Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4876

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200106315/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200106315/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap Badhotel De Wielingen B.V., gevestigd te Cadzand, en anderen,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Zeeland,

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2001 heeft de gemeenteraad van Oostburg, op voorstel van burgemeester en wethouders van 3 april 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Cadzand-Bad West".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 16 oktober 2001, kenmerk 019303/599/9, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 januari 2002 hebben verweerders meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het indienen van een verweerschrift.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.M. den Hollander, advocaat te Oostburg, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. M.E.C. Bordes, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Verder zijn de gemeenteraad, vertegenwoordigd door F.J. Sanderse, ambtenaar van de gemeente, en [partij], in persoon en bijgestaan door mr. C. Vissers, advocaat te Rotterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt onder andere de uitbreiding van hotel Noordzee en Badhotel De Wielingen mogelijk, alsmede de herinrichting van de directe omgeving van de hotels.

Verweerders hebben het plan bij het bestreden besluit goedgekeurd.

2.2. [Appellanten] hebben tegen het ontwerp-plan geen zienswijze ingebracht bij de gemeenteraad.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerp-plan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp of voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich hier voor.

Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.3. Appellanten maken er in beroep bezwaar tegen dat het bouwvolume en het te bebouwen oppervlak van het perceel [locatie], dat eigendom is van [appellanten], aanzienlijk kleiner is in het bestemmingsplan dan in het voorontwerp van het plan.

Deze beroepsgrond steunt echter niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

In het stelsel, neergelegd in de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, onder a, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze tegen het ontwerp-plan. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp of voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door appellanten gestelde omstandigheid dat de gemeente hun er niet van op de hoogte heeft gesteld wat de betekenis is van de wijziging die ten opzichte van het voorontwerp van het plan is aangebracht in het ter inzage gelegde ontwerp. Het gemeentebestuur was daartoe niet gehouden.

Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.4. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.5. Appellanten zijn van mening dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben verleend voorzover het plan een uitbreiding van hotel Noordzee mogelijk maakt. Zij voeren aan dat de gemeenteraad geen rekening heeft gehouden met zijn toezegging dat tussen de bebouwing van het hotel en de gevels van de woningen van de bewoners van de Noordzeestraat een minimale afstand van 50 meter wordt aangehouden. Tevens menen appellanten dat de gemeenteraad voorbijgaat aan zijn toezegging om voldoende openbare parkeerruimte te behouden. Zij voeren aan dat door het plan trottoirs en openbare parkeerruimte zullen verdwijnen. Zij vinden dat de gemeenteraad onvoldoende heeft gezocht naar alternatieven voor de uitbreiding van het hotel en de daarmee samenhangende benodigde parkeergelegenheid. Verder zijn appellanten van mening dat Badhotel De Wielingen schaduwwerking zal ondervinden op zijn terras door de in het plan voorziene uitbreiding van hotel Noordzee.

2.6. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat in de Noordzeestraat voldoende parkeergelegenheid blijft bestaan voor de bewoners van de Noordzeestraat en hun eventuele bezoekers. Voor bezoekers in het zomerseizoen en op stranddagen zijn elders voldoende parkeermogelijkheden aanwezig, aldus de gemeenteraad. De gemeenteraad is van mening dat de in het plan voorziene uitbreiding van hotel Noordzee geen onevenredige grote nadelige veranderingen teweegbrengt in de zon- en lichttoetreding van het naastgelegen Badhotel De Wielingen.

2.7. Verweerders hebben het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. Zij vinden dat niet behoeft te worden gevreesd voor een verkeersonveilige situatie met het verdwijnen van het trottoir, aangezien de gemeenteraad zonodig verkeersmaatregelen kan nemen. Zij merken hierbij op dat het plan voorziet in een strook van 5 tot 10 meter met de bestemming “Verkeersdoeleinden (V)”. Voorts vinden zij dat appellanten geen blijvende rechten kunnen ontlenen aan de gestelde toezeggingen van de gemeenteraad uit 1977. Verweerders stellen verder dat voor hotel Noordzee onder andere sprake is van een ten opzichte van de gevel terugspringende bovenste bouwlaag en dat deze extra bouwlaag op het zuidelijkste deel van het hotel is gesitueerd. Zij zijn van mening dat hierdoor de schaduwhinder op Badhotel De Wielingen beperkt zal zijn ten opzichte van de huidige situatie.

2.8. Blijkens de plankaart is de strook met de bestemming “Verkeersdoeleinden (V)” die betrekking heeft op de Noordzeestraat 5 tot 10 meter breed. Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften is deze strook onder andere bestemd voor verkeerswegen, parkeerplaatsen, fiets-, voetpaden en pleinen. Het plan biedt derhalve de mogelijkheid voorzieningen te treffen waardoor voetgangers niet op de rijweg behoeven te lopen. De inrichting van de desbetreffende strook is een kwestie van uitvoering en kan in het kader van deze procedure niet aan de orde komen.

2.8.1. Ten gevolge van het plan zal een aantal openbare parkeerplaatsen verdwijnen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat voor de bewoners van de Noordzeestraat en hun bezoekers voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is. Voor bezoekers van het strand in met name het zomerseizoen is voldoende parkeergelegenheid aanwezig in de nabije omgeving. De gemeenteraad heeft ter zitting bevestigd dat hij verkeersmaatregelen zal nemen ten einde parkeerproblemen en een verkeersonveilige situatie te voorkomen. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders in redelijkheid ervan mogen uitgaan dat er zich geen onoverkomelijke parkeerproblemen zullen voordoen ten gevolge van het plan en in voldoende openbare parkeerruimte wordt voorzien.

2.8.2. Wat betreft de door appellanten gestelde toezeggingen van de gemeenteraad stelt de Afdeling voorop dat verweerders bij het nemen van het thans aan de orde zijnde besluit inzake goedkeuring van het plan, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, niet gebonden zijn aan toezeggingen die van gemeentewege eventueel worden gedaan. Een ander oordeel zou betekenen dat de beoordelingsruimte van verweerders door toedoen van het bestuursorgaan dat het goed te keuren besluit heeft genomen, kan worden ingeperkt.

De Afdeling merkt overigens op dat, mede gelet op hetgeen is overwogen in overweging 2.8.1, niet aannemelijk is gemaakt dat de gemeenteraad zijn toezegging inzake de openbare parkeerruimte niet is nagekomen. Daarnaast is de Afdeling, wat betreft de aan te houden afstand tussen hotel Noordzee en de bebouwing aan de Noordzeestraat, niet gebleken dat vanwege de gemeente in rechte te honoreren verwachtingen zijn gewekt.

2.8.3. Hotel Noordzee ligt ten zuidwesten van Badhotel De Wielingen. De maximale goothoogte van hotel Noordzee is 19 meter. Onder het bestemmingsplan “Cadzand-Haventje” was dit 18 meter. Het terras van Badhotel De Wielingen ligt ten noorden van hotel Noordzee. Uit het schaduwonderzoek, overgelegd door appellanten, komt naar voren dat de in het plan voorziene uitbreiding van hotel Noordzee extra schaduw voor het terras van Badhotel De Wielingen met zich brengt. Verweerders hebben dit echter niet van overwegende betekenis behoeven te achten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de extra schaduw in de zomermaanden zeer gering is.

2.8.4. De Afdeling overweegt dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Hierbij merkt de Afdeling op dat verweerders hebben kunnen stellen dat bij de nieuwbouw van hotel Noordzee zoveel mogelijk rekening is gehouden met de landschappelijke inpasbaarheid van het hotel.

2.9. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de overige appellanten niet-ontvankelijk wat betreft het bezwaar met betrekking tot perceel [locatie];

III. verklaart het beroep, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

177-409.