten, moeten worden verplaatst.

Verweerders hebben het plan bij het bestreden besluit grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten zijn van mening dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben verleend. Zij stellen onder meer dat het vastgestelde plan zoveel essentiële wijzigingen ten opzichte van het ontwerp-plan bevat dat het moet worden beschouwd als een nieuw plan dat opnieuw ter inzage had moeten worden gelegd.

2.4. Verweerders hebben het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij stellen dat de gemeenteraad het plan ten opzichte van het ontwerp gewijzigd kan vaststellen als de wijzigingen niet van zodanige aard en omvang zijn dat terzake gesproken zou moeten worden van een geheel ander plan dat opnieuw in procedure zou moeten worden gebracht. Verweerders zijn van mening dat de ruimtelijke intenties van de gemeenteraad bij de gewijzigde vaststelling niet van dusdanige aard en omvang zijn dat gesproken moet worden van een geheel nieuw plan.

2.5. Bij de vaststelling van het plan is het plangebied vergroot met het perceel Harderwijk, sectie E, nr. 5306, en een strook water die zich globaal uitstrekt vanaf de meest westelijk gelegen loper over het zuidwestelijke deel van het plangebied. Verder zijn bij de vaststelling van het plan de bestemmingen “Uit te werken woondoeleinden” en “Uit te werken gemengde doeleinden” vervallen en vervangen door de bestemming “Uit te werken leisure doeleinden”. Ongeveer 2/3 van het hele plangebied heeft hierdoor een andere bestemming gekregen. Voor de gronden waaraan in het ontwerp-plan de bestemming “Uit te werken woondoeleinden” was toegekend, is een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van wonen toegekend. Deze bevoegdheid heeft betrekking op ongeveer de helft van het plangebied. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming “Uit te werken leisure doeleinden” bestemd voor leisure, detailhandel, horeca, verkeer en verblijf, en openbare nutsvoorzieningen. Ingevolge artikel 1, onder s, van de planvoorschriften wordt onder leisure verstaan vrijetijdsvoorzieningen met een toeristisch-recreatieve aantrekkingskracht zoals sport-, vermaaks-, en culturele voorzieningen.

De Afdeling is van oordeel dat de oppervlakte van de gronden waarmee het plangebied is uitgebreid slechts van ondergeschikte betekenis is ten opzichte van de totale oppervlakte van het plangebied. Daarentegen beslaat de oppervlakte van de gronden waaraan een andere bestemming is toegekend 2/3 van het plangebied. Deze gronden maken dan ook een substantieel deel uit van het plan. De bestemming van deze gronden is ingrijpend gewijzigd van een woonbestemming naar een bestemming die overwegend recreatief van aard is.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de ruimtelijke intentie van de gemeenteraad niet dezelfde is gebleven. Er is sprake van een nieuw plan waarvoor een nieuwe bestemmingsplanprocedure diende te worden gevolgd. Dat voor ongeveer de helft van het plangebied een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van wonen doet hieraan niet af. In het ontwerp was immers voor deze gronden een uitwerkingsplicht ten behoeve van wonen opgenomen, terwijl het nu slechts om een bevoegdheid van burgemeester en wethouders gaat.

2.6. Gelet op het vorenstaande is het plan vastgesteld in strijd met artikel 23, eerste lid, in samenhang met artikel 27, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Door het plan niettemin goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellanten is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plan.

2.7. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige bezwaren van appellanten geen bespreking.

2.8. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 25 september 2001, kenmerk RE2001.23804;

III. onthoudt goedkeuring aan het bestemmingsplan "Flevoterrein-Noord";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 685,31, waarvan een bedrag van € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

177-409.